RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Assen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 265921901
zaaknummer: 11521881 BU VERZ 25-107
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 2 december 2025
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats] ,
gemachtigde: M.J.M. Bergers, Boete.nu.
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ’25 kilometer per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom’ verricht op 25 april 2024, om 12:16 uur, aan [adres] ter hoogte van huisnummer [huisnummer] te Assen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 334,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 2 december 2025 op de zitting behandeld. Daarbij waren gemachtigde en betrokkene niet aanwezig. Wel aanwezig was de vertegenwoordigster van de officier van justitie, mr. M. van der Spek.
Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden. Hij oordeelt dat het beroep inhoudelijk ongegrond is, maar dat de beslissing van de officier van justitie vernietigd dient te worden. Het verzoek om proceskosten wordt daarnaast afgewezen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Door gemachtigde is namens betrokkene aangevoerd dat op 20 juni 2024 administratief beroep is ingesteld en dat betrokkene op 11 juli 2024 al een beslissing kreeg, zonder daarbij een dossier te hebben ontvangen ex artikel 7:18 Awb terwijl daar wel expliciet om is verzocht in het administratief beroepschrift. Betrokkene had na de ontvangst van het dossier nog een nadere aanvulling willen geven maar hiertoe is geen gelegenheid geweest. Van meet af aan is in deze zaak aangegeven dat er van het horen wordt afgezien en dat betrokkene het dossier wilde ontvangen en een nadere termijn om de gronden aan te vullen. In de aanvullende gronden van 27 november 2025 verwijst gemachtigde ten aanzien van het verweer over de schending van de informatieplicht naar uitspraken van verschillende rechtbanken. Inhoudelijk heeft gemachtigde aangevoerd dat betrokkene geen bord heeft gezien waaruit blijkt dat de maximumsnelheid ter plaatse 50 kilometer per uur zou bedragen. Hij was in de veronderstelling dat hij hier 70 kilometer per uur mocht rijden.
4. De vertegenwoordigster van de Officier van Justitie stelt zich op het standpunt dat de informatieplicht is geschonden, waardoor de beslissing van de officier van justitie vernietigd dient te worden. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat het beroep inhoudelijk ongegrond is, nu de gedraging kan worden vastgesteld.
Overwegingen
Is er sprake van schending van de informatieplicht?
5. Uit het administratief beroepschrift van 20 juni 2024 blijkt dat gemachtigde namens betrokkene heeft verzocht om op grond van 7:18 Awb het volledige dossier toegestuurd te krijgen. Daarnaast is verzocht om een termijn om de gronden verder aan te vullen, na ontvangst van het dossier. In het administratief beroepschrift is aangegeven dat van een hoorzitting wordt afgezien. De kantonrechter constateert dat de CVOM vervolgens op 4 juli 2024 een beslissing heeft genomen op het administratief beroep, zonder het dossier toe te sturen en een termijn te bieden om nadere gronden aan te voeren. Door de vertegenwoordigster is op de zitting aangegeven dat de officier van justitie met deze gang van zaken de informatieplicht heeft geschonden. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie vernietigt.
Kan de verweten gedraging worden vastgesteld?
6. In Wahv zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
Uit de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht blijkt dat hij de werkelijke snelheid vaststelde met behoeve van een en voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel. De gemeten (afgelezen) snelheid betrof 78 kilometer per uur. De werkelijke (gecorrigeerde) snelheid betrof 75 kilometer per uur en de toegestane snelheid betrof 50 kilometer per uur. Hierdoor is er sprake van een overschrijding met 25 kilometer per uur. Het soort snelheidsmeetmiddel dat is gebruikt betreft de MultaRadar CT. Naast de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht bevat het dossier ene foto van de gedraging waarop het voertuig van betrokkene met kenteken [kenteken] zichtbaar is. De in de databalk opgenomen gegevens, zoals datum en tijdstip, komen overeen met hetgeen in de inleidende beschikking staat vermeld.
In hetgeen door gemachtigde namens betrokkene is aangevoerd, ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Het enkele verweer dat betrokkene geen bord heeft gezien waaruit zou blijken dat de maximumsnelheid ter plaatse 50 kilometer per uur was, is daartoe onvoldoende. Bij de bebouwde kom worden de grenzen daarvan door middel van meerdere verkeersborden aangegeven. Iedere voor motorvoertuigen openstaande toegangsweg waarlangs de bebouwde kom kan worden bereikt, moet van (respectievelijk) een bord H1 (bebouwde kom) zijn voorzien. Het kan daarbij gaan om een aanzienlijk aantal verkeersborden. Om te kunnen vaststellen dat de gedraging, waarvoor de vaststelling dat deze heeft plaats gehad in de bebouwde kom of in de desbetreffende zone van belang is, is verricht, is niet noodzakelijk dat de aanwezigheid van alle borden wordt vastgesteld. Voldoende is dat de toegangsweg waarlangs de bestuurder van het voertuig de zone is ingereden, van een deugdelijk bord is voorzien. Dit uitgangspunt brengt mee dat een betrokkene die stelt dat deugdelijke bebording ontbrak, moet aangeven welke route de bestuurder heeft afgelegd om zijn bestemming te bereiken. Nu er in het geheel geen rijroute van betrokkene is aangevoerd, is geen nader onderzoek naar de bebording noodzakelijk en kan er van worden aangegaan dat de bebording deugdelijk aanwezig was. Dat betrokkene de bebording niet heeft gezien is een omstandigheid die voor zijn eigen rekening en risico dient te komen. De kantonrechter is van oordeel dat de gedraging kan worden vastgesteld en dat de boete terecht aan betrokkene is opgelegd.
Bestaat er recht op een proceskostenvergoeding?
7. Ten aanzien van het verzoek van gemachtigde om een proceskostenvergoeding, overweegt de kantonrechter dat voor een vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte kosten enkel aanleiding is wanneer de betrokkene in het gelijk wordt gesteld. Dat is in de regel het geval als de inleidende beschikking, waarbij de boete is opgelegd, wordt vernietigd of als de inleidende beschikking wordt gewijzigd op het punt van de hoogte van het bedrag van de sanctie, de omschrijving van de gedraging of de feitcode. Als de beslissing van de officier van justitie of de beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd, terwijl de inleidende beschikking niet wordt vernietigd of gewijzigd op één van deze punten, wordt het verzoek om een proceskostenvergoeding in de regel afgewezen. Gelet op vorenstaande ken kantonrechter geen proceskosten toe.
Conclusie
De kantonrechter:
- verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie in verband met de schending van de informatieplicht gegrond;- vernietigt die beslissing;- verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
Waarvan proces-verbaal,
R. de Hoop, griffier, mr. H.J. Bastin, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.