RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
Dienst Toeslagen, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4928
en
(gemachtigde: C. Stede-Al).
1. Deze uitspraak gaat over de vastgestelde persoonlijke betalingsregeling voor meerdere terugvorderingen van toeslagen. Eiseres is het niet eens met de hoogte van het maandelijks terug te betalen bedrag van € 403,-. Zij voert daartoe aan dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar bijzondere uitgaven. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het besluit van verweerder over de betalingsregeling rechtmatig is.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het maandelijkse aflossingsbedrag kon vaststellen op € 403,-. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 24 april 2024 gevraagd om uitstel van betaling voor de terugvorderingsbeschikkingen T16.0131, T20.0851 en T26.0253.
Op 3 mei 2024 heeft verweerder een eerste beslissing genomen. Er wordt uitstel van betaling verleend van € 192,- per maand van 24 maanden.
De terugvorderingsbeschikking T26.0971 wordt bij besluit van 18 juni 2024 (het primaire besluit) ook meegenomen in de regeling. Hierdoor wordt het maandbedrag van de betalingsregeling verhoogd naar € 440,00 per maand en blijft de duur van kracht, waardoor er een betalingsregeling geldt van 22 maanden.
Eiseres maakt bezwaar tegen de beschikking van 18 juni 2024 en doet een tegenvoorstel om € 160,- per maand te betalen. Verweerder heeft hierop bewijsstukken opgevraagd voor een juiste vaststelling van de betalingscapaciteit. Eiseres heeft de gevraagde stukken deels aangeleverd en heeft het bezwaar daarnaast telefonisch toegelicht.
Op 7 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder een beslissing op het bezwaar genomen. Het bezwaar wordt gegrond verklaard. Er kan namelijk een regeling worden aangeboden van 24 maanden in plaats van de oorspronkelijke 22 maanden, waarbij het maandbedrag uitkomt op € 403,-.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar bewindvoerder, [bewindvoerder] . Verweerder was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft verweerder het maandelijkse aflossingsbedrag kunnen vaststellen op € 403,-?
3. Eiseres stelt dat onvoldoende rekening wordt gehouden met haar persoonlijke situatie. De kosten voor de auto zijn hoog, omdat er in het verleden schade is gereden. De auto is wel essentieel voor het gezin in verband met de medische situatie van haar echtgenoot en dochter. Met de voorgestelde betalingsregeling lukt het niet om een buffer op te bouwen voor onvoorziene (medische) omstandigheden. Zij wijst ook op de kosten van de bewindvoerder van haar echtgenoot. Eiseres verzoekt om het betalen van een maandbedrag van € 200,-.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank licht dat hierna verder toe.
Op grond van het derde lid van artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Uitvoeringsregeling Awir) kan een betalingsregeling worden vastgesteld waarbij de terugvordering in 24 maanden wordt terugbetaald. Op grond van het vierde lid van dit artikel kan op verzoek van een belanghebbende die aangeeft niet in staat te zijn de terugvordering terug te betalen via zo’n betalingsregeling, een persoonlijke betalingsregeling worden vastgesteld. Daarbij wordt de hoogte van de maandelijks te betalen bedragen vastgesteld op basis van de betalingscapaciteit van een belanghebbende en zijn of haar partner.
De betalingscapaciteit is, kort gezegd, de inkomsten minus de uitgaven van de betrokkene en diens toeslagpartner (netto besteedbaar inkomen) afgezet tegen de kosten van bestaan (de bestaansnormen). Ook wordt het beschikbare vermogen in aanmerking genomen. In de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 is aangegeven met welke inkomsten en uitgaven rekening mag worden gehouden. Daarnaast wordt rekening gehouden met de gegevens die nader zijn benoemd in de Leidraad Invordering 2008.
Voor de kosten van bestaan wordt een normbedrag gehanteerd van 90% van de bijstandsnorm. In dit bedrag zijn (tot een normbedrag) begrepen de kosten van bijvoorbeeld eten, drinken en kleding. Ook de (norm)kosten van gas, water en licht zijn hieronder begrepen. Van de berekende aflossingscapaciteit wordt 80% opgeëist (de opeisbare aflossingscapaciteit).
