RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 11664722 CV EXPL 25-2309
Verstekvonnis van 17 juni 2025
in de zaak van
Monuta Uitvaartverzorging N.V.,
te Apeldoorn,
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
kenmerk gemachtigde: [nummer] ,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet in het geding verschenen.
1. De procedure
De eisende partij heeft bij dagvaarding, op de daarin geformuleerde gronden, gevorderd dat de gedaagde partij veroordeeld wordt om aan de eisende partij te betalen
€ 1.416,91, vermeerderd met rente en kosten.
Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
2. De beoordeling
De overeenkomst is gesloten met een consument. De kantonrechter moet daarom ambtshalve onderzoeken of de eisende partij haar informatieplichten heeft nageleefd. Ook moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna; de richtlijn).
Gelet op de gestelde wijzen van totstandkoming van de overeenkomst (bij de gedaagde partij thuis), is sprake van een overeenkomst buiten de verkoopruimte. In dat geval moet gemotiveerd worden gesteld dat is voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230 m lid 1 en 6:230t van het Burgerlijk Wetboek (BW).
De eisende partij heeft hierover voldoende gesteld en onderbouwd. De kantonrechter stelt vast dat de gedaagde partij niet is geïnformeerd over het ontbindingsrecht. De eisende partij verwijst in dat kader naar de Wet op de lijkbezorging, waaruit volgt dat een uitvaart uiterlijk op de zesde werkdag na het overlijden moet plaatsvinden. Hieruit leidt de kantonrechter af dat de eisende partij vindt dat het ontbindingsrecht voor haar niet geldt.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is een gemengde overeenkomst, gesloten buiten de verkoopruimte. In beginsel geldt dan een ontbindingsrecht, waarover de gedaagde partij moet worden geïnformeerd (artikel 6:230o jo. 6:230m lid 1 onder h BW). Op grond van artikel 6:230g lid 2 BW moet bij gemengde overeenkomsten worden uitgegaan van de bepalingen die van toepassing zijn op consumentenkoop. In artikel 6:230p onder f BW staan de uitzonderingen op het ontbindingsrecht betreffende consumentenkoop.
In de Richtlijn Consumentenrechten (2011/83 EU), die is geïmplementeerd in het Burgerlijk Wetboek in Afdeling 2b, Titel 5 van Boek 6, is in de overwegingen over het doel
van die richtlijn te lezen dat bepaalde uitzonderingen op het ontbindingsrecht mogelijk moeten zijn (zie overwegingen 49 en 50). Het is mogelijk dat een ontbindingsrecht, gezien de aard van de betrokken goederen of diensten, niet op zijn plaats is. Gerefereerd wordt daarbij aan volgens specificaties van de consument vervaardigde goederen, goederen die duidelijk voor een specifieke persoon bestemd zijn en gereserveerde capaciteit, waarvoor de handelaar bij de uitoefening van het ontbindingsrecht geen bestemming meer kan vinden. Uit de overwegingen volgt ook dat de handelaar, als een ontbindingsrecht wordt ingeroepen, moet kunnen rekenen op een passende, evenredige betaling voor de dienst die hij heeft verricht. Tot slot moet rekening worden gehouden met een overeengekomen essentiële leveringstermijn en de aard van bepaalde goederen, zoals goederen die speciaal voor de consument zijn gefabriceerd of aangeschaft en de handelaar niet zonder aanzienlijk verlies kan hergebruiken.
Gelet op de hiervoor aangehaalde overwegingen, het doel en de achtergrond van het ontbindingsrecht en de beschreven uitzonderingssituaties, behoren overeenkomsten als de onderhavige te zijn uitgezonderd van het ontbindingsrecht. Dat volgt uit de aard van de overeenkomst, de aard van de geleverde diensten en goederen en de wettelijke termijn waarbinnen een overledene moet zijn gecremeerd of begraven. Uitvaarten worden volledig ingericht naar de specifieke wensen van een overledene of nabestaande(n). De overeenkomst moet bovendien volledig zijn uitgevoerd binnen zes werkdagen na een overlijden, zodat een ontbindingstermijn van veertien dagen alleen al daarom niet in de rede ligt. Ondanks dat een uitzondering voor de specifieke dienstverlening van de eisende partij niet expliciet in de wet is opgenomen, past het in het licht van het voorgaande bij de uitzondering als bedoeld in artikel 6:230p onder f, sub 1˚ BW: “De consument heeft geen recht van ontbinding bij een consumentenkoop betreffende de levering van volgens specificaties van de consument vervaardigde zaken, die niet pregefabriceerd zijn en die worden vervaardigd op basis van een individuele keuze of beslissing van de consument, of die duidelijk voor een specifieke persoon bestemd zijn”.
Nu geoordeeld wordt dat voor de dienstverlening van de eisende partij geen ontbindingsrecht geldt, leidt dat tot de conclusie dat de eisende partij aan haar essentiële informatieplicht heeft voldaan. Voor een sanctie bestaat dan ook geen aanleiding.
De kantonrechter heeft het prijsbeding ambtshalve getoetst op transparantie.
Het prijsbeding is transparant en hoeft daarom niet op oneerlijkheid te worden getoetst.
Het voorgaande leidt tot toewijzing van de gevorderde hoofdsom.
De eisende partij maakt ook aanspraak op rente en incassokosten. De kantonrechter heeft de bedingen in de algemene voorwaarden die voor beoordeling van belang (kunnen) zijn ambtshalve op oneerlijkheid getoetst, meer in het bijzonder artikel 9. Ondanks dat meer rente is bedongen dan de wettelijke rente, blijft het overeengekomen maximale rentepercentage onder het destijds geldende wettelijke handelsrentepercentage. Voordat incassokosten verschuldigd raken dienen de wettelijke verplichtingen te worden nageleefd. De bedingen zijn daarom niet oneerlijk, zodat de eisende partij aanspraak kan maken op de wettelijke regeling.
De vordering komt de kantonrechter verder niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, met inachtneming van het volgende.
De gevorderde reeds verschenen rente van € 60,81 is niet toewijsbaar. De eisende partij heeft namelijk niet gesteld met ingang van welke exacte datum de gedaagde partij met betaling van de aan de hoofdsom onderliggende bedragen in verzuim is en de datum kan ook niet eenvoudig uit de dagvaarding worden herleid. Daarom zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding. Door de daad van dagvaarding is in elk geval verzuim ingetreden.
De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar vanaf de dag der dagvaarding, nu niet is gesteld of gebleken dat of wanneer de buitengerechtelijke kosten door de eisende partij zijn voldaan.
De gedaagde partij zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen € 1.356,10, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.147,77 vanaf 7 april 2025 tot de dag van betaling;
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten (inclusief nakosten), tot op heden aan de zijde van de eisende partij vastgesteld op: dagvaarding € 146,14, griffierecht
€ 340,00, salaris gemachtigde € 204,00 en nakosten € 102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis - tot zover - uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af - voor zover nodig - het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2025.
typ: 717
coll: