RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 264858884
zaaknummer: 11605540 BU VERZ 25-604
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 19 november 2025
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl.
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder de doorgetrokken streep overschrijden (verkeer in beide richtingen)’, verricht op 16 maart 2024, om 23:41 uur, aan de Friesestraatweg N355 te Zuidhorn, gemeente Westerkwartier, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 309,00 (inclusief administratiekosten).
Gemachtigde heeft namens betrokkene tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft gemachtigde namens betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 19 november 2025 op de zitting behandeld. De vertegenwoordiger van de officier van justitie was niet aanwezig en heeft geen schriftelijk standpunt overgelegd. Betrokkene en zijn gemachtigde waren ook niet aanwezig.
Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Gemachtigde voert inhoudelijk aan dat de verbalisant betrokkene ten onrechte niet heeft staande gehouden. “Andere melding” is volgens gemachtigde op zichzelf geen grond om af te zien van een staandehouding. Van een verbalisant mag worden verlangd dat hij deugdelijk onderbouwt waarom een staandehouding niet mogelijk is. Waarom de aanrijding met een tractor zodanig spoedeisend was dat daarom mocht worden afgezien van een staandehouding, is volgens gemachtigde niet duidelijk. Daarnaast voert de gemachtigde, onder verwijzing naar onder meer adviezen, moties en eerdere rechtspraak, aan dat de boete disproportioneel hoog is en dat de verhoging van 10% per 1 maart 2024 onrechtmatig is.
Overwegingen
Het boetebedrag
4. Ten aanzien van het verweer van gemachtigde dat de boete disproportioneel hoog is en dat een correctie op het boetebedrag noodzakelijk is, overweegt de kantonrechter dat de verhogingen rechtmatig en niet onevenredig zijn. De minister van Justitie en Veiligheid heeft de bevoegdheid om boetebedragen te verhogen. De minister heeft dit gedaan, onder meer om een gat in de begroting te dichten. Hoewel een meerderheid in de Tweede Kamer hiertegen was en ook het Openbaar Ministerie en de Raad van State kritiek hadden, mocht de minister dit besluit toch nemen. De kantonrechter ziet geen strijd met grondrechten of verdragen, noch met materiële algemene rechtsbeginselen. De boete was in 2023 € 280,- en is per maart 2024 met € 20,- verhoogd naar € 300,-. Die verhoging is niet zodanig dat het bedrag niet meer in verhouding staat tot de ernst van de gedraging. De veiligheid van het verkeer wordt met deze gedraging rechtstreeks in gevaar gebracht.
De gedraging - staandehouding
5. Wat betreft het inhoudelijke verweer dat betrokkene ten onrechte niet is staande gehouden, overweegt de kantonrechter als volgt. In art. 5 Wahv ligt het uitgangspunt besloten dat de verbalisant die een gedraging constateert de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat aan hem als bestuurder een sanctie kan worden opgelegd. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering indien redelijkerwijs geen mogelijkheid bestaat om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, in welk geval de sanctie aan de kentekenhouder wordt opgelegd. Als op dit punt verweer wordt gevoerd, zal de kantonrechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen.
Uit de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht blijkt dat de verbalisanten rijdend onderweg waren naar een melding met betrekking tot een aanrijding met een tractor. Mede gelet op het tijdstip van de gedraging van 23:41 uur, acht de kantonrechter het aannemelijk dat de melding over de aanrijding met een tractor een bijzonder voorval betrof en dat er voor de verbalisanten hierdoor geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder bestond. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat terecht met toepassing van artikel 5 van de Wahv de boete aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Het beroep wordt ongegrond verklaard. De door gemachtigde gevraagde proceskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie
De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Waarvan proces-verbaal,
R. de Hoop, griffier mr. J.Y.B. Jansen, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.