ECLI:NL:RBNNE:2025:5822

ECLI:NL:RBNNE:2025:5822

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 01-09-2025
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer C/19/152895 / KG ZA 25-104
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Assen

Samenvatting

Vordering tot beëindiging voogdij GI door grootmoeder mogelijk op grond van artikel 1:328 BW in samenhang met artikel 1:329, lid 1 BW. Procedure in kort geding leent zich niet voor beoordeling van dit verzoek, gelet op de complexiteit en de betrokken belangen. Vordering afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

Kort-gedingnummer: C/19/152895/KG ZA 25-104

vonnis van de voorzieningenrechter in het kort-geding d.d. 1 september 2025

in de zaak tussen

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

te noemen: oma moederszijde (hierna: oma mz),

advocaat mr. J.G.M. ter Avest, kantoorhoudende te Utrecht,

en

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,

te noemen: de GI,

advocaat mr. A.R.H. Baas.

betreffende [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 de dagvaarding;

 de aanvulling van de dagvaarding;

 de conclusie van antwoord;

 nadere stukken van beide partijen;

 de mondelinge behandeling op 22 augustus 2025, waar zijn verschenen:

 oma mz, bijgestaan door mr. Ter Avest;

 [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;

 [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[minderjarige] is het kind van [moeder] en [vader] . De beide ouders van [minderjarige] zijn op 5 mei 2024 overleden.

Bij beschikking van 6 mei 2024 heeft deze rechtbank de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] . Vervolgens heeft de rechtbank bij beschikking van 24 juli 2024 de GI tot voogd over [minderjarige] benoemd.

[minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij zijn grootmoeder vaderszijde (hierna:

oma vz).

3. Het geschil

Oma mz vordert om bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij

voorraad,

 de GI te verbieden over te gaan tot plaatsing van [minderjarige] bij [pleegouders] althans deze maatregel op te schorten totdat in de bodemprocedure nader onderzoek is verricht naar een geschikte plaats voor [minderjarige] ;

 de GI uit de voogdij ten aanzien van [minderjarige] te ontzetten en de voorlopige voogdij over [minderjarige] aan grootmoeder moederszijde, mevrouw [eiseres] , toe te wijzen;

 de dagelijkse zorg van [minderjarige] voorlopig aan mevrouw [eiseres] , de oma van [minderjarige] aan moederszijde toe te vertrouwen totdat in de bodemprocedure is beslist;

 de GI te veroordelen in de kosten van dit geding.

Bij conclusie van antwoord heeft de GI de voorzieningenrechter verzocht om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, oma mz in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen van oma mz af te wijzen, met veroordeling van oma mz in de kosten van deze procedure, althans een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.

4. De beoordeling

Door en namens oma mz zijn in de dagvaarding en tijdens de zitting, mede aan de hand van een pleitnota, de vorderingen uitvoerig toegelicht. Oma mz is het niet eens met de werkwijze en de beslissingen van de GI. Er is nog steeds geen hulp voor [minderjarige] ingezet en oma mz kan niet begrijpen dat de GI haar en andere familieleden van [minderjarige] niet betrekt bij de beslissingen die over [minderjarige] genomen moeten worden. Oma mz heeft grote moeite met het besluit van de GI om [minderjarige] , al binnenkort, bij [pleegouders] , de voormalige buren van de ouders van [minderjarige] , te plaatsen. Volgens oma mz dient [minderjarige] naar een neutraal pleeggezin te gaan dat geen banden heeft met zowel de familie van de moeder van [minderjarige] als die van de vader van [minderjarige] . Bovendien vindt oma mz het een verschrikkelijk idee dat [minderjarige] opgroeit naast de plek waar zijn moeder vermoord is en ook zijn vader gestorven is. Oma mz vindt dit zeer belastend voor de verdere (identiteits)ontwikkeling van [minderjarige] . Daarom heeft oma mz deze kort-geding procedure bij de rechtbank aanhangig gemaakt. Daarbij is oma mz van mening dat zij op grond van artikel 8 EVRM dient te worden ontvangen in haar vorderingen.

Namens de GI heeft mr. Baas ten aanzien van de juridische merites van deze zaak bij conclusie van antwoord en op de zitting onderbouwd aangevoerd dat er geen wettelijke grondslag bestaat om oma mz in haar vorderingen ontvankelijk te achten dan wel deze vorderingen toe te wijzen en dat er geen noodzaak is om een tijdelijke ordemaatregel uit te vaardigen. De GI heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat deze zaak zich niet leent voor een behandeling in kort geding. Mr. Baas heeft verder betoogd dat de GI in de rol van voogd van mening is dat zij de beslissingen over [minderjarige] weloverwogen en in het belang van [minderjarige] genomen heeft.

