RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 258818832
zaaknummer: 11567935 BU VERZ 25-433
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 26 november 2025
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats] ,
(gemachtigde: E. Wilms , MulderBoeteaanvechten.nl).
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder met een motorvoertuig of als brom- of snorfietser onnodig geluid veroorzaken’, verricht op 15 juni 2023, om 12:25 uur, op [adres] (ter hoogte van huisnummer [huisnummer] ) in [woonplaats] , met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 289,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 26 november 2025 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig: als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. R.A. van der Velde.
Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en zal de boete matigen. Daarnaast zal de dwangsom worden toegewezen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Gemachtigde voert aan dat betrokkene ten onrechte niet staande is gehouden. Niet is gebleken dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Weliswaar verklaart de ambtenaar dat hij buiten dienst en te voet was, maar daaruit volgt niet dat geen staandehouding mogelijk was. De ambtenaar verklaart namelijk ook dat de bestuurder 100 meter verderop werd aangesproken op zijn rijgedrag en na dat gesprek met gierende banden wegreed. Uit de verklaring blijkt dus dat de bestuurder enige tijd heeft stilgestaan op 100 meter afstand van de ambtenaar. Toen had hij naar de bestuurder toe kunnen lopen.
Verder voert gemachtigde, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak, aan dat een eventueel proces-verbaal niet meer bij de beoordeling van de zaak betrokken kan worden. Hierbij is van belang dat gemachtigde in administratief beroep ook heeft aangevoerd dat ten onrechte geen staandehouding heeft plaatsgevonden. De officier van justitie heeft toen nagelaten om aanvullende informatie op te vragen.
Daarnaast voert gemachtigde aan dat de officier van justitie een dwangsom heeft verbeurd. Gemachtigde verzoekt om vergoeding van de proceskosten.
4. De vertegenwoordigster is van mening dat de boete met 25% gematigd moet worden, omdat de redelijke termijn is geschonden. Daarnaast heeft betrokkene recht op de maximale dwangsom van € 1442,00.
Overwegingen
Is betrokkene terecht niet staande gehouden?
5. De kantonrechter stelt allereerst vast dat de boete terecht is uitgeschreven aan de kentekenhouder van het voertuig. De verbalisant verklaart het volgende: “Ik, verbalisant, was op genoemde dag, datum en tijdstip in vrije tijd en in burger gekleed. (…) Ik zag dat hij 100 meter verderop aan de kant gezet werd door een persoon die hem vervolgens aansprak. Later hoorde ik van deze persoon dat hij de bestuurder aansprak op zijn rijgedrag aangezien er ook kleine kinderen zo de straat op konden lopen. Ik hoorde van deze persoon dat de bestuurder niet voor rede vatbaar was. Ik zag en hoorde nadat de bestuurder aangesproken was dat de bestuurder wederom met gierende banden wegreed. Ik heb de bestuurder niet aan kunnen spreken op zijn gedrag.” Hieruit blijkt voldoende dat de ambtenaar geen reële mogelijkheid had om betrokkene staande te houden. Van belang is daarbij dat de verbalisant heeft verklaard dat hij de bestuurder niet heeft kunnen aanspreken.
Is de officier van justitie een dwangsom verschuldigd?
6. Vervolgens constateert de kantonrechter dat de officier van justitie een dwangsom verschuldigd is. De officier van justitie moet binnen zestien weken een beslissing nemen op het administratief beroep. Hij kan deze termijn één keer met tien weken verlengen. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken. Betrokkene heeft de officier van justitie, na het verstrijken van deze termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft de officier niet gedaan. Doordat de officier van justitie te laat een beslissing heeft genomen, is hij een dwangsom verschuldigd aan betrokkene. De beslissing is meer dan 42 dagen te laat genomen. Hierdoor heeft betrokkene recht op de maximale dwangsom van € 1442,00 (14 x € 23 + 14 x € 35 + 14 x € 45).
Kan de gedraging worden vastgesteld?
7. Betrokkene betwist de gedraging niet, maar voert argumenten aan ter verklaring. Daarmee is de gedraging komen vast te staan. Vervolgens is de vraag of er feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven tot een wijziging van de boete.
Is er aanleiding om de boete te matigen of te vernietigen?
8. De kantonrechter zal de boete matigen met 25% tot € 219,00 (inclusief administratiekosten), omdat de redelijke termijn is geschonden. In deze zaak is namelijk meer dan twee jaar verstreken tussen het moment waarop betrokkene kon verwachten dat hij een boete zou krijgen en deze uitspraak.
9. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de boete verder te matigen of te vernietigen.
Krijgt betrokkene een proceskostenvergoeding?
10. Omdat de kantonrechter het beroep gedeeltelijk gegrond zal verklaren, zal hij de officier van justitie veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Hij zal één punt toekennen voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter met een waarde van € 907,00. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Omdat de beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 is bekendgemaakt, past de kantonrechter de extra wegingsfactor uit artikel 13a, tweede lid, onder a, Wahv toe op de kantonfase.
11. De berekening is als volgt: 1 (procespunt) x € 907,00 (tarief) x 0,5 (wegingsfactor, licht) x 0,25 (extra wegingsfactor herwaardering proceskostenvergoeding) = € 113,38. Hij zal de officier van justitie veroordelen in de kosten van € 113,38.
Conclusie
De kantonrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, kantonrechter, in aanwezigheid van mr. W.B. Jongsma, griffier.
griffier kantonrechter
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.