ECLI:NL:RBNNE:2025:5788

ECLI:NL:RBNNE:2025:5788

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 27-10-2025
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer 11746502 VM VERZ 25-3
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure Mondelinge uitspraak
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Wahv. Verzet. Betwisting verweten gedraging en ontvangst kennisgeving. Betrokkene heeft niet op een geloofwaardige manier de ontvangst betwist, waardoor de staatssecretaris niet aannemelijk hoeft te maken dat betrokkene de beschikking heeft ontvangen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

CJIB-nummer: 269490175

zaaknummer: 11746502 VM VERZ 25-3

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 27 oktober 2025

in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

gemachtigde: [gemachtigde namens betrokkene] ,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris).

Inleiding

1. Bij exploot van 11 juni 2025 is aan betrokkene het op 5 mei 2025 door de staatssecretaris uitgevaardigde dwangbevel als in artikel 26 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) betekend.

Met een op 11 juni 2025 bij de griffie ingediend verzetschrift heeft betrokkene verzet aangetekend tegen de tenuitvoerlegging van dit dwangbevel.

Bij brief van 28 juli 2025 heeft het Hoofd Dienstverlening (namens de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), die op zijn beurt gemandateerd is om de staatssecretaris te vertegenwoordigen) schriftelijk commentaar gegeven op het ingestelde verzet. Van dat schriftelijk commentaar is op 26 augustus 2025 een kopie aan betrokkene toegezonden.

De behandeling van het verzetschrift heeft plaatsgevonden op de openbare zitting van 27 oktober 2025 Daarbij was namens het CJIB aanwezig [gemachtigde namens CJIB] .

Na sluiting van het onderzoek op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

2. De kantonrechter oordeelt dat het verzet ongegrond is. Hij zal hierna uitleggen waarom.

Standpunten

3. Betrokkene betwist de ontvangst van de inleidende beschikking en daaropvolgende correspondentie. Hij is voor het eerst bekend geworden met de boete via het gerechtsdeurwaarderskantoor GNN. Dit acht betrokkene onzorgvuldig en in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur. Daarnaast voert betrokkene aan dat hij het niet eens is met de opgelegde boete, omdat het betrokkene voertuig was verkocht ten tijde van de overtreding.

4. Het CJIB stelt zich op het standpunt dat betrokkene een feitelijk verweer voert, terwijl artikel 26 lid 3 van de Wahv bepaalt dat het verzet niet gericht zal kunnen zijn tegen de beslissing waarbij de administratieve boete werd opgelegd.. Daarnaast stelt het CJIB zich op het standpunt dat dat de inleidende beschikking, gevolgd door twee aanmaningen en een herinneringsbrief, allemaal naar het BRP-adres van betrokkene zijn gestuurd en dat het kan worden uitgesloten dat in ieder geval vier, achtereenvolgend aan betrokkene gezonden, poststukken voorzien van de juiste adressering en afkomstig van dezelfde instantie, niet zouden zijn ontvangen door de betrokken. Volgens het CJIB heeft betrokkene de ontvangst enkel ontkend.

Overwegingen

5. Ten aanzien van het inhoudelijke verweer van betrokkene over de verweten gedraging, overweegt de kantonrechter dat de wetgever in de Wahv heeft vastgelegd dat een verzet als onderhavige niet gericht kan zijn tegen de beslissing van de officier van justitie waarbij een administratieve boete is opgelegd. Het verzet kan alleen gericht zijn tegen het dwangbevel. Doordat betrokkene alle beroepsmogelijkheden heeft doorlopen en de beschikking hiermee onherroepelijk is geworden, treft het inhoudelijke verweer van betrokkene in deze procedure geen doel.

Wat betreft het verweer van betrokkene dat hij geen voorafgaande kennisgeving heeft ontvangen, overweegt de kantonrechter als volgt. Een dwangbevel als in artikel 26 van de Wahv kan pas worden uitgevaardigd nadat de boete onherroepelijk is geworden. Dit is pas het geval wanneer blijkt dat betrokkene de inleidende beschikking heeft ontvangen of wanneer hij de beschikking niet heeft ontvangen als gevolg van een hem toe te rekenen omstandigheid.

Het is in beginsel aan de staatssecretaris om aannemelijk te maken dat sprake is van een van de onder 5 genoemde situaties. Zoals het hof heeft overwogen, mag echter wel van betrokkene worden verwacht dat hij meer aanvoert dan een enkele ontkenning van de ontvangst van de beschikking.

Het is vaste rechtspraak dat het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat een beschikking is verstuurd. Als dat aannemelijk is gemaakt, moet de betrokkene op een niet-ongeloofwaardige manier betwisten dat de beschikking is ontvangen. Pas dan is het aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat de beschikking is ontvangen.

Zoals het CJIB terecht aanvoert, heeft het hof overwogen dat de verzendwijze door het CJIB nagenoeg foutloos is. De kantonrechter neemt daarom aan dat de inleidende beschikking en de overige correspondentie daadwerkelijk zijn verzonden door het CJIB. Daarmee is de beroepstermijn gaan lopen op het moment van toezending van de beschikking.

Betrokkene ontkent dat hij de boete en aanmaningen heeft ontvangen. Deze stelling is echter niet onderbouwd. Daarmee heeft hij niet op een geloofwaardige manier de ontvangst betwist, waardoor de staatssecretaris niet aannemelijk hoeft te maken dat betrokkene de beschikking heeft ontvangen. Het CJIB heeft de brieven naar het BRP-adres van betrokkene verstuurd en deze zijn niet onbestelbaar retour gekomen. De kantonrechter stelt daarom vast dat de sanctie onherroepelijk is geworden.

Daarmee is het dwangbevel rechtsgeldig uitgevaardigd. Dit betekent dat de kantonrechter het verzet ongegrond zal verklaren.

Conclusie

De kantonrechter verklaart het verzet ongegrond.

Waarvan proces-verbaal,

R. de Hoop, griffier, mr. F. Sijens, kantonrechter,

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te Leeuwarden. Het hoger beroep kan worden ingesteld door binnen 2 weken na de hierboven vermelde verzenddatum een gemotiveerd (hoger) beroepschrift in te dienen bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, Locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.

De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?