ECLI:NL:RBNNE:2025:5842

ECLI:NL:RBNNE:2025:5842

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 13-02-2025
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer LEE 23/3921, 23/3923 en 23/4189
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Tussenuitspraak bestuurlijke lus

Samenvatting

Tussenuitspraak bestuurlijke lus. Ten behoeve van de renovatie van het park heeft het college vergunning verleend voor de realisatie van een parkeerterrein met 10 parkeerplaatsen en een uitrit aan de noordoostkant van het park. Parkeerterrein en uitrit zijn gelegen naast de woning van eisers I en II. Het besluit bevat twee gebreken. Het college heeft de omvang van het vergunde project en de mogelijke gevolgen daarvan niet goed in beeld gebracht. Het college gaat uit van een beperkt gebruik ten behoeve van de (kantoor)functie van de State. Dit beperkte gebruik is echter niet geborgd. Het college heeft met name de gevolgen ten aanzien van eventuele geluidhinder en de verkeersveiligheid niet voldoende in kaart gebracht. Op deze twee punten is het besluit gebrekkig. Het college krijgt de gelegenheid deze gebreken te herstellen.

Uitspraak

[eiser 1] , eiser I,

[eiser 2] , eiser II,

[eiser 3] , eisers III,

uit [woonplaats] , gezamenlijk te noemen: eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland, het college

(gemachtigde: F.P. Doting).

Als derde-partij neemt aan het geding deel Gemeente Smallingerland te Drachten, vergunninghouder.

Inleiding

1. In deze tussenuitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het aanleggen van tien parkeerplaatsen en het maken van een uitrit op het perceel [adres 1] te [woonplaats] (hierna: het perceel).

Het college heeft deze vergunning verleend met het bestreden besluit van 23 augustus 2023.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep van eiser I is geregistreerd onder zaaknummer LEE 23/3921, het beroep van eiser II onder zaaknummer LEE 23/3923 en het beroep van eiser III onder zaaknummer LEE 23/4189.

Eisers I en II hebben voorts verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft deze verzoeken afgewezen met de uitspraak van 28 maart 2024.

Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft zaken gevoegd en op 7 november 2024 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghouder is D. de Haan verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het college de vergunning rechtmatig heeft verleend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 25 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De gemeente wil het [park] renoveren. Onderdeel van deze renovatie is de realisatie van een parkeerterrein bij de [state] (hierna: de State) aan de noordoostkant van het park. Hiertoe wil de gemeente tien parkeerplaatsen realiseren aan de noordzijde van de State. Voor de aanleg van de parkeerplaatsen worden tevens drie bomen gekapt en zal een uitrit gerealiseerd worden die uitkomt op de [Straat] .

De gemeente is eigenaar van het [park] .

Op de locatie van het geplande parkeerterrein en de geplande uitrit gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het bestemmingsplan “Drachten Noord – Oost” (het bestemmingsplan). Op de locatie rustte de bestemming ‘Groen’.

Voor de realisatie van het parkeerterrein heeft de gemeente een vergunning aangevraagd. Aan de gemeente is een vergunning verleend voor het maken van een uitrit (artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo), voor het afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo), voor het wijzigen van een monument (artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo) en voor het kappen van bomen (artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo). De vergunning is verleend via de uitgebreide voorbereidingsprocedure. De gemeenteraad heeft besloten geen zienswijze kenbaar te maken over het project.

Eisers wonen direct naast respectievelijk tegenover het nieuw te realiseren parkeerterrein en de uitrit.

Het parkeerterrein en de uitrit zijn inmiddels gerealiseerd.

Omvang geding

5. De beroepen van eisers richten zich in het bijzonder tegen de vergunning voor zover die is verleend voor de activiteiten ‘afwijken van het bestemmingsplan’ en ‘maken van een uitweg’. Tegen het kappen van de bomen hebben eisers wel gronden ingebracht, maar ter zitting hebben eisers het beroep ingetrokken ten aanzien van dit besluitonderdeel. Toetsingskader afwijken bestemmingsplan

6. Het college heeft, om het parkeerterrein (en de uitrit) te realiseren, gebruikgemaakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. Het college heeft daartoe toepassing gegeven aan de bevoegdheid om af te wijken op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3, van de Wabo. Op grond van deze artikelen kan de omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ten aanzien van het standpunt van eisers dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen, overweegt de rechtbank dat het college bij zijn besluitvorming beleidsruimte heeft. Dat betekent dat het college, als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De rechter toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Hieronder zal de rechtbank ingaan op de door eisers aangevoerde beroepsgronden.

