ECLI:NL:RBNNE:2025:5805

ECLI:NL:RBNNE:2025:5805

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 06-11-2025
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer 11596294 BU VERZ 25-530
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden. De verbalisant heeft voldoende duidelijk gemaakt dat hij, in een onopvallende auto, niet in uniform, zonder stopmiddelen en in druk verkeer niet een reële en veilige mogelijkheid had om, zonder gevaarlijke manoeuvres, de bestuurder staande te houden. In dit geval mocht hij daarom op kenteken bekeuren. De officier van justitie heeft niet in strijd gehandeld met de motiveringsplicht. Op de foto’s die betrokkene heeft overgelegd is een scanner te zien die op de rug van iemands hand zit. Het is echter niet aannemelijk dat de verbalisant die scanner voor een smartphone heeft aangezien. Bovendien valt op basis van die foto’s niet uit te sluiten dat de bestuurder, als deze al een scanner op de rug van de hand had, een smartphone in de rechterhand kon hebben. In Wahv-zaken niet de mogelijkheid om wegens een overschrijding van de redelijke termijn een immateriële schadevergoeding in de vorm van een geldsom toe te kennen. Betrokkenes beroep op een arrest van het hof Den Haag slaagt niet, reeds omdat het in die kwestie ging om een belastingzaak en niet om een zaak als deze, waar het een bestraffende sanctie betreft.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

beschikkingsnummer: 258785733

zaaknummer: 11596294 BU VERZ 25-530

uitspraak van de kantonrechter van 6 november 2025

in de zaak van

[betrokkene] B.V. (hierna: betrokkene),

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

gemachtigde: O. van der Meer, werkzaam bij Van der Meer Juridisch Advies.

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden’, verricht op 20 juni 2023, om 16:33 uur, op de Aldlânsdyk in Leeuwarden, met een bedrijfsauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 389,00 (inclusief administratiekosten).

Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De kantonrechter heeft het beroep op 24 oktober 2025 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: de gemachtigde van betrokkene en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. R. van der Velde.

Beoordeling door de kantonrechter

2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en zal de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting matigen. Hij zal het verzoek om immateriële schadevergoeding in de vorm van een geldsom afwijzen en proceskosten toekennen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dit alles doet.

Standpunten van partijen

3. Betrokkene voert aan dat de boete ten onrechte is opgelegd aan de kentekenhouder, omdat de bestuurder ten onrechte niet is staandegehouden. Eerst schrijft de verbalisant dat hij zich langzaam door de bestuurder liet inhalen. Zij gingen dus dezelfde kant op. Hij verklaart vervolgens dat de bestuurder een andere kant opreed dan de verbalisant. Dit is tegenstrijdig. Daarnaast voert betrokkene aan dat de bestuurder geen mobiel elektronisch apparaat vast had tijdens het rijden. Als pakketbezorger had deze een scanner om zijn pols gebonden, maar hij heeft die niet vast gehouden of bediend tijdens het rijden. Verder heeft de officier van justitie de verbalisant twee keer om een aanvullende verklaring gevraagd en hierbij aangegeven dat diens eerdere verklaringen onvoldoende waren om de gedraging te kunnen aannemen. In zijn aanvullende verklaringen brengt de verbalisant echter geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren. Daarom is het onnavolgbaar dat de officier het administratief beroep van betrokkene ongegrond heeft verklaard op basis van de oorspronkelijke verklaring. Verder voldoet de beslissing van de officier van justitie niet aan het motiveringsbeginsel. Ten slotte wijst betrokkene op de lange behandelingsduur van de zaak, wil zij een matiging van het boetebedrag met 25% en een vergoeding van immateriële schade in de vorm van een geldsom en vraagt zij om vergoeding van haar proceskosten.

4. De vertegenwoordigster wijst erop dat uit de verklaring van de verbalisant blijkt dat hij en de bestuurder dezelfde richting op reden en dat de bestuurder een andere richting op ging. Dit maakt dat de verbalisant niet aanstonds kon overgaan tot staandehouding. In samenhang bezien maakt hij een afweging. Dit oordeel ligt echt aan hem. Verder is zijn verklaring duidelijk: de bestuurder hield de telefoon in rechterhand vast; dat hij deze kennelijk bediende door het scherm met de duim aan te raken strookt niet met het gebruiken van een handscanner. De verbalisant liet zich inhalen, dus hij kon duidelijk enkele seconden in het voertuig kijken. Hij is getraind dit soort waarnemingen te doen. Het hof heeft geoordeeld dat ook een scanner een mobiel elektronisch apparaat is. Over de schending van het motiveringsbeginsel stelt de vertegenwoordigster dat in de beslissing kort wordt aangestipt waar het om gaat. Uit de aanvullende processen-verbaal maakt zij op dat de gedraging is begaan. Wel is zij het met betrokkene eens dat de redelijke termijn van berechting is geschonden, hetgeen een matiging oplevert van 25%. Zij sluit af met de stelling dat de Wahv geen ruimte biedt voor een immateriële schadevergoeding.

