ECLI:NL:RBNNE:2025:5830

ECLI:NL:RBNNE:2025:5830

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 23-12-2025
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 18.119854.25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens meerdere auto-inbraken. De rechtbank heeft acht geslagen op de door het Openbaar Ministerie en de verdediging op schrift gestelde procesafspraken. Naar het oordeel van de rechtbank doet de overeengekomen strafvermindering onvoldoende recht aan de ernst van de feiten en het belang van de maatschappij. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder de hoeveelheid aan feiten in korte periode, het doelbewust en planmatige handelen van verdachte, alsmede de grote financiële schade die is aangericht, meegewogen. De rechtbank ziet hierin dan ook aanleiding de overeengekomen strafkorting enigszins te matigen en daarmee een hogere straf op te leggen dan is overeengekomen tussen het Openbaar Ministerie, de verdachte en de verdediging. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18.119854.25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 december 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 december 2025.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.T.P. van der Made, advocaat te Rotterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1.

hij op of omstreeks 18 april 2025 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een personenauto, merk BMW, voorzien van het kenteken [kenteken] , welke geparkeerd stond op de oprit van de woning, gelegen aan of bij [adres] , aldaar,(onder meer) het stuur en/of het entertainment/navigatiesysteem en/of een scherm en/of een bedieningsknop van de middenconsole, in elk geval enig(e) goed(eren), die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft

weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht

door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 16 april 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, in uit een of meer personenauto(s) van het merk BMW, een of meer goederen die geheel of ten dele aan een ander toebehoorden, te weten

heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte en/of zijn mededader zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of (telkens) dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of (telkens) de weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij in of omstreeks de periode van 28 februari 2025 tot en met 10 april 2025 te Sneek, Frieschepalen, Grou, in elk geval in het arrondissement Noord-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, in uit een of meer personenauto(s) van het merk BMW, een of meer goederen die geheel of ten dele aan een ander toebehoorden, te weten

heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte en/of zijn mededader

4.

hij in of omstreeks de periode van 5 maart 2025 tot en met 6 maart 2025, te Grou, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of verdachtes mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een personenauto, merk BMW, voorzien van kenteken [kenteken] , welke stond

geparkeerd aan of bij [adres] , aldaar, een of meerdere goederen van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n), te weten aan [slachtoffer 11] (aangifte pagina 154), weg te nemen met het oogmerk om die/dat goed(eren) zich

wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, waarbij verdachte en/of zijn mededader zich opzettelijk naar voornoemde personenauto van die [slachtoffer 11] , heeft/hebben en/of het raam aan de bestuurderszijde van die personenauto heeft/hebben vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 5 maart 2025 tot en met 6 maart 2025 te Grou, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een raam/ruit van een personenauto, merk BMW en voorzien van kenteken [kenteken] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan

aan verdachte en/of zijn mededader, te weten aan [slachtoffer 11] , toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Procesafspraken

Het verloop van de procesafspraken

In de aanloop naar de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van onderhavige strafzaak hebben het Openbaar Ministerie en de verdediging de mogelijkheden besproken van het maken van procesafspraken. Bij e-mail van 14 november 2025 heeft de officier van justitie de rechtbank de overeenkomst tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging inzake de gemaakte procesafspraken doen toekomen. In de overeenkomst is onder meer de gezamenlijke zienswijze over de beoordeling van de ten laste gelegde feiten en de op te leggen straf neergelegd. De overeenkomst is op 11 november 2025 ondertekend door

verdachte, op 13 november 2025 door de raadsman van verdachte, mr. P.T.P. van der Made en op 29 oktober 2025 door de officier van justitie, mr. D.P. Menting. In de overeenkomst is vermeld dat het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben gesteld meerwaarde te zien in het maken van procesafspraken. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken.

