ECLI:NL:RBNNE:2025:5873

ECLI:NL:RBNNE:2025:5873

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 17-10-2025
Datum publicatie 16-02-2026
Zaaknummer LEE 24/3525
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Tussenuitspraak bestuurlijke lus

Samenvatting

Tussenuitspraak. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de vestiging van een fitnesscentrum op de bovenverdieping van een pand. Het college heeft onvoldoende onderzocht wat de ruimtelijke gevolgen zullen zijn van het contactgeluid door het gebruik van gewichten en fitnesstoestellen. De rechtbank heeft het college in de gesteld dit gebrek te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2025 in de zaak tussen

Lambeck Tweewielers B.V., uit Appingedam, eiseres

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 24/3525 en 24/3470 T

(gemachtigde: mr. P. Koeslag),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsdelta, het college

(gemachtigde: mr. I. Kadijk).

Als derde-partij neemt aan het geding deel SynVest Dutch RealEstate / B.V. te Amsterdam, vergunninghouder

(gemachtigde: mr. I.L. Haverkate).

Procesverloop

1. Vergunninghouder heeft op 27 mei 2021 een aanvraag ingediend voor het realiseren van een sportschool op de eerste verdieping van de Farmsumerweg 126b in Appingedam (hierna: het pand). Het college heeft deze vergunning met het besluit van 9 juli 2021 verleend. Met het bestreden besluit van 16 juli 2024 op de bezwaren van eiseres is het college bij de verlening van de vergunning gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft verder een verzoek om voorlopige voorziening ingesteld, dat geregistreerd is onder LEE 24/3524. Dit verzoek heeft eiseres ingetrokken, nadat vergunninghouder had toegezegd de uitkomst van deze procedure te zullen afwachten.

Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan de zijde van het college was ook F. Grond, werkzaam als geluidsdeskundige bij de Omgevingsdienst Groningen (ODG), aanwezig. Namens derde-partij is verschenen [derde] , bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

De aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend op 27 mei 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Vergunninghouder heeft op 27 mei 2021 een aanvraag gedaan voor het realiseren van een sportschool in het pand.

Eiseres exploiteert een fietsenwinkel op de benedenverdieping van het pand.

Ter plaatse gold ten tijde van het bestreden besluit, en voor zover hier relevant, het bestemmingsplan ‘Stad Appingedam’ (hierna: het bestemmingsplan). Op het pand rustte de bestemming ‘Detailhandel – 2’. Op grond van deze bestemming was een fitnesscentrum of sportschool niet toegestaan.

Op 9 juli 2021 heeft het college besloten de omgevingsvergunning te verlenen.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt. De bezwaren van eiseres zijn ter advisering voorgelegd aan de Commissie bezwaarschriften (hierna: bezwaarcommissie).

Het college heeft verweer gevoerd in bezwaar. In het verweerschrift van 14 september 2023 erkent het college dat het primaire besluit gebreken vertoont. Zo had de aanvraag niet in behandeling genomen mogen worden zonder dat een AIM-melding was gedaan. Deze melding zou inmiddels gedaan zijn, waarbij een quickscan geluid van het Noordelijk Akoestisch Adviesburo B.V. (NAA) was overgelegd. Op grond van deze quickscan had het college inmiddels ook advies gevraagd aan de Omgevingsdienst Groningen (ODG). Naar aanleiding van het advies van de ODG zijn nog aanvullende quickscans uitgevoerd door NAA en heeft de ODG aanvullend geadviseerd.

Ten aanzien van de parkeerdruk heeft het college in verweer de motivering aangevuld, waarbij het college een parkeerbalans overgelegd heeft van 27 januari 2022. Verder verwijst het college naar een – op verzoek van vergunninghouder – uitgevoerde parkeertelling door DataCount Verkeersonderzoek, die heeft plaatsgevonden van 31 januari t/m 6 februari 2022.

