ECLI:NL:RBNNE:2025:5621

ECLI:NL:RBNNE:2025:5621, Rechtbank Noord-Nederland, 09-10-2025, LEE 24/1417

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 09-10-2025
Datum publicatie 02-01-2026
Zaaknummer LEE 24/1417
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Het college heeft tot invordering over kunnen gaan. Hetgeen eiseres daartegen aangevoerd heeft, is geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Eiseres is niet opgekomen tegen de oplegging van de last onder dwangsom en deze staat daarom in rechte vast. Eiseres komt geen beroep toe op het uitzonderingsgeval als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466, omdat niet aan de voorwaarden voor toepassing van het uitzonderingsgeval wordt voldaan. Op basis van het dossier heeft het college een overtreding van artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet aan kunnen nemen. Eiseres is ook overtreder van die norm, omdat zij als eigenaar normadressaat van artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet is. Eiseres heeft er evenmin (gerechtvaardigd) op mogen vertrouwen dat het college de begunstigingstermijn heeft willen verlengen. Er zijn tot slot geen bijzondere omstandigheden die het college aanleiding hadden moeten geven om van invordering af te zien.

Uitspraak

Dutch Investment Company D.I.C. BV, uit Zwolle, eiseres

(gemachtigde: mr. R.A. Oosterveer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel, het college

(gemachtigde: mr. H.E. Benjamins).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de invordering van verbeurde dwangsommen. Het college heeft bij besluit van 1 augustus 2023 besloten om verbeurde dwangsommen van in totaal € 20.000,- bij eiseres in te vorderen. De dwangsommen zijn verbeurd wegens het overtreden van een last tot beëindiging van overtredingen van het Bouwbesluit 2012, die bij besluit van 24 november 2022 is opgelegd. Eiseres is het niet eens met de invordering van de dwangsommen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit tot invordering van de dwangsommen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de verbeurde dwangsommen in te vorderen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de verbeurde dwangsommen in te vorderen. Deze hoofdvraag valt uiteen in meerdere deelvragen, namelijk:

Is er (overduidelijk) geen sprake van een overtreding?

Is eiseres aan te merken als overtreder?

Heeft eiseres erop mogen vertrouwen dat het college de begunstigingstermijn had verlengd?

Had het college, gezien de bijzondere omstandigheden van het geval, af moeten zien van invordering?

Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Bij besluit van 1 augustus 2023 heeft het college besloten om verbeurde dwangsommen in te vorderen, omdat eiseres niet heeft voldaan aan de opgelegde last. De last was opgelegd voor overtredingen die zouden hebben plaatsgevonden op het perceel [adres] in [woonplaats] (hierna: het perceel). Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit tot invordering van verbeurde dwangsommen gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het beroep is het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van het besluit van 9 februari 2024 bepalend. Het oude recht blijft echter van toepassing als ook op grond van het nieuwe recht sprake zou zijn geweest van overtredingen, namelijk op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dat betekent dat in dit geval het recht van toepassing blijft, zoals dat gold vóór 1 januari 2024.

4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 8 juli 2022 hebben toezichthouders van de gemeente een controle gehouden op het perceel. Daarbij hebben de toezichthouders geconstateerd dat de brandwerende scheiding tussen de begane grond en de eerste verdieping niet voldeed aan de minimale brandwerende eis (van 30 minuten brandwerendheid) uit artikel 2.90 van het Bouwbesluit 2012. Verder hebben de toezichthouders geconstateerd dat de elektrische installatie niet voldeed aan NEN 1010:1962, doordat op bepaalde plekken losse bedrading zichtbaar was en deze niet op de juiste manier aangesloten was.

Op 24 november 2022 heeft het college eiseres een last onder dwangsom opgelegd. De last zag op het beëindigen van de overtredingen van artikel 2.90, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 en artikel 6.8, eerste lid, onder a, van het Bouwbesluit 2012. Om te voldoen aan de last kon eiseres het systeemplafond vervangen en een nieuwe brandwerende scheiding tussen de begane grond en de eerste verdieping aanbrengen. Ten aanzien van de elektrische installatie werd aangegeven dat eiser kon voldoen aan de last door de installatie te laten keuren en waar nodig aan te passen. Aan de last is een begunstigingstermijn verbonden van vier weken na dagtekening van het besluit. Onder ‘Wettelijk kader’ vermeldde het besluit dat er sprake was van een overtreding van artikel 2.90 lid 3 van het Bouwbesluit in samenhang met artikel 1a van de Woningwet. Ook zou er sprake zijn van een overtreding van artikel 6.8 lid 1 onder a van het Bouwbesluit 2012.

Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen de oplegging van de last onder dwangsom.

Van 9 december 2022 tot 21 december 2022 hebben eiseres en de gemeente schriftelijk met elkaar gecommuniceerd over de opgelegde last en hoe deze last nagekomen kon worden. Daarbij heeft eiseres aangeboden om de winkel dicht te timmeren, als de huurder de benodigde aanpassingen niet zou verrichten die nodig waren om de overtreding te beëindigen.

Op 17 januari 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres en de gemeente. Daarbij is afgesproken dat eiseres binnen twee weken een rapport op zou laten maken waarin de brandveiligheid geïnventariseerd werd. Naar aanleiding van dat rapport zou een planning gemaakt worden voor de werkzaamheden die nodig zijn om eventuele gebreken te herstellen. Diezelfde dag heeft eiseres de gemeente gemaild om dit te bevestigen. De gemeente heeft op 20 januari 2023 geantwoord dat het rapport uiterlijk 31 januari 2023 bij de gemeente ontvangen moest zijn. Daarnaast verzocht de gemeente eiseres om aan te geven binnen welke termijn hij de overtreding zou beëindigen. Eiseres zou het rapport afwachten, maar deze in ieder geval vóór 31 januari 2023 aanleveren, en vervolgens contact opnemen met de gemeente om de planning van de benodigde werkzaamheden door te geven.

Op 31 januari 2023 heeft eiseres de gemeente laten weten dat het niet gelukt was om een rapport op te laten maken. Eiseres deelde mee dat zij in contact was met bureaus voor een rapportage. Eiseres vroeg of zij uitstel kon krijgen of dat zij de winkel dicht moet timmeren.

Op 6 februari 2023 heeft de gemeente eiseres bericht dat geen uitstel verleend wordt en dat zij door het dichttimmeren van de winkel de overtreding niet beëindigt. Het college heeft eiseres ook aangekondigd dat het college vervolg zal geven aan het handhavingstraject.

Op 23 februari 2023 hebben toezichthouders van de gemeente een hercontrole uitgevoerd. De toezichthouders hebben daarbij geconstateerd dat er geen (nieuwe) brandwerende scheiding tussen de begane grond en de eerste verdieping aangebracht was. Verder hebben zij geconstateerd dat de elektrische installatie nog steeds niet voldeed, omdat er een wirwar van losse draden lag en doorvoeren door de vloer naar boven te zien waren.

Op 24 februari 2023 heeft het college eiseres een voornemen gestuurd tot invordering van verbeurde dwangsommen van in totaal € 20.000,-.

Eiseres heeft op 6 april 2023 een zienswijze op het voornemen gegeven, waarin zij stelt dat zij de overtreding heeft beëindigd door het dichttimmeren van het pand. Zij stelt dat zij er ook op mocht vertrouwen dat zij op deze wijze de overtreding kon beëindigen, gezien de correspondentie hierover met de gemeente. Bovendien stelt eiseres dat zij geen overtreder is, waarbij zij verwijst naar de conclusie van A-G Wattel over daderschap.

Op 1 augustus 2023 heeft het college besloten om over te gaan tot invordering van verbeurde dwangsommen. De zienswijze is voor het college geen aanleiding geweest om van invordering af te zien. Het college stelt zich op het standpunt dat duidelijk gecommuniceerd is, op 17 januari 2023 in het gesprek en op 6 februari 2023 in een bericht, dat de overtreding niet beëindigd kon worden door het pand dicht te timmeren. In het laatste bericht is ook uitdrukkelijk aangegeven dat het handhavingstraject vervolg zou krijgen. Vanuit de gemeente zijn daarom geen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen gedaan waaruit zou blijken dat niet tot invordering zou worden overgegaan. Het college stelt zich daarnaast op het standpunt dat eiseres niet tegen de last is opgekomen en dat deze daarom in beginsel vaststaat. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan van invordering worden afgezien. Er is geen sprake van een dergelijke bijzondere omstandigheid. Het college gaat niet mee in het argument dat eiseres niet als feitelijk overtreder zou kunnen worden aangemerkt.