De inhoud van de procesafspraken

Het afdoeningsvoorstel dat aan de rechtbank is voorgelegd houdt concreet in dat:

Voorts is in het afdoeningsvoorstel opgenomen dat er geen afspraken zijn gemaakt omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen. Het Openbaar Ministerie en de verdediging nemen daarover zelfstandig een standpunt in.

Het kader van de procesafspraken

De rechtbank stelt voorop dat het maken van procesafspraken is toegestaan en dat de totstandkoming daarvan betekenis kan hebben voor de beslissingen die de strafrechter neemt, ondanks dat er thans nog geen wettelijke regeling is die voorziet in procesafspraken.1 Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022 volgt dat de procesafspraken geen afbreuk doen aan de autonome positie van de strafrechter. De strafrechter is niet gebonden aan de procesafspraken. De strafrechter blijft er namelijk verantwoordelijk voor dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende regelingen, in het bijzonder de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en de eisen van een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De strafrechter kan uitsluitend acht slaan op gemaakte procesafspraken indien gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen uit artikel 6 EVRM. Deze waarborg is in het bijzonder van belang, omdat doorgaans in procesafspraken wordt opgenomen dat verdachte afziet van het uitoefenen van bepaalde verdedigingsrechten. De Hoge Raad heeft in het arrest een aantal punten geformuleerd aan de hand waarvan de strafrechter die waarborgen kan toetsen. De strafrechter dient te onderzoeken of verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.2 Om dit te kunnen toetsen is in beginsel vereist dat verdachte ter terechtzitting aanwezig is en gedurende het gehele proces wordt bijgestaan door een advocaat.

De behandeling ter terechtzitting

De rechtbank heeft op de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van 9 december 2025 de procesafspraken besproken, zoals deze zijn vervat in de ondertekende overeenkomst. De officier van justitie heeft de achterliggende redenen voor het maken van de procesafspraken toegelicht. Daarbij heeft de officier van justitie aangegeven dat de procesafspraken de efficiëntie, duidelijkheid en de rechtsgang

bevorderen en rechtdoen aan de feiten en gevolgen daarvan voor de slachtoffers.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich volledig bewust is van de inhoud van de gemaakte procesafspraken en dat hij achter deze afspraken staat.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus vrijwillig en op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan hetgeen in het afdoeningsvoorstel is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de procesafspraken en daarmee gepaard gaande afstand van bepaalde verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte gedurende het gehele proces is bijgestaan door een advocaat. De rechtbank heeft ter terechtzitting benadrukt dat zij dient te beoordelen of in de gemaakte afspraken ten aanzien van het bewijs en de kwalificaties is voldaan aan de juridische eisen en of de rechtbank de afspraken ten aanzien van de strafmaat maatschappelijk aanvaardbaar acht.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op de gemaakte procesafspraken.

Als gezegd, de rechtbank houdt een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen, met name de artikelen 348 en 350 Sv. De rechtbank zal hierna bij de beoordeling van het bewijs en het bepalen van de straf de gemaakte procesafspraken dan ook toetsen aan deze wettelijke bepalingen en beoordelen of een afdoening van de zaak in lijn met die afspraken al dan niet leidt tot een uitkomst die niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig de procesafspraken, veroordeling gevorderd voor de onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen verweer gevoerd ten aanzien van het bewijs.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de bewijsmiddelen toe zoals die zullen worden opgenomen in een eventueel later op te maken aanvulling van dit vonnis. Deze bewijsmiddelen bevatten de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Nadere bewijsoverweging

De rechtbank stelt op basis van de DNA-onderzoeken en de daarbij berekende hoge bewijskrachten vast dat het aangetroffen DNA telkens afkomstig is van verdachte.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 18 april 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een ander, uit een personenauto, merk BMW, voorzien van het kenteken [kenteken] , welke geparkeerd stond op de oprit van de woning gelegen aan [adres] , aldaar, het stuur en het entertainment/navigatiesysteem en een scherm en een bedieningsknop van de middenconsole, die aan [slachtoffer 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

