RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verzoeker] ,
Strafrecht
Zittingsplaats Assen
parketnummer : 96-295063-23
raadkamernummer : 25-013464
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
Advocaat: mr. A.A. Scholtmeijer, advocaat te Heerenveen.
Procesverloop
Het Openbaar Ministerie heeft op 30 april 2025 de onderhavige strafzaak geseponeerd met als reden dat het feit inmiddels te oud was.
Op 22 mei 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
-
de kosten van rechtsbijstand die door verzoeker zijn gemaakt ten gevolge van de tegen haar gevoerde strafzaak tot een bedrag van 905,08
- de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van
340,-, te vermeerderen in geval van een behandeling ter zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift en het standpunt van de officier van justitie van 26 mei 2025.
De rechtbank heeft met toestemming van de advocaat en de officier van justitie besloten tot een schriftelijke afdoening van het verzoekschrift.
Beoordeling
De strafzaak is geƫindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Dit betekent echter niet dat verzoeker zonder meer in aanmerking komt voor vergoeding van zijn kosten. Per geval dient te worden bekeken of er gronden van billijkheid (art. 534 Sv) aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen. Het gaat daarbij om de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking voor rekening van verzoeker dienen te worden gelaten dan wel dat deze geheel of gedeeltelijk door de Staat moeten worden gedragen.
Verzoeker werd ervan verdacht dat hij een bromfiets had bestuurd terwijl hij onder invloed van amfetamine was. Uit het dossier blijkt dat verbalisant verzoeker met een hoge snelheid en al slingerend op een bromfiets zag rijden waarna hij verzoeker staande heeft gehouden en heeft onderworpen aan een speekseltest. Daaruit kwam een positieve indicatie voor verschillende verdovende middelen. Daarnaast nam verbalisant verschillende uiterlijke kenmerken bij verzoeker waar die duiden op de inname van verdovende middelen, waaronder herhaald gesnuif, bloeddoorlopen ogen en vergrote pupillen. Uit het daarna afgenomen bloedonderzoek bleek dat verzoeker 150 microgram amfetamine per liter bloed in zijn bloed had. Voorts heeft verzoeker tijdens zijn verhoor erkend in de 48 uren voorafgaande aan zijn aanhouding meerdere verdovende middelen te hebben gebruikt. Deze verdenking wordt in het verzoekschrift tot schadevergoeding bovendien niet betwist.
Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verzoeker zichzelf in een situatie heeft gebracht die ertoe zou kunnen leiden en er ook toe heeft geleid dat hij kosten heeft moeten maken in verband met rechtsbijstand. Nu verzoeker het aan zichzelf heeft te wijten dat hij deze kosten heeft moeten maken, dienen de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking voor rekening van verzoeker te worden gelaten.
Het verzoek zal worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. F. Sieders, rechter, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.