Op 11 september 2023 heeft eiseres pro forma bezwaar gemaakt, waarna eiseres op 12 oktober 2023 de gronden aangevuld heeft. Eiseres stelt dat in dit geval sprake is van een uitzonderingsgeval als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466, zodat eiseres ook met succes gronden kan aanvoeren tegen de opgelegde last onder dwangsom. In dit geval is daarom wel degelijk relevant dat eiseres niet als overtreder aangemerkt kan worden. Zij voldoet namelijk niet aan de vereisten om haar als functioneel dader aan te merken. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067. Subsidiair stelt eiseres dat zij aan de last heeft voldaan doordat zij de zaak volledig heeft gesloten vóór het verlopen van de begunstigingstermijn. Bovendien heeft eiseres binnen de begunstigingstermijn laten weten dat zij aan de last zou gaan voldoen door het pand dicht te timmeren. Het college heeft daarop niet binnen de begunstigingstermijn laten weten dat dit niet voldoende zou zijn om de overtreding te beëindigen. Met de reactie van de gemeente van 20 januari 2023 heeft het college daarnaast de oude begunstigingstermijn laten vervallen en heeft het college aan eiseres overgelaten wanneer zij aan de last zou kunnen voldoen. Daar heeft eiseres daarom op mogen vertrouwen. Tot slot is het volgens eiseres onevenredig dat het college nu overgaat tot invordering. Eiseres heeft altijd in goed overleg met de gemeente samengewerkt en naar oplossingen gezocht. De gemeente is vervolgens nalatig geweest in de communicatie richting eiseres, waardoor zij erop heeft mogen vertrouwen dat haar aanpak om aan de last te voldoen goedgekeurd werd en dat de termijn om aan deze last te voldoen een ‘open termijn’ was. Onder die omstandigheden is het onevenredig om tot invordering over te gaan.

Het bezwaar is ter advisering voorgelegd aan de Commissie bezwaarschriften (hierna: de bezwaarcommissie). Tijdens een hoorzitting op 31 januari 2024 is eiseres in de gelegenheid gesteld om haar bezwaren mondeling toe te lichten. De bezwaarcommissie heeft het college op 5 februari 2024 geadviseerd het besluit in stand te laten, onder aanpassing van de wettelijke grondslag naar artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet. Volgens de bezwaarcommissie is eiseres wel degelijk de overtreder omdat artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet zowel eigenaren als gebruikers verbiedt om het Bouwbesluit 2012 te overtreden. Eiseres is eigenaar van het pand en derhalve normadressaat van de overtreden norm. Eiseres komt daarom geen beroep toe op de uitzondering die is benoemd in de rechtspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2024:133). Ook heeft eiseres niet aan de last voldaan door het pand dicht te laten timmeren. Op 23 februari 2023 hebben toezichthouders geconstateerd dat de vastgestelde gebreken nog niet waren hersteld. Op die datum had eiseres dus niet aan de last voldaan.De omstandigheden die eiseres verder naar voren brengt, kunnen tot slot niet aangemerkt worden als bijzondere omstandigheden waardoor van invordering afgezien had moeten worden. De argumenten dat het bestreden besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel genomen is, overtuigen niet. Het betoog van eiseres dat de begunstigingstermijn met het bericht van 20 januari 2024 verlengd was, volgt de bezwaarcommissie niet. Op die datum was de begunstigingstermijn al verlopen en kon niet meer verlengd worden. In datzelfde bericht is bovendien vermeld dat een rapport uiterlijk 31 januari 2024 verwacht wordt. Op 6 februari 2024 is eiseres nogmaals bericht dat het dichttimmeren van het pand geen optie was en dat de overtreding niet beëindigd was.

5. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard, in lijn met het advies van de bezwaarcommissie. Het college vermeldt daarbij dat, als eiseres bezwaar had gemaakt tegen de opgelegde last, het college de wettelijke grondslag aan had kunnen passen naar artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet. Het college verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1855. Het feit dat het college naar een onjuiste wettelijke grondslag verwijst, kan nu niet leiden tot de conclusie dat het college had moeten afzien van invordering.

Toetsingskader

6. De rechtbank overweegt dat bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom het belang van de invordering zwaar weegt. Van een besluit om een last onder dwangsom op te leggen, moet namelijk gezag uitgaan. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.In een procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking kan een belanghebbende in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als overduidelijk is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is.

