RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3470
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsdelta, het college
(gemachtigde: mr. I. Kadijk).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: SynVest Dutch RealEstate / B.V. uit Amsterdam, vergunninghouder
(gemachtigde: mr. I.L. Haverkate).
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een sportschool in Appingedam. Eiser is het niet eens met de verlening van de vergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning voor een fitnesscentrum heeft kunnen verlenen. Dat heeft het college kunnen doen op grond van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. De overige gronden die eiser aanvoert, kunnen niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden, omdat de normen waar eiser zich op beroept niet bedoeld zijn voor de bescherming van zijn belangen. Eisers beroep strandt, voor die gronden, op het zogenoemde relativiteitsbeginsel. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghouder heeft op 27 mei 2021 een aanvraag ingediend voor het realiseren van een sportschool op de eerste verdieping van de Farmsumerweg 126b in Appingedam (hierna: het pand). Het college heeft deze vergunning met het besluit van 9 juli 2021 verleend. Met het bestreden besluit van 9 juli 2024 is het college bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college, [derde] namens vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder. Daarnaast was aan de zijde van het college F. Grond, geluidsdeskundige bij de Omgevingsdienst Groningen (ODG), aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend op 27 mei 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Vergunninghouder heeft op 27 mei 2021 een aanvraag gedaan voor het realiseren van een sportschool in het pand.
Eiser is mede-eigenaar van een sportschool, gevestigd in Delfzijl.
Ter plaatse gold ten tijde van het bestreden besluit, en voor zover hier relevant, het bestemmingsplan ‘Stad Appingedam’ (hierna: het bestemmingsplan). Op het pand rustte de bestemming ‘Detailhandel – 2’. Op grond van deze bestemming was een fitnesscentrum of sportschool niet toegestaan.
Op 9 juli 2021 heeft het college besloten de omgevingsvergunning te verlenen.
Eiser heeft bezwaar gemaakt, samen met enkele omwonenden. De bezwaren zijn voor advies voorgelegd aan de Commissie bezwaarschriften (hierna: bezwaarcommissie).
De bezwaarcommissie komt in het advies van 18 oktober 2023 tot de conclusie dat het primaire besluit zeer onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk gemotiveerd is, ondanks de pogingen van het college om in bezwaar de gebreken te herstellen. Volgens de bezwaarcommissie kon de vergunning inhoudelijk niet in stand blijven op basis van de voorgelegde stukken. Dit onder meer omdat op de hoorzitting gebleken was dat het college ten aanzien van meerdere aspecten de voorbereiding op het besluit op bezwaar nog niet had afgerond.
Het college heeft het bestreden besluit in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering. Het college heeft daartoe ook nader onderzoek gedaan en nadere adviezen gevraagd. Over brandveiligheid is op 1 mei 2024 een nader advies gevraagd aan de veiligheidsregio op grond van aanvullende stukken van vergunninghouder. Ook heeft het college, nadat vergunninghouder een aanvullend stuk had overgelegd met een omschrijving van de gewenste activiteiten, geconcludeerd dat de aanvraag ziet op een fitnesscentrum (in plaats van een sportschool). Het college heeft daarom besloten de vergunningverlening op basis van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in stand te laten. Volgens het college was er ook geen andere reden om die afwijkbevoegdheid niet toe te passen. Het college meent dat er voor dit initiatief voldoende marktruimte en parkeerruimte aanwezig is. Ten aanzien van het geluidsaspect verwijst het college naar de adviezen van NAA en de aanpassing aan het bouwplan, waarbij de ramen in de achtergevel niet meer geopend zullen kunnen worden. Daarnaast heeft de planwetgever bij het vaststellen van het bestemmingsplan rekening gehouden met de milieusituatie van bedrijven zoals een fitnesscentrum door bedrijven tot een milieucategorie 2 – via de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid – toe te staan.