De bezwaarcommissie komt in het advies van 18 oktober 2023 tot de conclusie dat het primaire besluit zeer onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk gemotiveerd is, ondanks de pogingen van het college om in bezwaar de gebreken te herstellen. Op basis van de aan de bezwaarcommissie voorgelegde stukken kon, volgens de bezwaarcommissie, de vergunning inhoudelijk niet in stand blijven. Dit onder meer omdat op de hoorzitting gebleken was dat het college ten aanzien van meerdere aspecten de voorbereiding op het besluit op bezwaar nog niet had afgerond.

Het college heeft het bestreden besluit in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering. Het college heeft daartoe ook nader onderzoek gedaan en nadere adviezen gevraagd. Over brandveiligheid is op 1 mei 2024 een nader advies gevraagd aan de veiligheidsregio op grond van aanvullende stukken van vergunninghouder. Ook heeft het college, nadat vergunninghouder een aanvullend stuk had overgelegd met een omschrijving van de gewenste activiteiten, geconcludeerd dat de aanvraag ziet op een fitnesscentrum. Het college heeft daarom besloten de vergunningverlening op basis van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in stand te laten. Volgens het college was er ook geen andere reden om die afwijkbevoegdheid niet toe te passen. Het college meent dat er voor dit initiatief voldoende marktruimte en parkeerruimte aanwezig is. Ten aanzien van het geluidsaspect verwijst het college naar de adviezen van NAA en de aanpassing aan het bouwplan, waarbij de ramen in de achtergevel niet meer geopend zullen kunnen worden. Daarnaast heeft de planwetgever bij het vaststellen van het bestemmingsplan rekening gehouden met de milieusituatie van bedrijven zoals een fitnesscentrum door bedrijven tot een milieucategorie 2 – via de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid – toe te staan.

Binnenplanse afwijking

4. Eiseres stelt dat het college ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 19.5. Volgens eiseres heeft het college het initiatief ten onrechte aangemerkt als een fitnesscentrum, terwijl het eigenlijk gaat om een sportschool. Bovendien wordt, volgens eiseres, wel afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld en de milieusituatie.

Definitie bedrijfsactiviteiten

Eiseres stelt dat een fitnesscentrum een stille gelegenheid is. Om deze reden heeft een fitnesscentrum dezelfde SBI-code als een sauna of badhuis. Dit is anders in een sportschool, waar lessen worden gegeven en waar lawaai wordt gemaakt. Uit de brief van vergunninghouder van 5 maart 2024 blijkt dat er onder meer kracht- en conditietraining wordt gegeven met behulp van een begeleider en dat er groepslessen worden gegeven. Het is daarom geen fitnesscentrum, maar een sportschool. Dit blijkt ook uit de inschrijving in het handelsregister, waar het bedrijf is geregistreerd onder de SBI-code van een sportschool en uit de statuten van het bedrijf.

Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvraag zag op een fitnesscentrum en niet op een sportschool. Het college verwijst voor de uitleg van deze begrippen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 5 maart 2014, waarin de Afdeling voor de uitleg van deze begrippen gekeken heeft naar de omschrijving in het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal (hierna: de Van Dale). Op grond van die omschrijving en de omschrijving van de activiteiten in een brief van vergunninghouder van 5 maart 2024 heeft het college geconcludeerd dat het hier gaat om een fitnesscentrum, waarbij de basis van de activiteiten uitsluitend gericht is op het sporten met toestellen.

Tussen partijen is niet in geschil dat het exploiteren van een sportschool op deze locatie in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank stelt verder vast dat artikel 19.5 van het bestemmingsplan het college de mogelijkheid geeft om af te wijken van de gebruiksregels als het gaat om een bedrijf dat genoemd wordt in bijlage 3 bij het bestemmingsplan. De rechtbank constateert tot slot dat een fitnescentrum wel genoemd wordt in bijlage 3, maar een sportschool niet. Voor de vraag of het college gebruik heeft kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is dus van belang of het in dit geval gaat om een sportschool of om een fitnesscentrum.