De GI hoopt dat het onderhavig kort-geding niet verder ontwrichtend zal werken ten aanzien van [minderjarige] situatie en dat oma mz aan [minderjarige] haar emotionele goedkeuring kan geven voor zijn toekomstige woonplek bij aspirant pleegouders [pleegouders] waarbij rust en stabiliteit worden gecreëerd.

Op de zitting heeft mr. Baas gezegd dat het heel verdrietig en betreurenswaardig is dat oma mz het gevoel heeft dat zij aan de zijlijn staat, terwijl zij voor [minderjarige] heel belangrijk is. De GI heeft steeds geprobeerd om oma mz te betrekken zodat haar mening meegewogen kon worden. Gebleken is echter dat oma mz het niet eens blijft met de procesvoering en de besluiten van de GI.

De Raad heeft aangegeven dat het pijnlijk is de boosheid en het verdriet van oma mz te zien. Volgens de Raad is de samenwerking tussen oma mz en de GI tot een heel koud contact geworden. Het is de rol en de taak van de GI om op te komen voor de belangen van [minderjarige] . De GI dient daarbij het netwerk van [minderjarige] zo veel als mogelijk te betrekken, verschillende visies naast elkaar te leggen en een beslissing te nemen die in het belang van [minderjarige] is. Dit heeft de GI zo goed mogelijk proberen te doen. De Raad vraagt zich af of de GI naar de maatstaf van oma mz voldoende had kunnen bieden en of zij het contact had kunnen bieden dat oma mz verwachtte. De Raad denkt dat oma mz andere verwachtingen van de GI had dan de GI kon waarmaken. De Raad had graag gewild dat de GI en oma mz in een gesprek nader tot elkaar waren gekomen. Nu is de zaak op de spits gedreven en dat is niet in het belang van [minderjarige] . Het is niemands bedoeling geweest dat [minderjarige] nog steeds in onzekerheid verkeert over of hij maandag aanstaande naar een andere school gaat. De Raad wil [minderjarige] nu graag duidelijkheid bieden, want dat is van groot belang voor hem. Bovendien is de aanvaardbare termijn om in onzekerheid te verkeren ruimschoots verstreken. De Raad zou het liefst een heel duidelijk advies aan de rechtbank geven, maar kan dit niet door alles wat er op deze zitting aan de orde gekomen is. De Raad kan wel aanbieden om onderzoek te doen naar het perspectief van [minderjarige] en naar de bestaande visies, waarbij alle betrokkenen meegenomen worden en waarbij dan de situatie van [minderjarige] ongewijzigd in stand wordt gelaten om onnodige wisselingen te voorkomen. De raadsvertegenwoordiger denkt dat de Raad dit aanbod kan doen omdat ter zitting door mr. Ter Avest is gezegd dat gisteren een bodemzaak aanhangig gemaakt is.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Vooraf zij opgemerkt dat het hier gaat om een intens verdrietige, schrijnende en complexe zaak. Oma mz heeft haar dochter, de moeder van [minderjarige] , op een wijze verloren die niet te bevatten is. De voorzieningenrechter heeft begrip voor de frustratie, de onmacht en het verdriet van oma mz, die ook ter zitting te zien was. Zij zal als oma van [minderjarige] hoe dan ook een belangrijke rol blijven spelen in zijn leven.

Het voorgaande neemt niet weg dat de voorzieningenrechter deze zaak dient te beoordelen op grond van het wettelijk kader dat daarvoor geldt. Daarnaast dient de vraag te worden beantwoord of deze zaak zich leent voor een kort geding, gelet op de aard van deze procedure en de complexiteit van de zaak.

De voorzieningenrechter stelt vast dat namens oma mz ten aanzien van de eerste en derde vordering geen wettelijke grondslag is genoemd waarop deze vorderingen zijn gebaseerd.

Op grond van artikel 1:336 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) draagt de voogd - in dit geval de GI - zorg, dat de minderjarige overeenkomstig diens vermogen wordt verzorgd en opgevoed. Een onderdeel hiervan is de bepaling van de woonplaats van de minderjarige en van degene die de dagelijkse zorg voor de minderjarige draagt. Artikel 1:336a BW bepaalt dat de voogd de toestemming van anderen, in wiens gezin een minderjarige ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed, nodig heeft om een wijziging in het verblijf van de minderjarige te brengen (het blokkaderecht).