Tussen partijen is niet in geschil dat de betalingscapaciteit van eiseres in overeenstemming met de artikelen 11 tot en met 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 is berekend. In het bestreden besluit en het verweerschrift heeft verweerder een berekening gemaakt van de betalingscapaciteit, waarbij is uitgegaan van het inkomen van eiseres en haar man. Er is aangenomen dat er niet wordt beschikt over vermogen. Verder zijn de uitgaven in aanmerking genomen.
Verweerder komt bij het stellen van regels over het verlenen van uitstel van betaling beoordelingsruimte toe. Verweerder heeft die beoordelingsruimte ingevuld door alleen de in artikel 15, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 genoemde kosten mee te nemen bij de berekening van de betalingscapaciteit. Verweerder heeft redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier ingevuld, gelet op het doel van de toeslagen. Niettemin kunnen bijzondere omstandigheden in een concreet geval aanleiding zijn tot het meenemen van andere dan in artikel 15, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 genoemde kosten bij de berekening van de betalingscapaciteit, omdat de nadelige gevolgen van strikte toepassing van die bepaling onevenredig zijn in verhouding tot het met het besluit te dienen doel.
Uit het bestreden besluit blijkt dat het totaalbedrag van de restschuld van eiser ten tijde van dat besluit € 9.668,- is. Dit betekent dat zij bij een betalingsregeling in 24 maanden € 403,- per maand terug moet betalen om de restschuld in zijn geheel te voldoen. Dit is ook het bedrag dat verweerder heeft vastgesteld met het bestreden besluit. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de opeisbare betalingscapaciteit meer is dan € 403,-. Dat blijkt ook uit de berekeningen bij het bestreden besluit en het verweerschrift. In het verweerschrift is een bedrag van € 755,- berekend.
Ten aanzien van de stelling van eiseres dat het maandbedrag voor haar niet haalbaar is omdat zij feitelijk hogere kosten heeft, heeft de rechtbank hiervoor al overwogen dat bij berekening van de betalingscapaciteit niet wordt uitgegaan van de feitelijke uitgaven. Verweerder kan bij de berekening van de betalingscapaciteit niet met alle feitelijke uitgaven van eiser rekening houden, maar alleen met de uitgaven die in de toepasselijke regelgeving zijn opgesomd.
De rechtbank overweegt verder dat in de persoonlijke omstandigheden van eiseres verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 in haar geval buiten toepassing te laten omdat deze onevenredig zou uitwerken. Blijkens de berekening bij het verweerschrift heeft eiseres namelijk een opeisbare betalingscapaciteit van € 755,- per maand. Daarbij is ook rekening gehouden met het de kosten van de bewindvoerder van de echtgenoot van eiseres. Eiseres heeft niet aangevoerd dat deze berekening onjuist is. Eiseres ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerder tot een andere persoonlijke betalingsregeling had moeten komen. Mede gelet op de resterende opeisbare betalingscapaciteit ziet de rechtbank in wat eiseres heeft aangevoerd over de door haar te maken kosten, geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de van toepassing zijnde regelgeving en de wijze waarop verweerder die heeft toegepast voor eiseres leidt tot onevenredige gevolgen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook een standaard betalingsregeling mogen vaststellen waarbij eiseres gedurende 24 maanden maandelijks een bedrag van € 403,- moet terugbetalen.
Op de zitting heeft eiseres een nieuw kostenoverzicht van oktober 2025 overgelegd, maar deze dateert van na het bestreden besluit waardoor de rechtbank deze gegevens niet in het oordeel kan betrekken. In beroep ligt de vraag voor of het bestreden besluit rechtmatig is en daarbij let de rechtbank op de situatie zoals die was ten tijde van het bestreden besluit. Als de bij de vaststelling van de betalingscapaciteit gehanteerde bedragen wijzigen, kan eiseres een nieuw verzoek om toekenning van een (persoonlijke) betalingsregeling indienen verweerder.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de betalingsregeling ongewijzigd in stand blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Artikel 26. Terugvordering is verschuldigd door belanghebbende
1. Indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.
(…).