2.

hij op 16 april 2025 te Drachten tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, uit personenautos van het merk BMW, goederen die aan een ander toebehoorden, te weten

hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte en zijn mededader zich telkens de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

3.

hij in de periode van 28 februari 2025 tot en met 10 april 2025 te Sneek, Frieschepalen en Grou tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, en alleen, meermalen, uit personenautos van het merk BMW, goederen die aan een ander toebehoorden, te weten

heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte en zijn mededader zich telkens de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft door middel van braak;

4

hij in de periode van 5 maart 2025 tot en met 6 maart 2025 te Grou, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en verdachtes mededader voorgenomen misdrijf om uit een personenauto, merk BMW, voorzien van kenteken [kenteken] , welke stond geparkeerd aan [adres] , aldaar, een of meerdere goederen, die aan [slachtoffer 11] toebehoorden, weg te nemen met het oogmerk om die/dat goed(eren) zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, waarbij verdachte en zijn mededader zich opzettelijk naar voornoemde personenauto van [slachtoffer 11] hebben begeven en het raam aan de bestuurderszijde van die personenauto hebben vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.

Feit 3:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd

en

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.

Feit 4, primair:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig de procesafspraken, gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van de tijd die veroordeelde heeft doorgebracht in voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft gepersisteerd bij de inhoud van de procesafspraken.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsadvies, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de door de officier van justitie en verdediging op schrift gestelde procesafspraken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte in een periode van drie maanden schuldig gemaakt aan negen auto-inbraken en één poging daartoe. Samen met zijn medeverdachte is verdachte geraffineerd en planmatig te werk gegaan. Op verschillende plekken in Friesland hebben zij in de nachtelijke uren in meerdere BMWs ingebroken door een autoruit te vernielen, waarna zij vervolgens onder meer sturen, navigatiesystemen, airbags, kilometertellers en andere dashboardonderdelen hebben weggenomen. Met zijn handelen heeft verdachte grote financiële schade aangericht. Verdachte heeft dan ook laten blijken geen enkel respect te hebben voor andermans eigendom en heeft kennelijk enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Feiten als de onderhavige zorgen bovendien voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving, zoals ook blijkt uit de aangiften en de toelichtingen op de vorderingen tot schadevergoeding.

De rechtbank acht de bewezen en strafbaar verklaarde feiten dan ook zeer kwalijk en rekent dit verdachte aan.

Persoon van verdachte

Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit de justitiële documentatie van 2 december 2025 blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld. De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 21 april 2025. De reclassering kan het risico op recidive niet inschatten.

Verdachte is voornemens om terug te keren naar Litouwen. Zijn gezin woont in Litouwen en verdachte heeft naar eigen zeggen werk wanneer hij terugkeert.

Op te leggen straf

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde oplegging van een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. De feiten vertonen duidelijke kenmerken van mobiel banditisme. In het geval van mobiel banditisme is sprake van het in korte tijd plegen van diefstallen van verhandelbare goederen, die redelijkerwijs niet bestemd zijn voor eigen gebruik, maar - bijvoorbeeld - zijn bedoeld voor verkoop in het buitenland. Deze vorm van criminaliteit is dan ook niet vergelijkbaar met een reguliere diefstal, hetgeen in de hoogte van de op te leggen straf tot uiting dient te komen. De rechtbank is van oordeel dat zowel vanuit generale als speciale preventie aan dit soort daders, die kennelijk alleen naar Nederland afreizen om vermogensdelicten te plegen, een duidelijk signaal dient te worden afgegeven. Een gevangenisstraf van langere duur acht de rechtbank dan ook op zijn plaats. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat voor deze feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden in beginsel passend zou zijn en zal dit dan ook als uitgangspunt nemen.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de door het Openbaar Ministerie en de verdediging op schrift gestelde procesafspraken, waarbij aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 maanden overeen is gekomen. Daarmee zou sprake zijn van een strafvermindering van 8 maanden. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overeengekomen strafvermindering onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en het belang van de maatschappij. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder de hoeveelheid aan feiten in korte periode, het doelbewust en planmatige handelen van verdachte, alsmede de grote financiële schade die is aangericht, meegewogen. De rechtbank ziet hierin dan ook aanleiding de overeengekomen strafkorting enigszins te matigen en daarmee een hogere straf op te leggen dan is overeengekomen tussen het Openbaar Ministerie, de verdachte en de verdediging. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