De rechtbank is van oordeel dat het college tot de conclusie kon komen dat het hier om een fitnesscentrum gaat. Op basis van de definities uit de Van Dale ging de aanvraag om een fitnesscentrum. Die definities luiden:

fit·ness (de; v(m))

1gezondheid

2het aan zijn gezondheid werken in een fitnesscentrum

fit·ness·cen·trum (het; o; meervoud: fitnesscentrums, fitnesscentra)1inrichting voor training met behulp van toestellen

sport·school (de; v(m); meervoud: sportscholen)

1instelling waar je aan conditietraining en fitness kunt doen

2(Nederland) school voor vechtsporten

Uit deze definities blijkt dat een fitnesscentrum altijd een sportschool is, maar een sportschool niet altijd een fitnesscentrum hoeft te zijn. Uit de aanvraag en aanvullende brief van 5 maart 2024 van vergunninghouder blijkt dat er training wordt aangeboden met toestellen. Uit deze stukken blijkt ook dat er geen sportwedstrijden gehouden zullen worden, waardoor er sprake zou zijn van een grotere ruimtelijke impact. Het feit dat er groepslessen worden gehouden vindt de rechtbank niet doorslaggevend voor de bepaling of het om een sportschool of een fitnesscentrum gaat. Ook in veel fitnesscentra worden groepslessen gegeven. Wat eiseres hierover aangevoerd heeft, geeft geen aanleiding om hier anders over te denken. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een grotere ruimtelijke impact doordat er groepslessen worden gegeven.

Omdat het college terecht heeft geconcludeerd dat het hier gaat om een fitnesscentrum, heeft het college gebruik kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 19.5 van het bestemmingsplan.

Onevenredige afbreuk; geluid en straatbeeld

Eiseres stelt dat er door de komst van de sportschool sprake zal zijn van geluidsoverlast. De rapporten van NAA vertonen gebreken, onder andere omdat NAA de geluidseffecten op de tuinen buiten beschouwing had gelaten. Deze geluidseffecten zijn relevant voor de omliggende gronden. Daarom had het college moeten onderbouwen waarom het vergunde plan hieraan geen onevenredige afbreuk doet. De inpandige effecten zijn ook onvoldoende onderzocht. Alleen de inpandige geluidseffecten van muziek zijn onderzocht. De effecten van andere geluidsbronnen, zoals vallende gewichten en het contactlawaai van fitnesstoestellen zijn ten onrechte niet onderzocht. Verder gaat het rapport ervan uit dat de vloeren en wanden goed zijn afgedicht, wat niet het geval is. De vloer op de eerste verdieping heeft grote kieren, tot wel 15 centimeter. Hierdoor houdt de vloer geen geluid tegen. Het college heeft geen voorschriften opgelegd die leiden tot een beperking van (contactgeluid). Bovendien heeft het college niet onderbouwd waarom de door NAA gekozen grenswaarde van 40 db(A) wordt gehanteerd om te bepalen of geen overlast zal optreden.

Het college stelt zich op het standpunt dat het onverplicht een geluidsonderzoek heeft laten doen door de NAA, omdat dit op grond van de wet niet hoeft. Er is namelijk geen sprake van geluidgevoelige bestemmingen waarmee in het milieuspoor of het ruimtelijk spoor rekening moet worden gehouden. Om die reden was er volgens het college ook geen verplichting om een onderzoek uit te voeren naar contactgeluid. Het college stelt zich verder op het standpunt dat uit het advies van NAA voldoende blijkt waarom voor een norm van 40 dB(A) is gekozen. In het rapport wordt namelijk uitgelegd dat er geen wettelijke norm voor toetsing is en waarom de norm uit een oude richtlijn van de Rijksgebouwendienst is aangehouden als richtwaarde. Het college stelt zich tot slot op het standpunt dat met behulp van de systematiek voor geluid uit de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” geconcludeerd is dat er geen onevenredige geluidhinder te verwachten is voor omliggende woonpercelen, omdat de richtafstand uit de brochure van 30 meter tussen het fitnesscentrum en de woningen aangehouden kan worden.