Woon- en leefklimaat; toepassing VNG-brochure

7. Eisers I en II stellen dat hun woongenot ernstig wordt aangetast doordat het parkeerterrein op korte afstand van hun woning(en) wordt gerealiseerd. Zij wijzen erop dat niet wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (VNG-brochure). Voordat besloten werd om het parkeerterrein op deze plek toe te staan had het college daarom een akoestisch onderzoek uit moeten voeren. Ook voeren eisers I en II aan overlast te ervaren door het verkeer naar en van de State, omdat er acht gezondheidszorgbedrijven gevestigd zijn die elk half tot vol uur bezoekers ontvangen. Uit de uitspraak van de voorzieningenrechter en uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat het parkeren alleen bestemd zou moeten zijn voor werknemers, maar in de praktijk blijkt dat het parkeerterrein ook wordt gebruikt door bezoekers. Ter zitting is nog aangevoerd dat overlast wordt ervaren door hangjongeren op het parkeerterrein.

De rechtbank stelt vast dat het college voor de motivering van het bestreden besluit verwijst naar de “Ruimtelijke onderbouwing Parkeerterrein [state] ” (ruimtelijke onderbouwing). In de ruimtelijke onderbouwing is aansluiting gezocht bij de VNG-brochure en wordt verwezen naar de richtafstanden voor parkeervoorzieningen en parkeergarages. Niet in geschil is dat aan die richtafstand (10 meter in een gemengd gebied) niet wordt voldaan ten opzichte van de dichtstbijzijnde woning van eisers. In de ruimtelijke onderbouwing wordt geconcludeerd dat desondanks een goed woon- en leefklimaat aanwezig blijft. Daarbij wordt van belang geacht dat het parkeerterrein beperkt van omvang is en dat daarom het aantal motorvoertuigen dat op een dag geparkeerd wordt beperkt is. In de ruimtelijke onderbouwing wordt verwezen naar de functie van de State als kantoor en werkplek en wordt ervan uitgegaan dat het parkeren voornamelijk tijdens kantooruren plaatsvindt en alleen zo nu en dan in de avondperiode, en niet in de nachtperiode. Daarom kan volgens de ruimtelijke onderbouwing redelijkerwijs worden aangenomen dat het parkeerterrein niet tot (geluids)overlast zal leiden.

De rechtbank overweegt dat het college bij het maken van een ruimtelijke afweging gebruik mag maken van de VNG-brochure. Als aan de daarin opgenomen richtafstanden wordt voldaan, kan er in beginsel van worden uitgegaan dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Indien niet aan de richtafstanden kan worden voldaan, dient het college deugdelijk te motiveren dat desondanks sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De rechtbank is van oordeel dat het college met het bestreden besluit en de verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing daarin niet is geslaagd. De rechtbank kan het college volgen dat ter plaatse sprake is van een gemengd gebied en niet van een rustige woonwijk. De rechtbank acht het ook, gelet op de aard, omvang en locatie van het project, navolgbaar dat in de ruimtelijke onderbouwing is aangesloten bij de richtafstanden voor parkeervoorzieningen.