Beroep eiser
5. Eiser heeft als natuurlijk persoon beroep ingesteld bij de rechtbank. Maar de rechtbank begrijpt uit de gronden die eiser heeft aangevoerd en uit wat hij hierover op zitting heeft verklaard dat het eisers bedoeling was om beroep in te stellen namens Sportcentrum Dijkman B.V., waarvan hij mede-eigenaar is. De rechtbank zal het beroep daarom zo behandelen.
Procedureel
6. Eiser stelt dat het college ten onrechte in bezwaar de vergunning in stand heeft gelaten. Het advies van de bezwaarcommissie was duidelijk. De vergunning had ingetrokken moeten worden. In plaats daarvan heeft het college geprobeerd recht te praten wat krom is. Daarbij heeft het college bovendien gebruikgemaakt van onderzoeken en rapporten die door de aanvrager en/of op de locatie van de aanvraag zijn uitgevoerd. Met het aanbod aan het college om op een vergelijkbare locatie te komen kijken, heeft het college niets gedaan en het college heeft ook niet op een andere manier de moeite genomen om een en ander te verifiëren in de regio. In het verweerschrift schetst het college een onrealistisch beeld van het aantal bezoekers, parkeren, geluid en marktruimte. Het college is hierbij niet objectief gebleven, volgens eiser.
De rechtbank overweegt dat het college in bezwaar een volledige heroverweging moet maken. Daarbij kan het college het advies van de bezwaarcommissie volgen, maar het college kan hier ook (gemotiveerd) van afwijken. Ook kan het college de heroverweging gebruiken om gebreken in het besluit te herstellen. Het college mag zich daarbij baseren op deskundigenadviezen, als het college gecontroleerd heeft of de adviezen op juiste wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies in het advies kloppen op basis van wat in de rest van het advies is opgenomen. Dit is de zogenaamde vergewisplicht. Als het college zich ervan vergewist heeft dat het advies juist is, mag het college voor de motivering van het besluit verwijzen naar dit advies. Eiser heeft niet gesteld dat de adviezen op onjuiste wijze tot stand zijn gekomen of dat deze adviezen niet kloppen. Naar het oordeel van de rechtbank kon het college zich dan ook baseren op deze adviezen. Het college was ook niet verplicht om op een vergelijkbare locatie te komen kijken, voordat het college het bestreden besluit nam.
Binnenplanse afwijking
7. Eiser stelt dat het college ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 19.5. Volgens eiser heeft het college het initiatief ten onrechte aangemerkt als een fitnesscentrum, terwijl het eigenlijk gaat om een sportschool.
Eiser meent dat een bedrijf niet alleen als sportschool moet worden aangemerkt, wanneer er vechtsporten worden gegeven, maar dat het aantal bezoekers ook van belang is. De sportschool hoort bij een grotere keten. Op alle andere locaties van deze keten worden veel groepslessen aangeboden, waarbij grotere groepen mensen gelijktijdig in- en uitstromen. Ook op deze locatie is er sprake van een groepslesruimte, aanbod van groepslessen, small group-training enzovoort. Dit brengt extra druk met zich mee voor wat betreft het aantal mensen in het gebouw, parkeren en geluid.
Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvraag zag op een fitnesscentrum en niet op een sportschool. Het college verwijst voor de uitleg van deze begrippen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), waarin de Afdeling voor de uitleg van deze begrippen gekeken heeft naar de omschrijving in het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal (hierna: de Van Dale). Op grond van die omschrijving en de omschrijving van de activiteiten in een brief van vergunninghouder van 5 maart 2024 heeft het college geconcludeerd dat het hier gaat om een fitnesscentrum, waarbij de basis van de activiteiten uitsluitend gericht is op het sporten met toestellen.