Overwegingen van de kantonrechter

De staandehouding

5. In principe houdt de verbalisant een bestuurder staande op het moment dat een verkeersovertreding wordt vastgesteld. Dit is alleen anders als er geen reële mogelijkheid is om hem staande te houden en zijn identiteit te controleren. Dan mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.

De verbalisant geeft in het zaakoverzicht aan dat hij de bestuurder niet heeft staande gehouden, omdat hij niet in een opvallend of met optische en geluidssignalen uitgevoerd voertuig zat en de bestuurder in het drukke verkeer een andere richting op ging. In zijn aanvullend proces-verbaal van 27 november 2023 merkt hij op dat het door de avondspits erg druk was. Het was zijns inziens niet op een veilige manier mogelijk om met zijn niet als politievoertuig herkenbare auto zodanige verkeersmanoeuvres te maken dat hij alsnog achter de bestuurder aan kon. Ook had hij geen stopbord en was hij niet in politie-uniform gekleed, waardoor de kans aanzienlijk kleiner werd dat hij de bestuurder veilig een stopteken had kunnen geven en vervolgens veilig staande had kunnen houden in het drukke verkeer. Tot zover de verbalisant.

Het aanvullend proces-verbaal van 27 november 2023 is weliswaar grotendeels een herhaling van de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht, maar voegt toch het een en ander toe aan die summiere verklaring. Bovendien is dit proces-verbaal, anders dan de verklaring in het zaakoverzicht, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend. In de opmerking dat betrokkene en de verbalisant eerst dezelfde kant opgingen en de bestuurder vervolgens een andere richting op reed, valt, anders dan betrokkene meent, geen tegenstrijdigheid te zien: dit moet worden opgevat als nemen van een afslag door de bestuurder. Bovendien was het in verband met het spitsuur erg druk (het was half vijf

’s middags, op een donderdag). De verbalisant heeft voldoende duidelijk gemaakt dat hij, in een onopvallende auto, niet in uniform, zonder stopmiddelen en in druk verkeer niet een reële en veilige mogelijkheid had om, zonder gevaarlijke manoeuvres, de bestuurder staande te houden. In dit geval mocht hij daarom op kenteken bekeuren.

Het motiveringsbeginsel

6. De officier van justitie heeft niet in strijd gehandeld met de motiveringsplicht. Die betekent namelijk niet dat altijd uitgebreid en expliciet op alle argumenten uit het beroepschrift moet worden ingegaan; wel moet een betrokkene in grote lijnen uit de beslissing kunnen opmaken waarom de aangevoerde bezwaren geen doel treffen. Daaraan heeft de officier van justitie onder verwijzing naar de verklaring van de verbalisant voldaan.

De verkeersovertreding

7. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.

Die verklaring luidt onder andere: “Ik zag dat de bestuurder van het genoemde voertuig tijdens het rijden een smartphone met de rechterhand vasthield. Ik zag namelijk dat dat (sic) betrokkene een telefoon in zijn rechterhand vasthield en kennelijk bediende met de duim door daar mee het scherm aan te raken. Ik heb deze waarnemingen gedaan door het genoemde voertuig mij langzaam in te laten halen, waarbij ik enkele seconden duidelijk en onbelemmerd in het genoemde voertuig kon kijken.” In een tweede aanvullend proces-verbaal van 14 april 2024 gaat de verbalisant de beroepsgronden van betrokkene langs door de constateringen die hij heeft vermeld in het zaakoverzicht en het eerste aanvullend proces-verbaal te bevestigen. Daarbij is van belang dat ook dit tweede proces-verbaal, anders dan de verklaring het zaakoverzicht, op ambtsbelofte is opgemaakt.

Op basis van de beschikbare gegevens kan worden vastgesteld dat de overtreding is verricht. De verbalisant heeft in zijn aanvullend proces-verbaal van 14 april 2024 weinig toe te voegen aan zijn eerdere verklaring. Echter, niet valt in te zien wat hij op de vraag van de officier van justitie: “Hebt u duidelijk waar kunnen nemen dat het apparaat niet met een bandje om de hand vast zat” anders had moeten antwoorden dan dat hij nu eenmaal geen scanner heeft gezien. Bovendien slaagt betrokkenes stelling dat de bestuurder een handscanner om zijn pols gebonden had, maar deze niet heeft vastgehouden of bediend, niet. De verbalisant verklaart immers uitdrukkelijk dat hij zag dat de bestuurder tijdens het rijden een smartphone met de rechterhand vasthield en dat de bestuurder deze met de duim bediende. Ook hier valt niet in te zien wat daaraan kan worden toegevoegd, anders dan een bevestiging van die waarneming, nogmaals: onder ambtsbelofte, in een aanvullend proces-verbaal.