Het college heeft de akoestische gevolgen van het parkeerterrein niet concreet in beeld gebracht door een akoestisch onderzoek. Het college heeft volstaan met een verwijzing naar de beperkte omvang van het project. Dat acht de rechtbank in dit geval niet voldoende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee de omvang van het vergunde project en de mogelijke gevolgen daarvan niet goed in beeld gebracht. Het college gaat er, zo volgt uit de ruimtelijke onderbouwing, bij zijn afweging vanuit dat parkeren alleen plaatsvindt ten behoeve van de (kantoor)functie van de State en voornamelijk in de dagperiode. Deze beperking van het gebruik volgt echter niet uit de verleende omgevingsvergunning. Hierin zijn geen voorschriften gesteld om dat beperkte gebruik te borgen. Bij de beoordeling of een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, dient het college naar het oordeel van de rechtbank daarom uit te gaan van een representatieve invulling van wat op grond van het bestemmingsplan mogelijk is op het perceel van de State. De ter plaatse geldende bestemming “Gemengd-1” maakt meer mogelijk dan alleen een kantoorfunctie, waaronder dienstverlening en wonen. Niet is gebleken dat het college daarmee rekening heeft gehouden. De rechtbank overweegt verder dat in de ruimtelijke onderbouwing onder het kopje ‘Verkeer en parkeren’ is uiteengezet dat met de gekozen parkeeroplossing een oplossing wordt geboden voor de parkeervraag voor werknemers die werkzaam zijn in de State. Voor zover het college dit heeft betrokken in zijn afweging, overweegt de rechtbank dat ook dit niet is geborgd in de vergunning. Feitelijk kan het parkeerterrein intensiever gebruikt worden dan waarvan is uitgegaan bij de verlening van de vergunning en mogelijk op andere momenten dan waarvan het college is uitgegaan. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat het college de omvang en daarmee ook de gevolgen van het gebruik van het parkeerterrein voor de nabijgelegen woning van eisers I en II niet goed in beeld heeft gebracht. Daarmee heeft het college ook niet deugdelijk gemotiveerd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de meest dichtbijgelegen woning.

Voor zover eisers hebben aangevoerd dat zij overlast ervaren van hangjongeren, overweegt de rechtbank dat dat een kwestie van handhaving is dat in deze procedure niet aan de orde is. Deze grond slaagt daarom niet.

Voorgaande betekent dat het bestreden besluit ten aanzien van de gevolgen voor het woon- en leefklimaat in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen.

In het verweerschrift heeft het college nog aangevoerd dat, gelet op de omvang van het parkeerterrein, ook had kunnen worden aangesloten bij het type bedrijf dat in de State is gevestigd. Het college verwijst daarbij naar dienstverleners die zijn gericht op gezondheid en schoonheid. De richtafstand zou volgens het college dan 0 meter kunnen zijn. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om het geconstateerde gebrek te passeren. De rechtbank overweegt daartoe dat het college in de ruimtelijke onderbouwing uitdrukkelijk heeft aangesloten bij de richtafstanden voor parkeervoorzieningen. De rechtbank kan die keuze, gelet op de aard, omvang en locatie van het aangevraagde project, in dit geval goed volgen. In de opmerking in het verweerschrift dat ook had kunnen worden aangesloten bij andere richtafstanden, ziet de rechtbank in dit geval onvoldoende motivering om het geconstateerde gebrek te kunnen passeren.

Uitvoerbaarheid verplaatsen parkeerterrein

8. Op zitting is nog aangevoerd dat het college het doel van het verplaatsen van het parkeerterrein, niet kan bereiken. Daartoe heeft eiser II gewezen op een beding uit een privaatrechtelijke overeenkomst waaruit blijkt dat de eigenaar van de State recht heeft op tien parkeerplekken op het kadastrale perceel 11285. De parkeerplekken zijn echter vergund op het kadastrale perceel 15251. Dit leidt er toe dat er tien extra parkeerplaatsen bij komen bij de plaatsen waarop de eigenaar van de State recht heeft. Daarbij is erop gewezen dat het college de toegang tot perceel 11285 heeft geblokkeerd met paaltjes, maar dat dat niet is toegestaan omdat het een openbare weg betreft. Daarnaast staan de klappaaltjes inmiddels naar beneden, waardoor er weer regelmatig auto’s door het park rijden. Tot slot is aangevoerd aan dat er naast de State twee plaatsen beschikbaar blijven als gehandicaptenparkeerplaats.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank licht dat hierna verder toe.