Tussen partijen is niet in geschil dat het exploiteren van een sportschool op deze locatie in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank stelt verder vast dat artikel 19.5 van het bestemmingsplan het college de mogelijkheid geeft om af te wijken van de gebruiksregels als het gaat om een bedrijf dat genoemd wordt in bijlage 3 bij het bestemmingsplan. De rechtbank constateert tot slot dat een fitnescentrum wel genoemd wordt in bijlage 3, maar een sportschool niet. Voor de vraag of het college gebruik heeft kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is dus van belang of het in dit geval gaat om een sportschool of om een fitnesscentrum.
De rechtbank is van oordeel dat het college tot de conclusie kon komen dat het hier om een fitnesscentrum gaat. Op basis van de definities uit de Van Dale ging de aanvraag om een fitnesscentrum. Die definities luiden:
fit·ness (de; v(m))
1gezondheid
2het aan zijn gezondheid werken in een fitnesscentrum
fit·ness·cen·trum (het; o; meervoud: fitnesscentrums, fitnesscentra)1inrichting voor training met behulp van toestellen
sport·school (de; v(m); meervoud: sportscholen)
1instelling waar je aan conditietraining en fitness kunt doen
2(Nederland) school voor vechtsporten
Uit deze definities blijkt dat een fitnesscentrum altijd een sportschool is, maar een sportschool niet altijd een fitnesscentrum hoeft te zijn. Uit de aanvraag en aanvullende brief van 5 maart 2024 van vergunninghouder blijkt dat er training wordt aangeboden met toestellen. Uit deze stukken blijkt ook dat er geen sportwedstrijden gehouden zullen worden, waardoor er sprake zou zijn van een grotere ruimtelijke impact. Het feit dat er groepslessen worden gehouden vindt de rechtbank niet doorslaggevend voor de bepaling of het om een sportschool of een fitnesscentrum gaat. Ook in veel fitnesscentra worden groepslessen gegeven. Wat eiser hierover aangevoerd heeft, geeft geen aanleiding om hier anders over te denken. Zoals vergunninghouder ter zitting terecht heeft opgemerkt, maakt het voor het aantal mensen dat naar het fitnesscentrum toe komt geen verschil of mensen individueel komen sporten of in groepsverband. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat, doordat er groepslessen worden gegeven, sprake is van een grotere ruimtelijke impact.
Omdat het college terecht heeft geconcludeerd dat het hier gaat om een fitnesscentrum, heeft het college gebruik kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 19.5 van het bestemmingsplan.
Geluid
8. Eiser stelt dat onvoldoende onderzocht is wat voor geluidsoverlast zal ontstaan door de komst van het fitnesscentrum. Zo is bijvoorbeeld niet onderzocht wat de te plaatsen ventilatie aan de buitenkant zal betekenen en wat voor geluid dit mee zal brengen..
De rechtbank overweegt dat artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Dit is het zogenoemde relativiteitsvereiste. Eiser beroept zich op geluidsoverlast, maar het bedrijf van eiser is op ruim 500 meter van het pand gelegen. Op die afstand is de rechtbank van oordeel dat eiser geen overlast kan ervaren van het geluid. De normen ter bescherming tegen geluidsoverlast strekken daarom in dit geval niet tot de bescherming van eisers belang. Eisers beroepsgrond strandt dus omdat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste.
Parkeren
9. Eiser stelt verder dat in de (theoretische) bepaling van de potentiële parkeerdruk enkele misvattingen zitten. De gemiddelde sportschoolbezoeker bezoekt de locatie langer dan winkelend publiek. In de praktijk blijkt dit gemiddeld 1,5 uur te zijn. Dat betekent dat er overlap is tussen de tijdvakken, met als gevolg veel meer parkeerdruk. Als eiser het vergelijkt met de parkeerdruk bij zijn eigen sportschool, dan ligt de parkeerdruk veel hoger. Als voorbeeld noemt eiser de parkeerdruk op 26 juli 2024 om 9:54 uur, een vrijdagochtend in de zomervakantie. Op dat moment waren er 32 auto’s geparkeerd plus de bezoekers die buiten het terrein geparkeerd hadden. Op drukkere momenten kan dat oplopen tot wel 50 bezoekers.