Alle benadeelde partijen hebben verzocht de vordering te verhogen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en daarnaast met vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 1]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor hoofdelijke toewijzing in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 2]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor hoofdelijke toewijzing in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 4]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, wegens gebrek aan onderbouwing.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 5]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, wegens gebrek aan onderbouwing.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 6]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor hoofdelijke toewijzing in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 11]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade voor toewijzing in aanmerking komt. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank gebruik zal maken van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij toewijzing vordert de officier van justitie de vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid en met daarbij de oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, omdat in het licht van het karakter van de zitting een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen niet kan worden toegelaten. Gelet op de procesafspraken, waarin overeen is gekomen dat de verdediging geen bewijsverweren zal voeren, staat het de verdediging niet vrij om in volle omvang gemotiveerd verweer te voeren tegen de vorderingen van de benadeelde partijen. Er is weliswaar vrijwillig ingestemd met de procesafspraken, maar uitsluitend ten behoeve van de strafrechtelijke afdoening. Deze instemming mag niet tegen verdachte worden gebruikt in de civiele kwestie ten opzichte van de benadeelde partijen, waar hij een ander procesrisico draagt. Het gaat primair om de strafzaak van verdachte. De wetgever is benadeelde partijen weliswaar tegemoet gekomen, maar dat is niet waar een strafzaak primair op ziet. De belangen van benadeelde partijen wegen natuurlijk mee in de strafzaak, maar de schade van de benadeelde partijen is in feite bijzaak. Tot slot is het bij het maken van procesafspraken onmogelijk om rekening te houden met vorderingen van benadeelde partijen, omdat die tot het laatste moment kunnen worden ingediend.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, gelet op het aantal ingediende vorderingen en de beperkte behandeling van de strafzaak.

Meer subsidiair heeft de raadsman de volgende standpunten ingenomen.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 1]

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadepost betreffende het verschil tussen de inruilwaarde en het door de verzekering uitgekeerde bedrag niet voor toewijzing in aanmerking komt. Er is geen reden om af te wijken van de door de verzekeraar vastgestelde taxatie van de auto.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 2]

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 4]

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voor immateriële schade vereiste objectieve psychologische gevolgen kunnen niet worden vastgesteld. Bovendien heeft de benadeelde partij aangevoerd dat zijn zoon voornamelijk nadeel heeft ondervonden. De zoon kan echter niet als direct belanghebbende worden aangemerkt.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 5]

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, wegens gebrek aan onderbouwing.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 6]

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de schadepost betreffende de beveiligingscameras geen reeds geleden schade betreft. De schadepost betreffende de waardebepaling van de auto is daarnaast niet gemotiveerd onderbouwd.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 11]

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade niet voor toewijzing in aanmerking komt. De kosten zijn indirect te ver verwijderd en zijn gericht op preventieve beveiliging. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman zich eveneens op het standpunt gesteld dat de schade niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Oordeel van de rechtbank

Vooraf

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de vorderingen van de benadeelde partijen, gelet op het karakter van de zitting en de overeengekomen procesafspraken, niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022 volgt dat de rechter, ook daar waar het gaat om de beslissing omtrent de vorderingen tot schadevergoeding, dient te beoordelen of de procesafspraken voldoende recht doen aan de belangen van de benadeelde partij. 3 De vordering tot schadevergoeding vraagt dan ook om een separate beoordeling van de rechter. Indien de rechtbank mee zou gaan in het verweer van de verdediging, zou dit ertoe leiden dat procesafspraken in zaken met benadeelde partijen geen stand kunnen houden. Met het gevoerde verweer heeft de verdediging niet alleen de betekenis van het voornoemde arrest van de Hoge Raad miskend, maar zich kennelijk ook geen rekenschap gegeven van de ontwikkeling van de positie van de benadeelde partij in het strafproces in de afgelopen jaren.