Artikel 28. Betalingstermijn bij terugvordering
1. De belanghebbende heeft de verplichting om het bedrag van een terugvordering alsmede de op de voet van artikel 27 verschuldigde rente binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking tot terugvordering te betalen aan de Dienst Toeslagen.(…).
Artikel 31.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling.
Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Artikel 7. Uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen 1. De Dienst Toeslagen stelt de belanghebbende in de gelegenheid een terugvordering te betalen in maandelijkse termijnen van € 20 mits hij voldoet aan door de Dienst Toeslagen nader te stellen voorwaarden.(…)3. Een betaling van de terugvordering of bestuurlijke boete in maandelijkse termijnen eindigt uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de terugvordering of bestuurlijke boete geldende betalingstermijn 24 maanden zijn verstreken. Indien de omvang van de terugvordering of bestuurlijke boete betaling in 24 maandelijkse termijnen van € 20 niet toelaat, kan de Dienst Toeslagen in afwijking van het eerste en tweede lid, een betaling in maandelijkse termijnen van meer dan € 20 verlangen.4. Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende die aangeeft niet in staat te zijn een of meer terugvorderingen of bestuurlijke boetes overeenkomstig de voorgaande leden te betalen kan de Dienst Toeslagen, in afwijking in zoverre van de voorgaande leden, een betaling in termijnen toestaan gebaseerd op de betalingscapaciteit. De berekening van de betalingscapaciteit vindt plaats op de voet van artikel 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, met dien verstande dat de Dienst Toeslagen het netto-besteedbare inkomen van de belanghebbende vermeerdert met het netto-besteedbare inkomen van de persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek als partner in de zin van artikel 3 van de wet kan worden beschouwd.5. Een betalingsregeling als bedoeld in het vierde lid wordt niet toegestaan indien de belanghebbende of de in dat lid bedoelde partner over voldoende vermogen in de zin van artikel 12 van de Uitvoeringregeling Invorderingswet 1990 beschikken voor de voldoening van de terugvorderingen en de bestuurlijke boetes waarop het verzoek, bedoeld in het vierde lid, betrekking heeft, met dien verstande dat bevoorrechte schulden op het vermogen in mindering worden gebracht.(…)
Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990
Artikel 11, aanhef en onder b, sub 2 Kwijtschelding wordt verleend voor het openstaande bedrag van de belastingaanslag dat resteert nadat ten minste 80 percent van de betalingscapaciteit is aangewend; een en ander onverminderd het bepaalde in artikel 8 en artikel 18.
Artikel 13 1. Onder betalingscapaciteit, bedoeld in artikel 11, wordt verstaan het positieve verschil in de periode van 12 maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend van het gemiddeld per maand te verwachten netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige in die periode en de gemiddeld per maand te verwachten kosten van bestaan in die periode.2. Het netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto-besteedbare inkomen in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend van zijn echtgenoot, bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet.
Artikel 15 1. Als uitgaven als bedoeld in artikel 14, eerste lid, worden in aanmerking genomen:
(…)
Artikel 16 1. De kosten van bestaan, bedoeld in artikel 13, eerste lid, bedragen voor een belastingschuldige die wordt aangemerkt als:a. een echtgenoot als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet: 90 percent van de bijstandsnorm, bedoeld in artikel 21, onderdeel b, van die wet;(…)
Leidraad Invordering 2008
Artikel 25.5.6. Betalingscapaciteit en betalingsregeling particulieren Naast het aanwezige vermogen speelt bij de beoordeling van de financiële omstandigheden de zogenoemde betalingscapaciteit van de verzoeker een belangrijke rol, zowel ten tijde van het indienen van het verzoek als gedurende de looptijd van de betalingsregeling. De betalingscapaciteit van de belastingschuldige die door de ontvanger wordt berekend, bepaalt in belangrijke mate het bedrag dat de belastingschuldige (periodiek) op de achterstallige schuld moet aflossen. De betalingscapaciteit geeft ook aan in hoeverre een betalingsregeling zinvol is. (…) De betalingscapaciteit bestaat uit het netto besteedbaar inkomen na aftrek van het normbedrag voor levensonderhoud. Voor de betalingsregeling eist de ontvanger 80% van de betalingscapaciteit. (..)
