RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
vonnis van 17 december 2025
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum ] 1992 te [geboorteplaats] , wonende [adres] , hierna te noemen: verzoeker.
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummer: C/18/25/1003 R
in de zaak van:
PROCESGANG
Verzoeker heeft op 9 september 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 8 december 2025. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met mevrouw [budgetbeheerder] (hierna te noemen: de budgetbeheerder) en mevrouw [schuldhulpverlener van gemeente] (hierna te noemen: de schuldhulpverlener).
RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. In verband hiermee wordt het volgende overwogen.
Verzoeker heeft een schuldenlast van € 87.829,05, waaronder schulden bij de Belastingdienst van € 50.120,00. De schulden hebben betrekking op inkomensheffing, omzetbelasting, kinderopvangtoeslag, zorgverzekeringswet en motorrijtuigenbelasting. Een deel van de belastingschulden valt binnen de driejaarstermijn. Deze schulden vloeien deels voort uit de onderneming van verzoeker, die in januari 2025 is gestaakt. Verder is uit het verzoekschrift gebleken dat sprake is van verslavings- en psychische problematiek. Verzoeker heeft in het verleden intensief hulp gehad voor zijn verslaving. In 2024 heeft verzoeker door het overlijden van een vriend een terugval gehad. Verzoeker heeft hiervoor weer hulp ingeschakeld. Voor de psychische problematiek is verzoeker inmiddels door de huisarts doorverwezen naar PsyQ. Verzoeker is thans in afwachting van een oproep voor een intakegesprek aldaar. Tot slot heeft verzoeker bij het verzoekschrift zijn bankafschriften van de afgelopen drie maanden verstrekt, waarop een aantal forse contante stortingen staan.
Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij fulltime in loondienst werkzaam is en daarmee goed verdient. Zijn verslavingsproblematiek is inmiddels al lang niet meer aan de orde. Voor zijn psychische problematiek heeft verzoeker hulpverlening ingeschakeld. De psychische problemen staan volgens verzoeker niet aan zijn fulltime dienstverband in de weg. Over de contante opnames op de bankafschriften heeft verzoeker desgevraagd verklaard dat hij uit nood een keer zwart heeft bijgebeund. Naar eigen zeggen doet hij dat nu niet meer.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker ten aanzien van de schulden bij de Belastingdienst niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt. Ook past het zwart bijverdienen niet bij het doel en de strekking van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker het ondernemerschap inmiddels achter zich heeft gelaten en dat hij nu fulltime in loondienst werkzaam is. Hij verdient goed en kan en wil veel afdragen ten behoeve van zijn schuldeisers De rechtbank ziet ook dat verzoeker stappen in de goede richting heeft gemaakt door het op meerdere vlakken inschakelen van hulp voor zijn problematiek. Naar het oordeel van de rechtbank kan op deze vlakken dan ook worden gesproken van “een keer ten goede”. Daarentegen constateert de rechtbank ook dat verzoeker in de maanden voor het toelatingsverzoek zwart heeft bijgebeund. Verzoeker heeft hierover verklaard dat dit een noodsprong is geweest en dat hij dit niet weer zal doen. Hoewel deze omstandigheid op zichzelf staand reden is om het verzoek tot toelating tot de Wsnp af te wijzen, vindt de rechtbank – indachtig de stappen die verzoeker reeds heeft gemaakt en de openheid van zaken die verzoeker hierover op de zitting heeft gegeven – de sanctie om het verzoek hierop af te wijzen in dit geval te zwaar. De rechtbank zal het verzoek tot toelating tot de Wsnp daarom toewijzen. Wel acht de rechtbank het passend om het verzoek om de eerdere ingangsdatum om deze reden af te wijzen.
BESLISSING
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum ] 1992 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
voorheen handelend onder de naam [bedrijf] ,
KvK-nummer [nummer] ,
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;
benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Groenewegen,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brievenen telegrammen.