De rechtbank overweegt dat het college de vergunning verleend heeft op grond van een binnenplanse afwijking. Daarbij moest het college ook beoordelen of het aangevraagde in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Dat er geen wettelijke normen gelden, doet hier niet aan af. Ook de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid vereist dat het college beoordeelt of geen onevenredige afbreuk aan de milieusituatie wordt gedaan door verlening van de omgevingsvergunning. Het college had daarom moeten beoordelen of het geluid zodanig was dat dit strijd met een goede ruimtelijke ordening opleverde, of onevenredige afbreuk deed aan de milieusituatie, waaronder geluid.

Ten aanzien van het geluid afkomstig van muziek is de rechtbank van oordeel dat het college voldoende gemotiveerd heeft dat er geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van de milieusituatie door de afgespeelde muziek in het fitnesscentrum. Het college heeft daartoe meerdere onderzoeken laten uitvoeren door NAA, waaruit blijkt dat – na eventuele aanpassingen – aan de geldende normen voor geluid kan worden voldaan. De norm die gekozen is om te bepalen of inpandig geen onevenredige aantasting plaatsvindt, komt de rechtbank niet onredelijk voor. Uit het advies van NAA blijkt ook waarom voor deze norm gekozen is. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom de keus voor deze norm niet passend is, bijvoorbeeld met een contra-expertise. Naar het oordeel van de rechtbank kon het college zich daarom baseren op het deskundigenadvies van NAA.

De rechtbank is echter toch van oordeel dat het college onvoldoende onderzocht heeft wat de impact van het geluid van het fitnesscentrum op de omgeving zal zijn. Het college heeft namelijk helemaal niet onderzocht wat de impact op de omgeving zal zijn van het contactgeluid, veroorzaakt door het gebruik van fitnesstoestellen en gewichten. De rechtbank is van oordeel dat dit wel had gemoeten. In het pand is momenteel detailhandel toegestaan. Ook daarvan kan contactgeluid uitgaan, maar dit betreft mogelijk heel ander geluid dan contactgeluid geproduceerd door een fitnesscentrum. In een fitnesscentrum komen dagelijks mensen trainen met gewichten en op toestellen, waardoor er structureel en stelselmatig contactgeluid aanwezig is. In de geluidrapporten wordt opgemerkt dat de vloer een goede geluidsisolatie heeft, maar de geluidsdeskundige van de ODG heeft ter zitting verklaard dat deze onderzoeken zagen op luchtgeluid en dat dit niet betekent dat de vloer ook een goede geluidsisolatie heeft voor contactgeluid.

Nu het college niet onderzocht heeft wat de impact van het contactgeluid zal zijn, is onvoldoende onderzocht of er sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening en zijn de bestreden besluiten op dit punt ook niet deugdelijk gemotiveerd. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt daarom.

Ten aanzien van eiseres’ beroep op de aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld, stelt het college terecht dat er geen sprake is van een wijziging van de bebouwing en dat het risico op overlast en diefstal geen ruimtelijk belang is. Deze grond van eiseres slaagt daarom niet.

Parkeerdruk

5. Eiseres stelt dat de woonboulevard goed bezocht wordt en dat op dit moment al regelmatig sprake is van parkeerproblematiek. Er is niet aangetoond dat er ruimte is voor 65 tot 80 parkeerplaatsen, die op basis van de CROW-normen nodig zijn voor een sportschool met een oppervlak van 1.500 m2. De door het college gehanteerde parkeeronderzoeken zijn bovendien niet representatief omdat ten tijde van de tellingen een lockdown gold in verband met corona-maatregelen (van 19 december 2021 t/m 25 februari 2021). De tellingen van 21 januari 2022 zijn daarom niet representatief voor de verkeersdrukte. Het had op de weg gelegen van het college om deze onderzoeken te actualiseren. Nu het college dit nagelaten heeft, is het besluit onzorgvuldig voorbereid, aldus eiseres.

