RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verzoeker] ,
Strafrecht
Zittingsplaats Assen
parketnummer : 18-152370-23
raadkamernummer : 25-011150 en 25-011151
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
Advocaat: mr. B. Hartman, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht.
Procesverloop
Bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige strafkamer van 17 januari 2025 is verzoeker vrijgesproken in de onderhavige strafzaak.
Op 28 april 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
-
schade geleden als van ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis tot een bedrag van 11.660,-
- de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,-, te vermeerderen
in geval van een behandeling ter zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 20 mei 2025, de reactie van de advocaat van 29 mei 2025 en de reactie van de officier van justitie van 12 juni 2025, inhoudende dat het Openbaar Ministerie persisteert bij haar standpunt van 20 mei 2025.
De rechtbank heeft met toestemming van de advocaat en de officier van justitie besloten tot schriftelijke afdoening van het verzoekschrift.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Op grond van art. 533 Sv maakt verzoeker derhalve aanspraak op vergoeding van geleden schade ten gevolge van ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen nu verzoeker zijn voorarrest aan zijn eigen (proces)houding of gedrag te wijten heeft gehad. Immers, bij de politie heeft verzoeker gezwegen en hoewel hij bij de rechter-commissaris wél een verklaring heeft afgelegd, was dit geen aannemelijke en verifieerbare verklaring. Daarmee heeft verzoeker een voortvarend onderzoek (bewust) bemoeilijkt of
belemmerd en eraan bijgedragen dat de verdenking die jegens hem bestond in stand werd gelaten en de voorlopige hechtenis telkens werd verlengd.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank in de door verzoeker gekozen procespositie geen aanleiding om het verzoek af te wijzen. De schadevergoedingsrechter kan weliswaar rekening houden met de mate waarin de verzoeker zijn voorarrest aan zijn eigen (proces)houding te wijten heeft, maar dient daar terughoudend mee om te gaan met het oog op de onschuldpresumptie. In beginsel moet een verdachte de hem toekomende processuele rechten kunnen uitoefenen zonder te vrezen dat de uitoefening daarvan hem later kan worden tegengeworpen.
In het onderhavige geval heeft verzoeker zich tijdens zijn eerste twee verhoren bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen, maar op 27 juni 2023 slechts vijf dagen na zijn aanhouding heeft hij bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd, inhoudende kort gezegd dat hij niet betrokken is geweest bij het strafbare feit waarvan hij werd verdacht. Ook voor het overige heeft hij geantwoord op de vragen van de rechter-commissaris over de onderzoeksbevindingen die er op dat moment lagen. De ernstige bezwaren waren met name gebaseerd op getuigenverklaringen, die tezamen met de overige onderzoeksbevindingen uiteindelijk onvoldoende grondslag boden voor een veroordeling. Er kan dan ook niet worden gezegd dat verzoeker zijn voorarrest aan zijn eigen proceshouding heeft te wijten in die zin dat hij een verklaring had kunnen geven voor de verdenking die tegen hem bestond waardoor het oordeel over de voorlopige hechtenis mogelijk anders was uitgevallen. Het staat een verdachte vrij om te ontkennen en die proceshouding kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet aan verzoeker worden
tegengeworpen.
Verzoeker heeft van 22 juni 2023 tot 27 juni 2023 in verzekering doorgebracht en vervolgens tot en met 5 oktober 2023 in voorlopige hechtenis, waarvan 27 dagen in beperkingen. Derhalve zal het gevraagde bedrag van 11.660,- worden toegewezen.
De rechtbank zal voorts, conform de LOVS-richtlijnen, als kosten voor het indienen van het verzoekschrift, een vergoeding inclusief BTW toekennen van 340,-.
Beslissing
De rechtbank kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van 12.000,-
Deze beslissing is gegeven door mr. J. de Vroome, rechter, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van 12.000,- (zegge: twaalfduizend euro) over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting beheer derdengelden Hartman & Van Vliet Strafrechtadvocaten onder vermelding van [dossier] .