RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verzoeker] ,
Strafrecht
Locatie Assen
parketnummer : 96-006504-24
raadkamernummer : 25-024933
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
Advocaat: mr. N.D. Spijker, advocaat te Groningen.
Procesverloop
Het Openbaar Ministerie heeft op 8 juli 2025 de onderhavige strafzaak geseponeerd met als reden dat het feit inmiddels te oud was.
Op 29 september 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
-
de kosten van rechtsbijstand die door verzoeker zijn gemaakt ten gevolge van de tegen haar gevoerde strafzaak tot een bedrag van 907,50;
- de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van
340,-, te vermeerderen in geval van een behandeling ter zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 23 oktober 2025 en de reactie van de advocaat van 18 november 2025.
De rechtbank heeft met toestemming van de advocaat en het Openbaar Ministerie besloten tot een schriftelijke afdoening van het verzoekschrift.
Beoordeling
De zaak is geƫindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Dit betekent echter niet dat verzoeker zonder meer in aanmerking komt voor vergoeding van zijn kosten. Per geval dient te worden bekeken of er gronden van billijkheid (art. 534 Sv) aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen. Het gaat daarbij om de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking voor rekening van verzoeker dienen te worden gelaten dan wel dat deze geheel of gedeeltelijk door de Staat moeten worden gedragen.
Verzoeker werd kort gezegd verdacht van het veroorzaken van geluidshinder. Uit het proces-verbaal blijkt dat verbalisanten naar aanleiding van een melding van geluidsoverlast naar de woning van verzoeker zijn gegaan en hebben geconstateerd dat er tot tientallen meters afstand van de woning muziek te horen was afkomstig uit de tuin van de woning. Nadat men ervan op de hoogte raakte dat er politie aanwezig was in de straat, werd de muziek uitgezet.
Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er zowel destijds als achteraf bezien een gefundeerde verdenking tegen verzoeker bestond dat hij zich schuldig maakte aan een overtreding van de APV (te weten geluidshinder), welke verdenking ertoe heeft geleid dat verzoeker advocaatkosten heeft moeten maken. Verzoeker heeft het aan zichzelf te wijten dat deze verdenking om hem is gevallen en achteraf is niet gebleken dat die verdenking onterecht was. De argumenten van de advocaat dat verzoeker op het betreffende adres woonachtig was, hij zich aldus niet aan de situatie kon onttrekken en onduidelijk is wie zeggenschap had over het volume van de muziek maken vorenstaande niet anders. Integendeel, als bewoner van de overlast veroorzakende woning kon verzoeker juist verantwoordelijk worden gehouden voor de geluidshinder. Temeer nu de politie in het proces-verbaal beschrijft dat er in het jaar 2022 al 21 meldingen waren gedaan ter zake geluidsoverlast op het betreffende adres, er al meerdere meldingen over familie [familienaam] waren gedaan en dat er was aangezegd dat bij een volgende constatering van geluidsoverlast inbeslagname van de apparatuur zou volgen. Bovendien zou verzoeker tegen de verbalisanten hebben gezegd dat het zijn muziek was.
De rechtbank acht het gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden niet passend dat de gemaakte advocaatkosten in verband met de verdenking van het veroorzaken van geluidshinder door de Staat worden gedragen. De nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking dienen voor rekening van verzoeker te worden gelaten. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. F. Sieders, rechter, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.