Het college stelt zich op het standpunt dat er voldoende parkeergelegenheid overblijft, ook na de komst van een fitnesscentrum. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft het college bij het verweerschrift een nader advies overgelegd van de verkeerskundigen van de gemeente. Hieruit blijkt dat op het parkeerterrein, als de sportschool wordt gerealiseerd, nog een capaciteit overblijft van 74 parkeerplaatsen op het drukste moment. Dit komt ook overeen met de verkeerstellingen die vergunninghouder heeft laten uitvoeren.

De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende gemotiveerd heeft dat er genoeg parkeerplaatsen zullen zijn, ook na realisatie van het fitnesscentrum. Het college heeft daartoe een advies overgelegd van de verkeerskundigen van de gemeente, dat door eiseres niet betwist is. Ook uit feitelijke tellingen, overgelegd door vergunninghouder, blijkt dat er meer dan genoeg parkeerplaatsen overblijven na de komst van het fitnesscentrum. Eiseres heeft bovendien ter zitting uitgelegd dat zij wil dat er parkeerplaatsen bij haar voor de deur beschikbaar blijven en dat naar haar mening beoordeeld moet worden wat de komst van een fitnesscentrum betekent voor dit deel van het parkeerterrein. Deze stelling van eiseres kan de rechtbank niet volgen. Het woonplein waar het pand aan ligt, heeft een groot parkeerterrein, waar ruim 400 plaatsen beschikbaar zijn voor bezoekers van het woonplein. Dat een bezoeker van een winkel/bedrijf op het woonplein niet direct voor de deur kan parkeren, betekent niet dat er niet voldoende parkeerplaatsen zijn. Het parkeerterrein is niet zodanig groot dat een bezoeker die de auto iets verderop op het terrein moet parkeren, onredelijk ver moet lopen om de bestemming te bereiken. Het college heeft dan ook, bij de beoordeling van de parkeerdruk, de parkeerruimte op het hele parkeerterrein mogen betrekken en heeft op die basis kunnen concluderen dat er voldoende ruimte beschikbaar blijft.

Brandveiligheid

6. Eiseres stelt dat de sportschool niet voldoet aan de eisen op het gebied van brandveiligheid. De gemeente heeft kennelijk zelf een ‘aanvulling brandveiligheidseisen’ naar de veiligheidsregio gestuurd, maar deze aanvulling overtuigt niet. Een vluchtroute moet zonder belemmeringen leiden naar een veilige plek en niet naar een ‘verzamelplaats’ naast het gebouw, dat wellicht volledig in brand staat. De veiligheidsregio keurt het plan niet goed, maar stelt slechts dat er geen aanvullingen meer zijn met betrekking tot de aanvraag, zo schrijft eiseres.

Het college verwijst naar een bij het verweerschrift gevoegd aanvullend advies van de VRG Brandweer Groningen. Dit advies is gebaseerd op een gewijzigd brandveiligheidsrapport en bouwtekening dat door vergunninghouder is aangeleverd. Op grond hiervan heeft de VRG geadviseerd om het brandveiligheidsplan te verduidelijken. Het college verzoekt de rechtbank om het gebrek te mogen herstellen via een bestuurlijke lus.

De rechtbank overweegt dat de norm in het Bouwbesluit 2012, die betrekking heeft op eisen aan vluchtroutes, ertoe strekt dat men veilig kan vluchten uit een gebouw. Deze norm beoogt niet het belang van eiseres als eigenaar van het onderliggende pand te beschermen, behalve wanneer haar vluchtroutes belemmerd zouden worden door de manier waarop de vluchtroutes van vergunninghouder zijn georganiseerd. Eiseres heeft niet gesteld dat dit het geval is. De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Dat is het zogenoemde relativiteitsvereiste. Dit vereiste brengt met zich mee dat deze beroepsgrond van eiseres niet slaagt.