In de ruimtelijke onderbouwing is beschreven dat de realisatie van het parkeerterrein onderdeel is van de renovatie van het [park] . Het aantal parkeerplaatsen direct voor de State is altijd beperkt geweest, wat als gevolg had dat er in het park geparkeerd werd. Dit doet volgens de ruimtelijke onderbouwing afbreuk aan de kwaliteit van het park en de uitstraling van de State. Eén van de doelstellingen van het verbeteren van het park is een beter beeld op de State te realiseren vanaf de [adres 1] . Daarom wordt met het vergunde project voorzien in een parkeervoorziening op een andere locatie.

Eisers verwijzen naar een bepaling in een privaatrechtelijke overeenkomst (het kettingbeding). Zij hebben dat deel van de overeenkomst in het geding gebracht. De rechtbank overweegt dat in dat kettingbeding is geregeld dat de eigenaar van de State voor het parkeren van hooguit tien auto’s gebruik moet maken van de aangebrachte ‘parkeervakken’ en dat parkeren (elders) in het park niet is toegestaan. Het vergunde parkeerterrein voorziet in de realisatie van 10 parkeerplaatsen. De rechtbank ziet in de enkele verwijzing door eisers naar het kettingbeding en de door eiser genoemde kadastrale nummers geen grond voor het oordeel dat hiermee de doelstelling van het bestreden besluit (verplaatsing van het parkeren) niet kan worden gehaald. Dat het kettingbeding waarnaar eisers verwijzen een evidente privaatrechtelijke belemmering oplevert voor het realiseren van dat doel is de rechtbank niet gebleken.

Het college heeft ter zitting toegelicht hoe geborgd wordt dat het park niet meer toegankelijk is voor auto’s om daar te parkeren. Dit gebeurt door het feitelijk belemmeren van de toegang tot het park voor motorvoertuigen, namelijk door het plaatsen van paaltjes. Die paaltjes zijn ook al geplaatst. Ook heeft het college op zitting aangegeven er zorg voor te zullen dragen dat de paaltjes omhoog blijven staan. De rechtbank heeft geen reden om aan deze toelichting van het college te twijfelen. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat hiermee niet zal kunnen worden voorkomen dat nog in het park zal worden geparkeerd. Dat het doel dat is nagestreefd met de verleende vergunning niet kan worden bereikt, is de rechtbank daarom niet gebleken.

Eisers hebben nog opgemerkt dat, buiten het vergunde parkeerterrein, aan de State nog vijf (extra) vergunningen zijn toegezegd. Dat zou niet gerealiseerd kunnen worden, omdat dat in strijd is met de eigen (beleids)regels van de gemeente daarover. Voor zover dit beroep de onmogelijkheid betreft om extra parkeervergunningen voor de State af te geven, overweegt de rechtbank dat dit buiten de omvang van dit geding valt. In deze procedure gaat het alleen over de vraag of het college de vergunning voor het realiseren van het parkeerterrein heeft kunnen verlenen. Eventuele andere vergunningen kunnen in deze procedure niet beoordeeld worden.

Autogebruik, verstening

9. Eiser II heeft naar voren gebracht dat de realisering van het parkeerterrein en de uitrit in strijd is met het gemeentelijk beleid om autogebruik te ontmoedigen. Ook leidt het project volgens hem tot ongewenste verstening.

Het college heeft aangegeven dat, om de monumentale waarde van de [state] te borgen, het van belang is dat het pand in gebruik blijft. Dat betekent dat er ook geparkeerd moet worden. Het college heeft toegelicht dat het parkeerterrein zal bestaan uit een verharding met oude materialen zodat aansluiting wordt gevonden bij de monumentale uitstraling van het park. Het college heeft verder aangegeven dat op de locatie van het geplande parkeerterrein weinig groen zal verdwijnen. Het parkeerterrein zelf wordt omsloten door groenaanplant, waardoor voertuigen zo veel mogelijk uit het zicht worden gehouden. Bovendien heeft het college toegelicht dat overleg heeft plaatsgevonden met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de welstandsadvisering en monumentenzorg Hûs en Hiem en Steunpunt Monumentenzorg Fryslân, wat uiteindelijk tot positieve adviezen heeft geleid.

Deze beroepsgronden slagen niet.

