RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Assen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 268293388
zaaknummer: 11735801 BU VERZ 25-1170
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 2 december 2025
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats] .
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder een puntstuk gebruiken’, verricht op 15 augustus 2024, om 07:37 uur, aan de Ryksweg (A28) te Hoogeveen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 309,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 2 december 2025 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig betrokkene en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. R.A. van der Velde.
Na afloop van het onderzoek op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is en zal het verzoek om proceskosten afwijzen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Betrokkene heeft aangevoerd dat hij in administratief beroep expliciet heeft aangegeven de overtreding niet te hebben begaan en dat hier camerabeelden van zijn, welke betrokkene via een usb-stick heeft overgelegd. Hieruit blijkt volgens betrokkene dat hij niet over het puntstuk dan wel verdrijvingsvlak is gereden. Op de zitting heeft betrokkene aangevoerd dat er vele discrepanties zitten in de verklaring van de verbalisant en de camerabeelden van zijn voertuig. Daarnaast heeft betrokkene aangevoerd dat de officier van justitie na het administratief beroep de boete eenzijdig heeft aangepast, zonder hem recht op bezwaar te verschaffen of hem te horen. Tot slot heeft betrokkene aangevoerd dat de verhogingen door het CJIB bij het niet betalen van de boete exorbitant hoog zijn en dat hij bezwaar maakt tegen de opgelegde administratiekosten.
4. Door de vertegenwoordigster is aangevoerd het standpunt van de officier van justitie te willen handhaven en heeft de kantonrechter verzocht het beroep ongegrond te verklaren.
Overwegingen
Wijziging van de inleidende beschikking
5. De kantonrechter constateert dat de officier van justitie, naar aanleiding van het verweer van betrokkene en het aanvullend proces-verbaal van 27 november 2024, op 12 december 2024 de inleidende beschikking heeft aangepast door de feitcode te wijzigen naar R618A: “als bestuurder een puntstuk gebruiken”. Ten aanzien van het wijzigen van de inleidende beschikking door de officier van justitie, overweegt de kantonrechter dat betrokkene hierdoor niet in zijn verdedigingsbelangen is geschaad, nu het boetebedrag na de wijziging hetzelfde is gebleven en het niet om twee compleet verschillende gedragingen gaat. Wat betreft het verweer van betrokkene dat de officier van justitie de inleidende beschikking eenzijdig heeft gewijzigd zonder hem te horen, overweegt de kantonrechter dat het de officier van justitie niet verboden is om de beschikkingsgegevens aan te passen, zonder betrokkene in de gelegenheid te stellen hierover een zienswijze te geven. Daarnaast blijkt uit het administratief beroepschrift en de aanvulling van 24 oktober 2024 niet dat betrokkene expliciet heeft verzocht om te worden gehoord. In Wahv-zaken wordt de betrokkene alleen op verzoek gehoord. Sinds 29 december 2022 staat op de inleidende beschikking hoe het recht om te worden gehoord kan worden geactiveerd. Daarom is de hoorplicht in dit geval niet geschonden.
Kan de verweten gedraging worden vastgesteld?
6. In Wahv zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
Uit de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht blijkt dat deze zag dat het voertuig van betrokkene bij het uitvoegen van de A28 afslag Hoogeveen in plaats van achter een vrachtwagen in te voegen om uit te voegen naar de afslag A28 richting Assen, betrokkene het verdrijvingsvlak gebruikte om voor de vrachtwagen uit te voegen. De verbalisant verklaart dat hij zag dat de vrachtwagen moest remmen doordat de cabine naar voren ging. Tevens maakte de chauffeur met lichtsignalen duidelijk dat hij geschrokken was van de uitvoegactie van betrokkene. De verbalisant verklaart dat hij bij de staandehouding uitvoegde naar afslag Hoogeveen en dat de chauffeur van de vrachtwagen hem middels zijn duim duidelijk maakte dat hij blij was dat betrokkene werd staande gehouden. Betrokkene is staande gehouden en heeft de volgende verklaring afgelegd: “niet zinvol”.
Naast de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht, bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van 27 november 2024. Hierin verklaart de verbalisant op ambtsbelofte dat hij het gedrag van betrokkene als bestuurder wil typeren als gevaarlijk rijgedrag, met name de combinatie van de snelheid van het voertuig, welke niet middels en meting is vastgesteld, maar als gevolg van de uitvoegmanoeuvre waarbij het voertuig vlak voor een vrachtwagen rijstrook 2 verliet en voor deze vrachtwagen uitvoegde. De verbalisant verklaart dat de vrachtwagen hard moest remmen met zijn verlichting aan de voorzijde knipperde om duidelijk te maken dat betrokkene voor een gevaarlijke situatie zorgde door zin gedrag. De verbalisant verklaart dat hij zelf ten tijde van het voorval voor de vrachtwagen reed. De verbalisant verklaart dat ten tijde van deze uitvoeg manoeuvre, betrokkene over het puntstuk is gereden.
In hetgeen door betrokkene is aangevoerd, ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding te twijfelen aan de op ambtsbelofte afgelegde verklaring van de verbalisant. Ten aanzien van de door betrokkene overgelegde camerabeelden van zijn dashcam op pleegdatum met behorend tijdstip op pleeglocatie, overweegt de kantonrechter dat op het camerabeeld [mp4 bestand] is te zien dat betrokkene de vrachtwagen te laat inhaalt en hierdoor over de witte dubbele strepen van de punt van het puntstuk rijdt. Uit het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 4 oktober 2021 blijkt dat onder een puntstuk niet alleen het witte vlak moet worden verstaan, maar ook de witte strepen die daaraan voorafgaan. Het verweer van betrokkene dat het beeld dat gegeven wordt vóór de neus van de auto is, waardoor in de beelden niet kan worden gezien dat hij de witte belijning raakt, volgt de kantonrechter niet. De kantonrechter ziet in de overgelegde beelden een bevestiging van de waarneming van de verbalisant. Alles overwegende kan de gedraging op basis van de beschikbare gegevens worden vastgesteld. De kantonrechter acht de boete terecht opgelegd.
Verhogingen door het CJIB en de administratiekosten
7. Ten aanzien van het verweer van betrokkene dat de verhogingen door het CJIB exorbitant hoog zijn, overweegt de kantonrechter dat dit verweer buiten de omvang van het geding valt nu betrokkene geen verhoging heeft gekregen. Daarnaast heeft de vertegenwoordigster terecht op de zitting aangegeven dat het CJIB buiten deze procedure valt en dat er geen rechtsmiddel openstaat tegen verhogingen van een boete. Wat betreft het bezwaar van betrokkene tegen de administratiekosten, wijst de kantonrechter op de uitspraak van het hof Arnhem- Leeuwarden van 15 juni 2012 waarin is geoordeeld dat het in rekening brengen van administratiekosten niet in strijd is met de wet. Dit verweer treft dan ook geen doel.
Conclusie
De kantonrechter:
Waarvan proces-verbaal,
R. de Hoop, griffier mr. H.J. Bastin, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.