De voorzieningenrechter vat de eerste vordering van oma mz op als een beroep op het hiervoor bedoelde blokkaderecht. Weliswaar heeft [minderjarige] sinds de dood van zijn moeder om het weekend omgang met oma mz en haar partner, maar van verzorging en opvoeding als bedoeld in artikel 1:336a BW is geen sprake. Hierdoor heeft oma mz geen blokkaderecht. Dit betekent dat oma mz niet ontvankelijk is in haar eerste vordering.

Uit voornoemd artikel 1:336 BW blijkt verder niet van een rol voor oma mz bij het bepalen van de dagelijkse zorg voor [minderjarige] . Ook overigens is in de wet geen taak voor oma mz in deze weggelegd. De derde vordering van oma mz mist dan ook een wettelijke grondslag zodat deze vordering reeds hierom dient te worden afgewezen.

Ten aanzien van de vordering om de GI uit de voogdij ten aanzien van [minderjarige] te ontzetten en de voorlopige voogdij over [minderjarige] aan grootmoeder moederszijde, mevrouw [eiseres] , toe te wijzen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

De voorzieningenrechter leest dit verzoek van oma mz als een verzoek om beëindiging van de voogdij van de GI op grond van artikel 1:328 BW, nu deze bepaling uitdrukkelijk aan de gewijzigde vordering ten grondslag is gelegd.

Uit artikel 1:328 BW in samenhang gelezen met artikel 1:329, lid 1, BW blijkt dat oma mz als bloedverwant van [minderjarige] kan verzoeken om de beëindiging van de voogdij van de GI. In artikel 1:334 BW is bepaald dat de rechtbank, indien zij de beëindiging van de voogdij uitspreekt, voorziet in het gezag en dat ieder die tot de uitoefening van het gezag bevoegd is, tijdens het onderzoek schriftelijk aan de rechtbank kan verzoeken daarmee belast te worden.

De voorzieningenrechter zal eerst een oordeel moeten geven over het verzoek tot de beëindiging van de voogdij van de GI. In artikel 1:328 BW staat dat de rechtbank de voogdij van een gecertificeerde instelling kan beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. zij haar taken op een niet verantwoorde wijze uitoefent als bedoeld in artikel 4.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet, of

b. zij nalaat overeenkomstig artikel 305 de raad voor de kinderbescherming op de hoogte te houden.

De voorliggende procedure leent zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet voor een beoordeling als genoemd onder 4.7.3. De rechter in kort geding moet immers beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure die -naar ter zitting bleek- de dag ervoor was aangebracht, een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van een voorlopige voorziening gerechtvaardigd is, mede gelet op de daarbij betrokken belangen van partijen over en weer. Deze zaak is te ingewikkeld en de belangen -in het bijzonder het belang van [minderjarige] - te groot om vooruitlopend op de bodemprocedure daarover in dit kort geding een voorlopig oordeel te geven. In een bodemprocedure staan de rechter meer onderzoeks- en beslissingsmogelijkheden ter beschikking en kan de zaak meer uitvoerig en grondig behandeld worden. De kwestie over de voogdij rechtvaardigt een dergelijke behandeling.

Dit betekent dat ook deze vordering dient te worden afgewezen.

Nu de vorderingen van oma mz op voormelde gronden worden afgewezen, komt de voorzieningenrechter aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen, alsmede aan het aanbod van de Raad om onderzoek te verrichten, niet toe. Dit brengt tevens mee dat de voorzieningenrechter de vordering van oma mz om de GI te veroordelen in de kosten van het geding afwijst.

Daarnaast ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de vordering van de GI om oma mz in de kosten van het geding te veroordelen toe te wijzen. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat sprake is van misbruik van het procesrecht of onrechtmatig handelen door oma mz.

5. Beslissing

De rechter, rechtdoende in kort geding:

verklaart oma mz niet ontvankelijk in haar vordering de GI te verbieden over te gaan tot plaatsing van [minderjarige] bij [pleegouders] althans deze maatregel op te schorten totdat in de bodemprocedure nader onderzoek is verricht naar een geschikte plaats voor [minderjarige] ;

wijst de overige vorderingen van oma mz af;

wijst de vordering van de GI om een proceskostenveroordeling af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Laman, voorzieningenrechter, bijgestaan door de griffier en openbaar uitgesproken op 1 september 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?