In de ruimtelijke onderbouwing is uiteengezet waarom de gemeente het van belang acht dat parkeren op een andere locatie plaats moet vinden en niet langer voor de State. Die keuze acht de rechtbank niet onredelijk. Aan de aanleg van een parkeerterrein is enige verharding inherent. In wat eiser II daarover heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de bestreden omgevingsvergunning had mogen verlenen. Dat geldt evenzeer voor de wens om het autogebruik te ontmoedigen. De rechtbank volgt niet dat het vergunde project leidt tot meer autogebruik. Eiser heeft dat ook niet aannemelijk gemaakt.

Voor zover met deze gronden is beoogd te stellen dat de vergunning voor het onderdeel ‘wijzigen van een monument’ ten onrechte is verleend, volgt de rechtbank dat niet. De rechtbank ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen dan de voorzieningenrechter met de uitspraak van 28 maart 2024 heeft gedaan en verwijst hiervoor naar de uitspraak in de zaak met de nummers LEE 24/696 en 24/781 (onder 12. – 12.3).

Verkeersveiligheid

10. Eisers zijn het niet eens met de vergunde locatie van de uitweg. Zij voeren aan dat dan ter plaatse zes uitritten op een afstand van iets meer dan 50 meter van elkaar aanwezig zijn. Eisers wijzen erop dat de [Straat] al een drukke weg is. Eisers voeren aan dat met de aan te leggen uitrit de verkeersveiligheid in het gedrang komt. Zij wijzen daarbij op de bestaande verkeersdrukte van auto’s en fietsers, waaronder scholieren.

Het college stelt zich op het standpunt dat de uitrit uitkomt op de [Straat] en dat dit een relatief rustige weg is waar een maximale snelheid geldt van 30 km/uur en waar meerdere uitritten op uitkomen. Het college geeft aan dat deze weg een functie heeft als erftoegangsweg en dat de vergunde uitrit past bij een weg met deze functie. Het college gaat ervan uit dat er geen veiligheidsrisico’s zijn die maken dat een uitrit op deze locatie niet passend is, met name gelet op het geringe aantal parkeerplaatsen. Verder heeft het college in het verweerschrift aangegeven dat naar aanleiding van verzoeken uit de buurt, snelheidsremmende maatregelen worden genomen.

De rechtbank vat deze beroepsgrond van eisers op als gericht te zijn tegen zowel de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ als de activiteit ‘maken van een uitweg’. Voor beide activiteiten geldt dat een project niet mag leiden tot een onaanvaardbare verkeerssituatie. Dat zou in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening (activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’) of in strijd met belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg (activiteit ‘maken van een uitweg’). De toetsingsgrond voor het afwijken van het bestemmingsplan is geregeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3, van de Wabo. De toetsingsgrond voor het maken van een uitweg is opgenomen in artikel 2:12, derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening Smallingerland.

De rechtbank stelt vast dat aan de beoordeling van de gevolgen voor de verkeersveiligheid niet kenbaar een verkeersonderzoek ten grondslag ligt. Uit de ruimtelijke onderbouwing en de motivering van het bestreden besluit blijkt dat het college zijn beoordeling heeft gebaseerd op de beperkte omvang en gebruik van het parkeerterrein. Hiervoor heeft de rechtbank onder 7.3 al overwogen dat in de ruimtelijke onderbouwing onder het kopje ‘Verkeer en parkeren’ is uiteengezet dat met de gekozen parkeeroplossing een oplossing wordt geboden voor de parkeervraag voor werknemers die werkzaam zijn in de State. Verder blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing dat het college ervan is uitgegaan dat er weinig verkeersbewegingen zijn, dat gebruikers van het parkeerterrein voornamelijk tijdens kantooruren zullen parkeren en dat dit voor wat langere tijd gebeurt. Dat past op zichzelf bij het gebruik door werknemers die werkzaam zijn in de State. De rechtbank stelt echter vast dat in de (voorschriften bij de) vergunning noch op andere wijze is geborgd dat het gebruik van de parkeerplaatsen daadwerkelijk is beperkt tot die werknemers. Daarmee is niet uitgesloten dat ook anderen dan werknemers gebruik maken van het parkeerterrein. Het is de rechtbank niet gebleken dat het college dat heeft onderkend bij de beoordeling van de gevolgen van het project voor de verkeersveiligheid. Mede ook gelet op het op grond van het bestemmingsplan toegelaten gebruik van de State, is de rechtbank van oordeel dat het college met het bestreden besluit nog onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat de gevolgen voor de verkeerssituatie zijn. Dat het college aangeeft dat naar aanleiding van verzoeken uit de buurt snelheidsremmende maatregelen worden genomen, maakt dat in dit geval ook niet anders. Uit het bestreden besluit blijkt niet welke maatregelen dat zijn, waarom ze nodig zijn en hoe is geborgd dat ze daadwerkelijk worden genomen. Daarmee kleeft naar het oordeel van de rechtbank op dit onderdeel een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek aan het bestreden besluit.