De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen inhoudelijk beoordelen.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 1] Materiële schade

De benadeelde partij heeft 1.873,00 aan materiële schade gevorderd. De schadepost betreffende het verschil tussen de inruilwaarde van de auto (die drie dagen voorafgaand aan de diefstal werd vastgesteld) en het door de verzekering uitgekeerde bedrag ( 1.514,00) zal de rechtbank toewijzen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde feit. De rechtbank acht de post voldoende onderbouwd, gelet op de inkoopverklaring van 14 april 2025 waaruit blijkt dat de auto zou worden ingekocht voor 21.514,00. De benadeelde partij heeft met stukken onderbouwd dat de verzekering een bedrag van 20.000,00 heeft vergoed.

De rechtbank is van oordeel dat de schadeposten betreffende de wegenbelasting ( 293,00) en de autoverzekering ( 66,00) dienen te worden afgewezen. Deze kosten zien op de periode na de auto-inbraak. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de benadeelde partij gelegen om deze kosten te beperken door de wegenbelasting te schorsen en de verzekering op te zeggen.

Het subtotaal aan toe te wijzen materiële schade bedraagt daarmee 1.514,00.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 2] Materiële schade

De benadeelde partij heeft 850,00 aan materiële schade gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde feit. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen.

Het subtotaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 850,00.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 4] Immateriële schade

De benadeelde partij heeft 3.000,00 aan vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij onvoldoende aangevoerd. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 5] Materiële schade

De benadeelde partij heeft 23.000,00 aan vergoeding van materiële schade gevorderd. Een onderbouwing van de vordering ontbreekt. Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde feit, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Daarnaast heeft de benadeelde onder immateriële schade en onder proceskosten onder meer aangegeven verlies in verdienvermogen te willen vorderen, waarvoor hij een bedrag van

5.000,00, heeft gevorderd. De rechtbank begrijpt deze post als schade die te gelden heeft als materiële schade. Bij gebreke aan onderbouwing zal de rechtbank deze post eveneens niet-ontvankelijk verklaren.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft daarnaast 10.000,00 aan vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij onvoldoende aangevoerd. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Proceskosten

Voorts heeft de benadeelde partij 10.000,00 aan proceskosten gevorderd. Wegens gebrek aan onderbouwing zal de rechtbank de vordering tot vergoeding van de proceskosten niet-ontvankelijk verklaren.

De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 6] Materiële schade

De benadeelde partij heeft 1.223,03 aan vergoeding van materiële schade gevorderd. De schadepost betreffende het bluetooth diagnoseapparaat ( 77,52) zal de rechtbank gedeeltelijk toewijzen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde feit. De schadepost is door de verdediging niet betwist. De rechtbank ziet aanleiding om de vordering te matigen, nu het apparaat in 2022 is aangeschaft. Gelet op de afschrijving van dergelijke voorwerpen, acht de rechtbank een bedrag van 25,00 billijk. De rechtbank zal de schadepost voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal de post betreffende het gestelde verschil tussen de waarde van de auto en het door de verzekering uitgekeerde bedrag ( 1.000,00) niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren.

Daarnaast heeft de benadeelde onder immateriële schade aangegeven de kosten voor de aanschaf van beveiligingscameras te willen vorderen, waarvoor hij een bedrag van

145,51 heeft gevorderd. De rechtbank begrijpt deze post als schade die te gelden heeft als materiële schade. Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien voldoende verband bestaat met het bewezen verklaarde feit. In het algemeen geldt dat kosten van beveiliging in verband met toekomstige gebeurtenissen niet kunnen worden aangemerkt als materiële schade die het gevolg is van een eerdere gebeurtenis. De aanschaf van de beveiligingscameras zijn na het bewezen verklaarde feit aangeschaft en zijn dan ook gericht op het voorkomen van soortgelijke feiten in de toekomst. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van deze kosten niet-ontvankelijk verklaren, nu niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding

wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit.

De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het subtotaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 25,00.

Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 11] Materiële schade

De benadeelde partij heeft 539,99 aan materiële schade gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ten aanzien van de schadeposten met betrekking tot de autohoes ( 72,99) en de beveiligingscameras ( 89,00) niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, kunnen beveiligingskosten over het algemeen niet worden aangemerkt als materiële schade, nu deze kosten niet in rechtstreeks verband staan met het bewezen verklaarde feit. Dat is in dit geval niet anders. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank zal de reiskosten ( 78,00) eveneens niet-ontvankelijk verklaren, wegens gebrek aan onderbouwing.

De rechtbank is ten aanzien van de overige materiële schade, betreffende het eigen risico ( 300,00), van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde feit. De vordering waarvan de hoogte onvoldoende is betwist, zal daarom worden toegewezen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft daarnaast 500,00 aan vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij onvoldoende aangevoerd. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het subtotaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 300,00.

Hoofdelijkheid

De rechtbank stelt ten aanzien van alle (toe te wijzen) vorderingen vast dat verdachte de bewezen verklaarde feiten samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom telkens bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien (één van) zijn medeverdachte(n) deze al hebben betaald, en andersom.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank telkens de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

Veroordeling in de kosten

De rechtbank zal verdachte telkens, voor zover de rechtbank komt tot toewijzing van (een deel van) de vordering van desbetreffende benadeelde partij, veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toegewezen schadebedragen telkens toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.

In beslag genomen goederen

De rechtbank acht de in beslag genomen voorwerpen, te weten twee fietsen met hulpmotor, een tas en een rugzak, vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het onder 1 bewezen en strafbaar verklaarde feit met behulp van deze goederen is begaan.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder feit 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Benadeelde partijen

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1], feit 1

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 1] te betalen:

Wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige af.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van

1.514,00 (zegge: duizend vijfhonderdveertien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2] , feit 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 2] te betalen:

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van

850,00 (zegge: achthonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 17 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 4] , feit 2

Verklaart de vordering van [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat [slachtoffer 4] zijn eigen proceskosten draagt.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 5] , feit 3

Verklaart de vordering van [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat [slachtoffer 5] zijn eigen proceskosten draagt.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 6] , feit 3

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 6] te betalen:

- het bedrag van 25,00 (zegge: vijfentwintig euro);

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk in zijn vordering ten aanzien van de schadepost betreffende de beveiligingskosten. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Verklaart de vordering van [slachtoffer 6] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 6] aan de Staat te betalen een bedrag van 25,00 (zegge: vijfentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 11] , feit 4

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 11] te betalen:

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 11] niet-ontvankelijk in zijn vordering ten aanzien van de schadepost betreffende de beveiligingskosten. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Verklaart de vordering van [slachtoffer 11] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 11] aan de Staat te betalen een bedrag van 300,00 (zegge: driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2025 tot de dag van

algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 6 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen goederen:

Dit vonnis is gewezen door mr. S.T. Kooistra, voorzitter, mr. H.C.L. Vreugdenhil en

mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door mr. R.D. Ensel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 december 2025.

1. HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, NJB 2022/2260.

2 HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, r.o. 5.4.3, NJB 2022/2260.

3 HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, r.o. 5.7.5, NJB 2022/2260

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.T. Kooistra
  • mr. H.C.L. Vreugdenhil
  • mr. C.A.M. Veenbaas

Griffier

  • mr. R.D. Ensel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?