Geen overtreding

7. Eiseres stelt dat zij de last niet heeft overtreden. Het college heeft aan de last artikel 1a van de Woningwet ten grondslag gelegd. In bezwaar tegen de invordering is ter sprake gekomen dat de grondslag voor het opleggen van de last onjuist was. In plaats van artikel 1a van de Woningwet, had artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet de grondslag moeten zijn. Het college stelt ten onrechte dat dit geen reden is om van invordering van de last af te zien. Dit is onjuist, omdat er geen sprake is van overtreding van artikel 1a van de Woningwet. Het college kon daarom niet tot invordering overgaan, want de last is niet overtreden. Verder stelt eiseres dat niet vastgesteld is dat artikel 2.90, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 is overtreden, omdat niet duidelijk is hoe de toezichthouder heeft geconstateerd dat de brandwerendheid niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst eiseres naar een uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1050. Ook is niet duidelijk hoe de toezichthouder geconstateerd heeft dat er sprake zou zijn van een overtreding van artikel 6.8, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012. In de eerste plaats is het maar de vraag of de toegepaste NEN-norm, NEN 1010:1962 van toepassing is, omdat het oorspronkelijke bouwjaar van het pand 1850 is. Daarnaast schrijft de toezichthouder voor dat de installatie gekeurd moet worden door een vakbekwaam en deskundig persoon. Hieruit volgt dat de toezichthouder zelf niet vast heeft kunnen stellen of de norm is overtreden.

Het college stelt zich op het standpunt dat de last niet gegrond is op artikel 1a van de Woningwet, maar op overtredingen van het Bouwbesluit 2012. Het ontbreken van een verwijzing naar artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet is niet relevant, omdat er sprake is van overtreding van het Bouwbesluit 2012. Volgens het college is in dit geval wel vastgesteld dat de brandwerendheid niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Daarbij is van belang dat het gaat om een systeemplafond en houten vloer. Aangezien de toezichthouder op meerdere plaatsen, verspreid over deze vloer, feitelijk gaten heeft aangetroffen – en hier ook foto’s van heeft gemaakt – heeft het college vast kunnen stellen dat de brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie van de vloerconstructie niet voldoet. Deze situatie verschilt van de door eiser aangehaalde situatie in de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2023. Daar was het probleem dat niet feitelijk vastgesteld kon worden of de vloer voldoende brandwerend was, omdat de constructie was uitgevoerd met Perfora stenen. Testgegevens daarover ontbraken. Het college stelt zich tot slot op het standpunt dat de toezichthouder wel zelfstandig heeft vastgesteld dat de elektrische installatie niet voldeed aan de veiligheidsvoorschriften van NEN 1010. De toezichthouder heeft immers vastgesteld dat de elektrische installatie ‘op enkele plaatsen loshangt’ en ‘dat de bedrading niet op de juiste wijze is gekoppeld.

Omdat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen de opgelegde last onder dwangsom, staat dit besluit in rechte vast. In het besluit is vermeld dat er sprake is van een overtreding van artikel 2.90 lid 3 van het Bouwbesluit 2012 in samenhang met artikel 1a van de Woningwet. De rechtbank is daarom van oordeel dat, anders dan het college stelt, de last opgelegd is wegens een overtreding van artikel 1a van de Woningwet.

De rechtbank overweegt dat een overtreding een gedraging is die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens een wettelijk voorschrift. Artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet draagt de eigenaar van een pand op er zorg voor te dragen dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.

De rechtbank stelt vast dat toezichthouders van de gemeente hebben geconstateerd dat de brandwerende scheiding tussen de begane grond en de eerste verdieping van het pand niet aan de minimale brandwerende eis (van 30 minuten brandwerendheid) uit artikel 2.90 van het Bouwbesluit voldeed. Ook hebben de toezichthouders geconstateerd dat de elektrische bedrading niet voldeed aan NEN 1010:1962, doordat op bepaalde plekken losse bedrading zichtbaar was en deze niet op de juiste wijze was aangesloten. Er was daarom ook sprake van een overtreding van artikel 6.8, eerste lid, onder a, van het Bouwbesluit 2012.

Artikel 2.90 van het Bouwbesluit is opgenomen in hoofdstuk 2 van het Bouwbesluit, getiteld ‘Technische bouwvoorschriften uit het oogpunt van veiligheid’, wat alleen al aangeeft dat bij niet-naleving de veiligheid in het geding kan komen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat losliggende en onjuist aangesloten elektrische bedrading (brand)gevaar oplevert. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarom terecht geconcludeerd dat eiseres tekortgeschoten is in de plicht om te voorkomen dat er gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat en dat eiseres dus artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet heeft overtreden.

