RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Assen
Bestuursrecht
CJIB-nummer: 267132668
zaaknummer: 11538116 VM VERZ 25-1
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 27 oktober 2025
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats] ,
tegen
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris).
Inleiding
1. Door betrokkene is op 11 februari 2025 een verzetschrift ingediend naar aanleiding van een brief van de deurwaarder van 30 januari 2025, waarin betrokkene in de gelegenheid is gesteld de betalingsachterstand voor 4 februari 2025 te voldoen, voordat het dwangbevel zou worden betekend.
Bij brief van 23 juli 2025 heeft het Hoofd Dienstverlening (namens de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), die op zijn beurt gemandateerd is om de staatssecretaris te vertegenwoordigen) schriftelijk commentaar gegeven op het ingestelde verzet. Van dat schriftelijk commentaar is op 26 augustus 2025 een kopie aan betrokkene toegezonden.
De behandeling van het verzetschrift heeft plaatsgevonden op de openbare zitting van 27 oktober 2025. Daarbij was namens het CJIB aanwezig [gemachtigde] .
Na sluiting van het onderzoek op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
2. De kantonrechter oordeelt dat het verzet niet-ontvankelijk is. Hij zal hierna uitleggen waarom.
Standpunten
3. Betrokkene betwist de ontvangst van de inleidende beschikking en de daaropvolgende correspondentie. Zij is voor het eerst bekend geworden met de boete via het deurwaarderskantoor Syncasso.
4. Het CJIB stelt zich primair op het standpunt dat het verzet van betrokkene niet-ontvankelijk is, nu een afschrift van het betekeningsexploot niet bij het verzetschrift is gevoegd. Indien de kantonrechter van oordeel mocht zijn dat betrokkene in haar verzet ontvankelijk is, stelt het CJIB zich subsidiair op het standpunt dat de inleidende beschikking, gevolgd door twee aanmaningen en een herinneringsbrief, allemaal naar het BRP-adres van betrokkene zijn gestuurd en dat het kan worden uitgesloten dat in ieder geval drie, achtereenvolgens aan betrokkene gezonden poststukken, voorzien van de juiste adressering en afkomstig van dezelfde instantie, niet zouden zijn ontvangen door de betrokkene. Volgens het CJIB heeft betrokkene de ontvangst enkel ontkend.
Overwegingen
5. Ingevolge artikel 26, derde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) wordt verzet gedaan bij een met redenen omkleed verzetschrift. Het verzetschrift dient te worden ingediend binnen twee weken na betekening van het dwangbevel, ingediend bij het kantongerecht binnen het rechtsgebied waar het adres is van degene aan wie de administratieve boete is opgelegd. Bij het verzetschrift dient het dwangbevel en het afschrift van het exploot van betekening van het dwangbevel te worden overgelegd door de betrokkene. Artikel 26, vijfde lid, van de Wahv schrijft voor dat, indien deze stukken niet zijn overgelegd, de griffier de indiener van het verzetschrift meedeelt dat deze stukken binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling ter griffie dienen te zijn overgelegd. Indien dit laatste niet binnen deze termijn is geschied, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
6. De kantonrechter constateert dat door betrokkene geen betekeningsexploot is overgelegd. De griffie van deze rechtbank heeft betrokkene daarom per brief van 12 februari 2025 verzocht om binnen twee weken na 12 februari 2025 het betekeningsexploot van de deurwaarder toe te zenden, nu het verzetschrift door het ontbreken hiervan niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Op 17 februari 2025 heeft betrokkene de griffie van deze rechtbank via de mail laten weten dat zij dit stuk niet in haar bezet heeft.
7. Uit navraag bij het CJIB is gebleken dat het dwangbevel tot op heden niet is betekend aan de betrokkene. Dit verklaart waarom door betrokkene geen betekeningsexploot is overgelegd. De kantonrechter overweegt dat het verzetschrift van betrokkene tegen de brief van de deurwaarder van 30 januari 2025 prematuur is. Verzet kan namelijk alleen ingesteld worden tegen een op de juiste wijze betekend dwangbevel. Betrokkene kan met deze procedure niet bereiken wat zij wilde bereiken. Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie
De kantonrechter verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Waarvan proces-verbaal,
R. de Hoop, griffier, mr. F. Sijens, kantonrechter,
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te Leeuwarden. Het hoger beroep kan worden ingesteld door binnen 2 weken na de hierboven vermelde verzenddatum een gemotiveerd (hoger) beroepschrift in te dienen bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, Locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.