Op foto’s die betrokkene heeft overgelegd is inderdaad een scanner te zien die op de rug van iemands hand zit. Het is echter niet aannemelijk dat de verbalisant die scanner voor een smartphone heeft aangezien. Een smartphone in de rechterhand valt niet te verwarren met een scanner op de rug van die hand. Bovendien valt op basis van die foto’s niet uit te sluiten dat de bestuurder, als deze al een scanner op de rug van de hand had, een smartphone in de rechterhand kon hebben. Verder is de stelling dat de verbalisant de overtreding niet heeft kunnen waarnemen omdat de bestuurder in een hoge bedrijfsauto reed, geen reden om aan de verklaring van de verbalisant te twijfelen. Die verklaart immers dat hij enkele seconden duidelijk en onbelemmerd in het voertuig heeft kunnen kijken. Ten slotte schrijft geen rechtsregel voor dat de vaststelling dat een gedraging als deze is verricht, afhangt van het al dan niet noteren van het merk en type van het gebruikte telefoontoestel. De overtreding is verricht en daarvoor heeft de officier van justitie terecht een boete opgelegd. De beroepsgronden zijn ook geen aanleiding om de boete te matigen.

De redelijke termijn

8. Wel is de redelijke termijn van berechting overschreden. In deze zaak is namelijk meer dan twee jaar verstreken tussen het moment waarop betrokkene kon verwachten dat zij een boete zou krijgen en deze uitspraak. Betrokkene vraagt wegens die overschrijding om een matiging van 25% van het boetebedrag en daarnaast om een immateriële schadevergoeding in de vorm van € 500,00 per halfjaar vertraging.

Als er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, komt artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden in beeld. Onder verwijzing naar dat artikel heeft het hof Arnhem-Leeuwarden bepaald dat bij een overschrijding van de redelijke termijn een matiging van 25% van het boetebedrag aangewezen is. Ook in zaken als deze mag immers worden verondersteld dat rechtzoekenden gevoelens van onbehagen, irritatie en frustratie ondervinden bij de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Uit de verklaring die betrokkene heeft overgelegd, blijkt inderdaad dat deze gevoelens bij de bestuurder leven, onder meer door de lange duur van de zaak. De matiging van 25% is dus bedoeld als compensatie voor die gevoelens. Daarom bestaat daarnaast in Wahv-zaken niet de mogelijkheid om een immateriële schadevergoeding in de vorm van een geldsom toe te kennen. Betrokkenes beroep op een arrest van het hof Den Haag slaagt niet, reeds omdat het in die kwestie ging om een belastingzaak en niet om een zaak als deze, waar het een bestraffende sanctie betreft. Zij heeft niet uitgelegd waarom dat arrest, dus naast de jurisprudentie van het hof Arnhem-Leeuwarden, voor deze Wahv-zaak betekenis kan hebben.

Kortom: de kantonrechter zal het verzoek om immateriële schadevergoeding in de vorm van een geldsom afwijzen, maar zal wel de boete matigen met 25% tot € 294,00 (inclusief administratiekosten) wegens schending van de redelijke termijn van berechting.

Proceskostenvergoeding

9. Omdat de kantonrechter het beroep gegrond zal verklaren in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, zal hij de officier van justitie veroordelen in de proceskosten van betrokkene in de kantonfase. Hij zal één punt toekennen voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter met een waarde van € 907,00 en één punt met een waarde van € 907,00 toekennen voor het verschijnen door betrokkenes gemachtigde op de zitting. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Omdat de beslissing van de officier van justitie na 1 januari 2024 is bekendgemaakt, past hij ten slotte de extra wegingsfactor van 0,25 uit artikel 13a, tweede lid, onder a, van de Wahv toe. De proceskosten van betrokkene bedragen dan 2 x € 907,00 x 0,5 x 0,25 = € 226,75.

Artikel 13a, vijfde lid, van de Wahv regelt dat uitbetalingen op grond van een uitspraak op beroep op grond van deze wet uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van degene aan wie de boete is opgelegd. Gelet op de jurisprudentie is de kantonrechter niet bevoegd om over deze feitelijke uitvoering van zijn beslissing een oordeel te geven.

Beslissing

De kantonrechter:

 verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;

 vernietigt die beslissing;

 wijzigt de initiële beschikking en matigt het boetebedrag tot € 294,00 (inclusief administratiekosten);

 bepaalt dat betrokkene het teveel betaalde aan zekerheidsstelling terugkrijgt;

 wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding in de vorm van een geldsom af;

 veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene van € 226,75;

 verklaart zich onbevoegd om de oordelen over de uitbetaling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter, in aanwezigheid van

mr. R. Krikke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2025.

griffier kantonrechter

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het

gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:

a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of

b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.

Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.

De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. P

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?