De rechtbank kan eiseres ook niet volgen in haar stelling dat de overtreding niet (juist) vastgesteld of gemotiveerd is. De toezichthouder heeft vastgesteld dat er gaten zaten in de verdiepingsvloer, waardoor op bepaalde plekken de scheiding tussen de begane grond en de eerste verdieping van het pand enkel bestond uit een houten vloer. Anders dan in de door eiseres aangehaalde uitspraak, bestond de vloer hier uit materiaal, namelijk hout, waarvan algemeen bekend is dat het (zeer) brandbaar is. Het college mocht daarom aannemen dat de brandwerende scheiding niet aan de eis voldeed uit artikel 2.90 van het Bouwbesluit 2012. Ook over de elektrische installatie heeft het college voldoende gemotiveerd waarom er sprake is van een overtreding van artikel 6.8, eerste lid, van het Bouwbesluit. In artikel 1.2, eerste lid, van de Regeling Bouwbesluit wordt verwezen naar bijlage I bij de regeling om te bepalen welke NEN-norm precies moet worden toegepast. In bijlage I wordt vervolgens NEN 1010:1962 als toepasselijke norm voor bestaande bouw aangewezen. Deze norm is ook toegepast, blijkens het rapport van de toezichthouder. Uit het rapport van de toezichthouder blijkt ook duidelijk wat er mis was met de installatie, namelijk losse bedrading en een onjuiste manier van aansluiten van de bedrading. Dat de toezichthouder heeft voorgeschreven dat eiseres de installatie moet laten keuren door een vakbekwaam en deskundig persoon doet hier niet aan af, omdat dit naar het oordeel van de rechtbank een opdracht is aan eiseres om de geconstateerde gebreken te laten herstellen.

Op grond van bovenstaande volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat er (overduidelijk) geen sprake is van een overtreding. Het betoog faalt.

Geen overtreder

8. Eiseres stelt dat zij niet als overtreder kan worden aangemerkt, omdat de gestelde verboden gedragingen niet aan haar toegerekend kunnen worden en zij niet als functioneel dader aangemerkt kan worden.

Het college stelt zich op het standpunt dat de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 zich rechtstreeks richten tot eigenaren van bouwwerken en dat eiseres daarom normadressaat is. Een eigenaar handelt ook in strijd met de voorschriften door ‘nalaten’. Eiseres is daarom aan te merken als overtreder van de gestelde voorschriften.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres aangemerkt kan worden als overtreder van de gestelde norm. Zoals gesteld in artikel 1a, eerste lid van de Woningwet, dient de eigenaar er zorg voor te dragen dat er, als gevolg van de staat van een bouwwerk, geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat.

Dit voorschrift verplicht de eigenaar zelf dus direct tot handelen of nalaten. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of er sprake is van functioneel daderschap of toerekening van de overtreding. De door eiseres aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023 over functioneel daderschap is daarom niet relevant.

Het betoog van eiseres slaagt niet.

Begunstigingstermijn

9. Eiseres stelt subsidiair dat het college met een e-mailbericht van 20 januari 2024 de begunstigingstermijn verschoven heeft. Uit deze mail blijkt dat eiseres tot uiterlijk 31 januari 2023 de tijd had om een rapport over de brandwerendheid over te leggen. Als eiseres vervolgens op 31 januari 2023 aangeeft dat het hem niet lukt om op tijd een rapportage te krijgen en vraagt om uitstel, reageert het college pas op 6 februari 2024 dat geen uitstel zal worden verleend en dat tot invordering zal worden overgegaan. Door uit het niets aan te geven dat de begunstigingstermijn niet verlengd zal worden, terwijl deze feitelijk al verlengd was, handelde het college volgens eiseres in strijd met het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel.

Het college stelt zich op het standpunt dat het doel van het opleggen van een last onder dwangsom is om de overtreding te (laten) beëindigen. Daarom is het logisch dat na afloop van de begunstigingstermijn nog contact is geweest met eiseres, om dit in goede banen te leiden. Eiseres had bezwaar kunnen maken tegen de opgelegde last en/of de gestelde begunstigingstermijn of een aanvraag kunnen indienen voor verlenging van de begunstigingstermijn. Dat eiseres dit niet gedaan heeft, kan niet worden afgewenteld op het college.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres er niet gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat het college de begunstigingstermijn heeft willen verlengen. De begunstigingstermijn verliep op 22 december 2022. Als het voor eiseres duidelijk was dat zij de overtreding niet tijdig kon beëindigen, had het op haar weg gelegen om hierin actie te ondernemen, bijvoorbeeld door een verzoek tot verlenging van de begunstigingstermijn (op grond van artikel 5:34 van de Awb) of het instellen van een rechtsmiddel tegen het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom.

