RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 259806521
zaaknummer: 11524134 BU VERZ 25-134
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 8 oktober 2025
in de zaak van
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
die woont in [woonplaats] .
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘een voertuig parkeren voor een inrit of uitrit’, verricht op 13 juli 2023, om 14:36, op [adres] , met een bedrijfsauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 119,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 8 oktober 2025 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en de vertegenwoordiger van de officier van justitie,mr. P. Veenstra.
Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en zal de boete vernietigen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Betrokkene voert aan dat de gemeente en de politie zich schuldig maken aan pestgedrag. Betrokkene stelt dat ze hem voortdurend proberen te vangen en vindt het onjuist dat dit via de Wet Mulder wordt afgehandeld. Daarnaast voert betrokkene aan dat ter plekke geen sprake is van een in- of uitrit. Hij stelt dat de bestuursrechter in een eerdere zaak ook heeft geoordeeld dat geen sprake was van een in- of uitrit, maar van een groenstrook. De ambtenaar die de situatie moest controleren is er zelfs voorbij gelopen.
4. De vertegenwoordiger stelt ter zitting dat de situatie ter plekke zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoet als een in- of uitrit, aangezien sprake is van een baan groen gras met een daarachter gelegen grindpad. Met dit grindpad kun je de woning bereiken. Daarmee is voldaan aan het constructie- en bestemmingscriterium. De vertegenwoordiger noemt dat de lopende bestuursrechtelijke procedures spelen geen rol spelen. Daarnaast stelt de vertegenwoordiger dat het verweer van betrokkene dat sprake is van pestgedrag, geen reden is om de boete te matigen. De vertegenwoordiger verzoekt de kantonrechter wel het boetebedrag te matigen met 25 procent, vanwege een overschrijding van de redelijke termijn.
Overwegingen
5. In Wahv-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de verkeersovertreding is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
De verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht, luidt als volgt: “Ik, verbalisant, zag het voertuig voor de oprit van [adres] geparkeerd staan.” Hierbij heeft hij de volgende opmerking gemaakt: “Betrokkene vind dat het een groenstrook is. Er loopt een geschil tussen betrokkene en de bewoner van [adres] . Het geschil tussen beide partijen ligt momenteel bij de rechter.”
Betrokkene voert aan dat ter plekke geen sprake is van een in- of uitrit. De begrippen inrit en uitrit zijn in de wet niet (meer) gedefinieerd, omdat de veelheid van feitelijke situaties zich lastig in een definitie laat vangen. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een in- of uitrit, is daarom van belang of van iedere verkeersdeelnemer ter plaatse mag worden verwacht dat hij een uitmonding op duidelijk herkenbare wijze als in- of uitrit kan herkennen. Daarbij speelt de bestemming van de uitmonding (bijvoorbeeld de toegang tot een erf van een woning of bedrijfsunit) en de constructie van de uitmondingsituatie een belangrijke rol.
Uit de foto's die zich in het dossier bevinden, blijkt het volgende ten aanzien van de situatie ter plaatse. Het voertuig van betrokkene staat met twee wielen op de openbare weg en met twee wielen in een brede strook gras geparkeerd. Achter deze strook gras is een grindpad aangebracht. De kantonrechter constateert dat naast de strook gras een in- of uitrit is aangelegd naar een woning.
Naar het oordeel van de kantonrechter is op de locatie waar het voertuig van betrokkene stond geparkeerd geen sprake van een in- of uitrit. Daartoe overweegt de kantonrechter dat het voertuig geparkeerd stond in een brede grasstrook, terwijl direct daarnaast wél een duidelijk herkenbare in- of uitrit aanwezig is. De bestemming van de uitmonding is niet duidelijk. Evenmin is duidelijk waarom deze bestemming niet via de andere, wél duidelijk herkenbare in- of uitrit, zou kunnen worden bereikt. Onder deze omstandigheden kan van verkeersdeelnemers niet worden verwacht de uitmonding in één oogopslag als in- of uitrit te herkennen. De verkeersovertreding kan daarom niet worden vastgesteld. Het beroep zal gegrond worden verklaard.
Conclusie
De kantonrechter:
Waarvan proces-verbaal,
mr. R. Krikke, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.