RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
vonnis van 17 december 2025
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummer: C/18/25/1002 R
in de zaak van:
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen: verzoeker.
PROCESGANG
Verzoeker heeft op 27 augustus 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 8 december 2025. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met mevrouw [schuldhulpverlener] van de Gemeentelijke Kredietbank (hierna te noemen: de schuldhulpverlener) en [beschermingsbewindvoerder van beschermingsbewindvoerdersbedrijf] (hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder).
RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. In verband hiermee wordt het volgende overwogen.
Verzoeker heeft een schuldenlast van € 87.647,71. Onder deze schuldenlast bevinden zich schulden bij de Belastingdienst van € 42.334,00. Daarnaast heeft verzoeker diverse WAHV-boetes op verschillende kentekens bij het CJIB openstaan, die in de periode 2020 tot en met 2024 zijn ontstaan. Verzoeker staat sinds 21 november 2022 onder beschermingsbewind. Verder is er tijdens het minnelijk traject een nieuwe schuld van ongeveer € 5.500,00 bij Stichting Actium naar voren gekomen, waardoor het minnelijk traject niet van de grond is gekomen. Verzoeker heeft over deze schuld nader toegelicht dat deze schuld is ontstaan in 2023 toen hij een ander bankstel in zijn woning wilde plaatsen. Hierbij is de deur van zijn woonwagen beschadigd. In eerste instantie heeft de woningstichting een houten plaat in de deur geplaatst. Na twee jaar is er uiteindelijk een nieuwe deur geplaatst, waardoor verzoeker in 2025 de factuur daarvoor heeft ontvangen.
Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat de boetes vroeger zijn ontstaan toen hij geen inkomen had. Verzoeker heeft nooit hulp gehad, maar heeft desgevraagd verklaard dat hij nu hulp accepteert. Naar eigen zeggen is verzoeker in staat om de regels die gelden in het traject na te komen.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker ten aanzien van de schulden die bij de Belastingdienst en het CJIB zijn ontstaan niet als te goeder trouw kunnen worden aangemerkt.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
De rechtbank stelt ook vast dat een groot deel van deze schulden ouder is dan drie jaar en dat verzoeker sinds 21 november 2022 onder beschermingsbewind staat. Verzoeker heeft daarbij op de zitting verklaard dat hij nu – in tegenstelling tot vroeger – hulp accepteert. Hoewel de rechtbank wel haar twijfels heeft of verzoeker structureel in staat zal zijn om de verplichtingen die in het traject gelden na te komen, zal zij verzoeker gelet op het vorenstaande, en de getoonde wil tot verandering, het voordeel van de twijfel geven.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen, omdat er onvoldoende stukken zijn ingediend om te kunnen beoordelen of aan de vereisten is voldaan. Zo heeft verzoeker niet gespaard en heeft hij ook niet gesolliciteerd tijdens het minnelijk traject.
BESLISSING
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ;
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;
benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brievenen telegrammen.