Op het moment dat de begunstigingstermijn verloopt, wordt van rechtswege een dwangsom verbeurd. Uit de communicatie tussen eiseres en de gemeente blijkt dat eiseres op 21 december 2022 erop gewezen is dat de begunstigingstermijn de volgende dag zou verlopen. Dat de gemeente daarna met eiseres in gesprek bleef, wil niet zeggen dat er is ingestemd met verlenging van de begunstigingstermijn. Hoewel de gemeente duidelijker had kunnen maken dat de communicatie met eiseres enkel nog gericht was op het beëindigen van de overtreding, heeft eiseres hieruit niet (gerechtvaardigd) af kunnen leiden dat het de bedoeling was om de begunstigingstermijn te verlengen.

Evenredigheid (bijzondere omstandigheden)

10. Eiseres stelt dat invordering, gezien de omstandigheden van het geval, niet evenredig is. Eiseres heeft steeds meegewerkt met de gemeente. Eiseres heeft ook maatregelen genomen door het pand te sluiten, terwijl zij niet als overtreder aangemerkt kan worden. Bovendien was de begunstigingstermijn opgeschort dan wel was de indruk gewekt dat er geen dwangsom verbeurd zou worden. Daarnaast was het voor eiseres onduidelijk welke maatregelen precies getroffen moesten worden en begrijpt eiseres niet dat sluiting van het pand niet voldoende was om de overtreding te beëindigen. Tot slot staat het pand op de nominatie om gesloopt te worden voor nieuwbouw. Van enig herstel is dan ook geen sprake.

Het college stelt dat eiseres nooit eerder vermeld heeft dat het pand gesloopt zal worden. Uit de relevante databases blijkt hier ook niet van. Het college heeft geen aanvraag voor een sloopvergunning ontvangen en uit de basisregistratie personen (BRP) blijkt dat de bovenverdieping van het pand nog steeds bewoond wordt.

De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om tot invordering over te gaan. Uit de rapporten van de toezichthouder en uit de communicatie/besluitvorming vanuit het college blijkt voldoende duidelijk wat eiseres had kunnen doen om de maatregelen te beëindigen. Het college heeft ook laten weten dat sluiting van het pand niet voldoende was. Dit volgt ook uit de regelgeving. Uit niets blijkt dat het pand in gebruik moet zijn, voordat het aan de eisen van het Bouwbesluit 2012 moet voldoen. Bovendien is de pizzeria weliswaar gesloten, maar is de bovenwoning nog steeds in gebruik. Daarmee is tot op heden niet aan de last voldaan. Hierboven heeft de rechtbank al geoordeeld dat er sprake is van een overtreding, waarbij eiseres als overtreder aangemerkt kan worden en dat eiseres er niet op heeft mogen vertrouwen dat de begunstigingstermijn verlengd was. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dan ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college af had moeten zien van invordering.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:1

1. In deze wet wordt verstaand onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

Woningwet

Artikel 1a

1. De eigenaar van een bouwwerk, open erf of terrein of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen draagt er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

Bouwbesluit 2012

Artikel 2.90

Artikel 6.8

1. Een voorzieningvoor elektriciteit voldoet aan:

a. NEN 1010 bij lage spanning, en

b. NEN-EN-IEC 61936-1 en NEN-EN 50522, bij hoge spanning.

2. Bij een bestaand bouwwerk voldoet in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, de voorziening voor elektriciteit aan V 1041.

Regeling Bouwbesluit 2012

Artikel 1.2

1. Waar bij het besluit of deze regeling is verwezen naar een BRL, NEN, NEN-EN, NTA, NVN, of V, is in bijlage I (https://wetten.overheid.nl/BWBR0031022/2023-07-01) en voor zover het een in de afdelingen 2.1 en 2.2 van het besluit aangewezen NEN-EN betreft in bijlage II (https://wetten.overheid.nl/BWBR0031022/2023-07-01) bij deze regeling bepaald welke uitgave daarvan van toepassing is.

Bijlage I. behorende bij artikel 1.2

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?