In het verweerschrift heeft het college, naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter, aangegeven dat het voornemens is om als eigenaar van het parkeerterrein een bord te plaatsen om te verduidelijken dat parkeren alleen is toegestaan voor bezoekers/werknemers. Uit nadere stukken en op zitting is gebleken dat er inmiddels een bordje is geplaatst bij het parkeerterrein. Hiermee is echter niet geborgd dat op het vergunde parkeerterrein alleen door werknemers mag worden geparkeerd. De tekst op het bordje laat toe dat hier niet alleen door werknemers wordt geparkeerd, maar ook door de eigenaar, huurders en bezoekers van de State. Het college verwacht hiermee voldoende te hebben ondervangen dat er geen risico’s bestaan voor de verkeersveiligheid. Waarom dat zo is, heeft het college echter niet nader inhoudelijk toegelicht. De rechtbank ziet hierin daarom geen aanleiding om het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te passeren.

Tot slot overweegt de rechtbank nog dat eisers wijzen op het gedrag van verkeersdeelnemers, zoals fietsende scholieren. Voor zover eisers daarmee willen stellen dat daardoor verkeersonveilige situaties kunnen ontstaan, is dat een kwestie van handhaving van de verkeersregels. Dat is niet een belang dat het college had hoeven mee te nemen in de besluitvorming, nu dit geen ruimtelijk argument is.

De rechtbank komt al met al tot het oordeel dat het college de gevolgen voor de verkeersveiligheid onvoldoende in beeld heeft gebracht. Om die reden is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd.

Alternatieven

11. Eisers voeren aan dat onvoldoende is gekeken naar alternatieven die door omwonenden zijn aangedragen. Volgens vaste rechtspraak dient het college te besluiten op de aanvraag zoals die is ingediend. Als het aangevraagde project op zichzelf aanvaardbaar is, noopt het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Hiervoor heeft de rechtbank geoordeeld dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. De rechtbank ziet aanleiding om toepassing te geven aan de zogenoemde bestuurlijke lus. De rechtbank gaat daar hierna verder op in (onder het kopje ‘Conclusie en gevolgen’). Het college zal, indien het gebruik maakt van de geboden mogelijkheid, nader moeten bezien of het aangevraagde project aanvaardbaar is en of hij de omgevingsvergunning ongewijzigd kan en wil handhaven. De rechtbank ziet hierin aanleiding om met deze tussenuitspraak nog geen oordeel te geven over deze beroepsgrond van eisers. Deze beroepsgrond laat de rechtbank dus vooralsnog onbesproken.

Conclusie en gevolgen

12. Zoals hiervoor is overwogen onder 7.2, 7.3, 10.3 en 10.4 is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb genomen. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen.

Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op de aanvraag, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit of het verbinden van voorschriften aan de vergunning. Om het gebrek te herstellen, moet het college motiveren waarom het gerealiseerde parkeerterrein niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat voor de nabijgelegen woning en waarom het project niet leidt tot een onaanvaardbare verkeerssituatie. Daartoe zal het college de gevolgen voor het woon- en leefklimaat en de verkeerssituatie op een inzichtelijke en controleerbare manier in beeld moeten brengen. Indien het college uitgaat van een beperkt gebruik van het parkeerterrein dient het college te motiveren waarom daarmee sprake is van een aanvaardbare situatie en hoe dat wordt geborgd. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak.

Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt het college in de gelegenheid om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E. Hardenberg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?