Ook ten aanzien van de parkeerdruk geldt dat deze normen niet geschreven zijn ter bescherming van eisers belangen. De parkeerdruk op het parkeerterrein heeft naar het oordeel van de rechtbank geen effect op de parkeerdruk bij eisers onderneming, omdat deze op 500 meter afstand van het woonplein is gevestigd. Eisers beroepsgrond strandt daarom ook hier op het relativiteitsvereiste.
Marktruimte
10. Eiser stelt tenslotte nog dat het college zich ten onrechte op landelijke cijfers baseert om te bepalen of er voldoende marktruimte is voor een sportschool. Deze cijfers moeten gecorrigeerd worden naar de regio. Daarnaast heeft het college ten onrechte alleen sportscholen meegenomen in de markt, terwijl alle aanbieders in deze markt meegenomen hadden moeten worden (bijvoorbeeld ook revalidatiecentra).
Het college moest bij het nemen van het bestreden besluit rekening houden met een goede ruimtelijke ordening. Het college stelt zich op het standpunt dat het belang van een bedrijf om gevrijwaard te blijven van concurrentie geen ruimtelijk belang is. De norm van de goede ruimtelijke ordening omvat wel het aspect van een goed ondernemersklimaat. In dit verband kunnen gronden aangevoerd worden over leegstand in de omgeving van het bedrijf van eiser, als zich daar een grote concurrent vestigt, wat leidt tot een vermindering van het aantal klanten en daarmee samenhangende daling van omzet en inkomsten of een onaanvaardbare verkeerssituatie, die alle van invloed zijn op het ondernemersklimaat. De stap naar het ondernemersklimaat moet echter wel gemaakt kunnen worden. Het college is in dat kader van mening dat er geen strijd is met een goede ruimtelijke ordening omdat uit onderzoeken blijkt dat er geen sprake is van een verzadigde markt in dit gebied.
Uit vaste rechtspraak volgt dat eiser alleen een beroep kan doen op de materiële norm van een goede ruimtelijke ordening, als hij aannemelijk kan maken dat de komst van het fitnesscentrum voor eiser tot relevante (structurele) leegstand leidt. Voor het aannemen van voor een concurrent relevante leegstand als hiervoor bedoeld, is onvoldoende dat de voorziene ontwikkeling leidt of kan leiden tot een verminderde vraag naar producten of diensten en daardoor tot daling van omzet en inkomsten van de eigen onderneming of de desbetreffende vestiging. Ook het enkele feit dat de voorziene ontwikkeling kan leiden tot beëindiging van de eigen bedrijfsactiviteiten ter plaatse en daardoor tot leegstand van het in gebruik zijnde bedrijfsgebouw is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat zich ruimtelijk relevante leegstand zal voordoen. Dit kan echter onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld als het bedrijfsgebouw zulke bijzondere bouwkundige of locatie-specifieke eigenschappen heeft, dat andersoortig gebruik praktisch niet kan. Verder zou relevante leegstand zich voor kunnen doen wanneer als gevolg van de voorziene ontwikkeling in de directe omgeving van het bedrijfspand van de concurrent leegstand zou ontstaan.
Eiser heeft niet aangetoond dat er sprake zal zijn van relevante leegstand. De vrees van eiser dat zijn eigen onderneming zou kunnen verdwijnen door de komst van het fitnesscentrum is hiervoor onvoldoende. Omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake zal zijn van relevante leegstand, moet de conclusie zijn dat de norm van een goede ruimtelijke ordening als genoemd in artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo, niet strekt tot de bescherming van zijn belangen. Eisers beroep strandt daarom ook voor deze grond op het relativiteitsvereiste.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Het college heeft kunnen concluderen dat de aanvraag zag op een fitnesscentrum en heeft dus gebruik kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. De gronden van eiser over geluid, parkeren en marktruimte kunnen, op grond van het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb, niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.