Schending hoorplicht

7. Eiseres stelt dat het college haar ten onrechte niet meer heeft gehoord na nieuwe feiten en omstandigheden, wat in strijd zou zijn met de wettelijke verplichting die daartoe bestaat uit artikel 7:9 van de Awb. Op basis van de brief van vergunninghouder van 5 maart 2024 heeft het college de grondslag voor vergunningverlening gekozen. Ook het voldoen aan de geluidnormen wordt gebaseerd op deze brief. Ditzelfde geldt voor het advies van de veiligheidsregio. Over al deze documenten heeft eiseres zich niet uit kunnen laten, voordat een besluit werd genomen.

Het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van nieuwe feiten of omstandigheden op basis waarvan eiseres opnieuw gehoord had moeten worden. In de bezwaarfase is het college er al van uitgegaan dat de vergunning verleend kon worden voor een fitnesscentrum in plaats van voor een sportschool. De eisen ten aanzien van geluid en brandveiligheid zijn wettelijke normen. Het opnieuw horen had daarom geen toegevoegde waarde.

De rechtbank overweegt dat, als er na de hoorzitting feiten bekend worden die dienen ter ondersteuning van een standpunt dat al eerder door het college is ingenomen, het college niet opnieuw hoeft te horen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van die situatie. Het college is in het bestreden besluit niet van standpunt gewijzigd en heeft de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten. De brief van vergunninghouder en het nadere advies van de veiligheidsregio dienden slechts ter ondersteuning van dit standpunt. Het college was dan ook niet gehouden om eiseres opnieuw te horen.

Melding activiteitenbesluit

8. Eiseres stelt dat de melding activiteitenbesluit pas gedaan is na het nemen van het primaire besluit. Dat is in strijd met artikel 8.41a van de Wet milieubeheer (Wm) en behandeling van de aanvraag had dus niet mogen doorgaan. Dit gebrek kan niet gepasseerd worden met artikel 6:22 van de Awb, omdat eiseres benadeeld is. Als de melding tijdig was gedaan, was het besluit wellicht niet genomen of zorgvuldiger tot stand gekomen.

Op grond van artikel 7:11 van de Awb moet het college in bezwaar het primaire besluit volledig heroverwegen. Omdat het bezwaar deze functie heeft, kan het college gebreken in het primaire besluit ook herstellen. Dit is wat het college gedaan heeft door vergunninghouder alsnog een melding te laten doen en deze melding ook te beoordelen. Daarmee heeft het college het gebrek in het primaire besluit naar het oordeel van de rechtbank hersteld en is er geen aanleiding om een gebrek te passeren.

Welstandsadvies

9. Eiseres stelt dat het welstandsadvies verouderd is, omdat in het advies nog uitgegaan wordt van draaikiepramen. Deze worden echter niet meer gerealiseerd. Het welstandsadvies geeft daarnaast aan dat er geen reclame-uitingen worden aangevraagd, zodat het welstandsadvies daar niet op ziet. Dit is onjuist, omdat het welstandsadvies betrekking moet hebben op de ruimtelijke uitstraling die wordt beoogd. Dat zal inclusief reclame-uiting zijn. Ten onrechte gaat het advies daar dan ook niet op in.

De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding was om een nieuw welstandsadvies te vragen. Zoals het college terecht stelt, verandert het uiterlijk van het gebouw niet ten opzichte van de eerder aangevraagde draaikiepramen doordat de ramen niet geopend kunnen worden. Ook stelt het college zich terecht op het standpunt dat eventuele reclame-uitingen niet aangevraagd zijn en dus ook niet door de welstandscommissie beoordeeld hoefden te worden. Op het moment dat vergunninghouder reclame-uitingen wil plaatsen, zal zij hiervoor een aparte aanvraag kunnen doen die dan door het college (los) beoordeeld zal moeten worden.

Conclusie en gevolgen

1. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Dan doet de rechtbank een tussenuitspraak. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het college onderzoeken wat de impact zal zijn van het contactgeluid van de toestellen en gewichten, die gebruikt worden in het fitnesscentrum en zal het college moeten onderbouwen waarom dit geluid niet leidt tot strijd met een goede ruimtelijke ordening of een onevenredige aantasting van de milieusituatie. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

2. Het college moet op grond van de wet én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

3. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013.

4. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?