Artikel 2.5.7 Berekening betalingscapaciteit – bijzondere uitgaven De ontvanger kan – afhankelijk van de concrete situatie van de belastingschuldige en zijn gezin – bepaalde aanvaardbare uitgaven op de berekende betalingscapaciteit in mindering brengen. Het moet dan gaan om uitgaven die samenhangen met de maatschappelijke positie van de belastingschuldige, en die naar het oordeel van de ontvanger niet in redelijkheid kunnen worden betaald uit het normbedrag voor levensonderhoud en de zogenoemde uitvoeringstolerantie van 20%.
Artikel 25.5.8 Berekening betalingscapaciteit – aflossingsverplichtingen aan derden In het algemeen blijven bij de berekening van de betalingscapaciteit de aflossingsverplichtingen aan derden buiten beschouwing als de schuld aan de Belastingdienst een hogere preferentie heeft. De ontvanger kan een uitzondering maken voor aflossingen op schulden waarvan het niet-betalen tot ongewenste effecten kan leiden.
Artikel 79.7. Standaardbetalingsregeling toeslagschuld Uitgangspunt is dat de belanghebbende die te veel ontvangen toeslag moet terugbetalen in de gelegenheid wordt gesteld om het bedrag van de toeslagschuld te voldoen met een standaardbetalingsregeling. De standaardregeling wordt zonder nader onderzoek in te stellen door Dienst Toeslagen aangeboden en gaat uit van een af te lossen bedrag van € 20 per maand voor iedere terugvordering afzonderlijk. De periode waarover de regeling zich uitstrekt is maximaal 24 maanden te rekenen vanaf één maand na de dagtekening van de terugvorderingsbeschikking. De eerste termijn moet zijn voldaan op de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking. Als het teruggevorderde bedrag meer bedraagt dan € 480 wordt het maandelijks af te lossen bedrag zodanig verhoogd dat aflossing binnen 24 maanden mogelijk is. De belanghebbende lost de toeslagschuld af door maandelijks het termijnbedrag over te maken naar de rekening van de Dienst Toeslagen. De situatie kan zich voordoen dat de belanghebbende tijdens de looptijd van een standaardregeling te maken krijgt met een nieuwe terugvordering voor dezelfde toeslag. In dat geval vindt een herziening van het bedrag van de standaardregeling plaats. Het bedrag van de nieuwe terugvordering wordt opgeteld bij het nog resterende bedrag van de terugvordering waarvoor de standaardregeling loopt. Voor het totaalbedrag geldt dan weer de aflossingssystematiek van ten minste € 20 per maand gedurende maximaal 24 maanden.
Artikel 79.8 Betalingsregeling toeslagschuld op basis van betalingscapaciteit Dienst Toeslagen kan een andere betalingsregeling toestaan dan de standaardregeling. Dit kan alleen als de belanghebbende schriftelijk kenbaar maakt dat hij niet in staat is de toeslagenschuld te voldoen onder de condities die gelden voor de standaardregeling. De belanghebbende moet dan op het daartoe bestemde formulier de benodigde informatie verstrekken aan Dienst Toeslagen zodat beoordeeld kan worden of er sprake is van onvoldoende betalingscapaciteit om een maandelijkse aflossing overeenkomstig de standaardregeling te voldoen. (…) Als uit de verstrekte gegevens blijkt dat de betalingscapaciteit voldoende is om de toeslagenschuld af te lossen volgens de standaardregeling, zal Dienst Toeslagen het verzoek om een andere betalingsregeling afwijzen. (…)