RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 264769902
zaaknummer: 11635135 BU VERZ 25-737
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 24 oktober 2025
in de zaak van
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
die woont in [woonplaats] .
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘parkeren op parkeerplaats vergunninghouders (bord E9) zonder vergunning voor dat voertuig’, verricht op 19 februari 2024, om 10:06 uur, op de [adres] in Leeuwarden, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 119,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 24 oktober 2025 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene, zijn partner en de vertegenwoordigster van de officier van justitie, mr. R. van der Velde.
Na afloop van de behandeling op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en zal de boete matigen tot nul. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Betrokkene voert aan dat hij beroep heeft aangetekend tegen de sanctie voor het parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders, en niet tegen de sanctie voor het parkeren in een blauwe zone. Dit laatste staat echter wel in de eerste alinea van de brief van de officier van justitie. In de bijlage van deze brief zijn gegevens van een andere overtreding opgenomen. Betrokkene stelt dat hij het vervelend vindt dat hij nu gegevens heeft van de andere pleger, omdat zijn gegevens mogelijk zijn toegevoegd aan de beslissing van de andere persoon. Hij voert aan dat hij in het bezit is van een geldige vergunning, en daarmee op een parkeerplaats voor vergunninghouders heeft geparkeerd in de [adres] in Leeuwarden. Op de zitting geeft betrokkene aan dat hij sinds februari 2024 aan de [adres] woont. Hij trof een boete aan op zijn voertuig en heeft deze meegenomen. De volgende dag lag er opnieuw een boete. Betrokkene is vervolgens naar het gemeentehuis gegaan, waar hem is meegedeeld dat hij gelijk had en dat de boete zou worden geseponeerd. Uiteindelijk is alleen de tweede boete geseponeerd. Betrokkene stelt dat hij dacht dat hij op de pleeglocatie mocht staan. Destijds is door handhaving een aantekening bij zijn kenteken gemaakt waaruit blijkt dat hij daar mocht parkeren. Hij vindt het niet consistent dat de tweede boete wel is geseponeerd en de eerste niet.
4. De vertegenwoordigster geeft ter zitting aan dat zij bij de gemeente heeft geïnformeerd naar de parkeerplaats voor vergunninghouders aan de [adres] op de pleegdatum. Zij heeft deze mail op de zitting overgelegd. Uit de reactie van de gemeente blijkt dat er een vergunning kan worden aangevraagd voor ofwel vergunninghouders, ofwel betaald parkeren. Betrokkene heeft een vergunning voor betaald parkeren, maar niet voor vergunninghouders. De vertegenwoordigster stelt zich dan ook op het standpunt dat de boete terecht is opgelegd, omdat de vergunning van betrokkene niet geldig was voor die plek. Wel verzoekt zij de kantonrechter het sanctiebedrag met de helft te matigen, omdat de gang van zaken bij zowel de gemeente als de CVOM niet geheel zorgvuldig is geweest.
Overwegingen
5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding in die zin dat hij stelt dat hij in het bezit was van een geldige vergunning. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel
De verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht, luidt als volgt: “Zonebord E9 RVV 1990 is geplaatst en ik zag dat het betreffende voertuig zich bevond binnen deze zone. Uit navraag bij het bevoegd gezag is mij gebleken dat voor het parkeren op deze parkeergelegenheid geen vergunning was verleend. Bij het constateren van het feit werd vastgesteld dat er gedurende een tijd van ongeveer 10 minuten geen activiteit met betrekking tot het voertuig plaats vond.”
De kantonrechter is van oordeel dat op basis van de beschikbare gegevens kan worden vastgesteld dat de verkeersovertreding is verricht. Daartoe overweegt hij dat uit het door de vertegenwoordigster overgelegde stuk van de gemeente is gebleken dat de vergunning die betrokkene ten tijde van de verkeersovertreding had, niet geldig was voor het parkeren op de parkeerplaats voor vergunninghouders. Betrokkene had een ander type vergunning, namelijk een vergunning voor betaald parkeren.
Wel ziet de kantonrechter in dit geval aanleiding om de boete te matigen tot nul. Hij vindt het aannemelijk dat betrokkene destijds een aantekening van de handhaving bij zijn kenteken heeft gekregen, waardoor hij ter plaatse mocht parkeren. Betrokkene heeft zijn vergunning inmiddels volledig op orde gebracht. De kantonrechter neemt hierbij ook in aanmerking dat de tweede boete van betrokkene is geseponeerd. In dit verband overweegt hij ook dat het procesverloop bij de CVOM en de gemeente niet helemaal zorgvuldig is geweest. De persoonsgegevens van betrokkene zijn daarbij mogelijk in een ander dossier terechtgekomen. Het beroep zal gegrond worden verklaard.
Conclusie
De kantonrechter:
Waarvan proces-verbaal,
mr. R. Krikke, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.