ECLI:NL:RBNNE:2025:5893

ECLI:NL:RBNNE:2025:5893

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 16-12-2025
Datum publicatie 02-03-2026
Zaaknummer 18-226761-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie tot een gevangenisstraf van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk. Beroep op noodweer(exces) verworpen. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, stelt de rechtbank de proeftijd op drie jaren vast en verbindt aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering voorgestelde voorwaarden. Verdachte heeft met een vuurwapen allereerst op korte afstand en in de richting van het hoofd van het slachtoffer geschoten. Vervolgens heeft hij tijdens een worsteling nogmaals een schot gelost, waarbij het slachtoffer in zijn hand is geraakt. Dat het slachtoffer het handelen van verdachte niet met de dood heeft moeten bekopen, is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte is te danken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18-226761-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 december 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 december 2025. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.A. Pots, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.D. van Essen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, op korte afstand en/of in een worsteling met een vuurwapen (revolver) in de richting van het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] in de hand is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te Leeuwarden aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door meermalen, althans eenmaal,

op korte afstand en/of in een worsteling met een vuurwapen (revolver) in de richting van het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] in de hand is geraakt;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal,

op korte afstand en/of in een worsteling met een vuurwapen (revolver) in de

richting van het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft geschoten, ten

gevolge waarvan die [slachtoffer] in de hand is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te Leeuwarden een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver van het merk Rohm, type RG180, kaliber .22 zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool

en/of munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten zes

(6) patronen en/of hulzen, kaliber .22, voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 primair en feit 2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel van aangever. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1 - poging doodslag

Uit het strafdossier en het verhandelde ter zitting volgt dat verdachte op 24 augustus 2025 in Leeuwarden op straat ruzie heeft gekregen met aangever [slachtoffer] . Tijdens die ruzie heeft verdachte een vuurwapen getrokken. Terwijl verdachte achteruit liep heeft hij op ongeveer één meter afstand op aangever geschoten, waarbij hij het vuurwapen richtte op het hoofd van aangever. Aangever is daarbij niet geraakt. Kort daarna vond op de grond een worsteling plaats tussen verdachte en aangever. Verdachte heeft tijdens deze worsteling nogmaals met het vuurwapen geschoten. Aangever is daarbij in zijn linkerhand geraakt.

De rechtbank dient te beoordelen of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag. Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat verdachte (al dan niet voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van aangever. Uit de verklaring van verdachte, noch uit andere bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van aangever. Wel is naar het oordeel van de rechtbank sprake van voorwaardelijk opzet op de dood. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier het overlijden van aangever, aanwezig is indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat verdachte de wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte tweemaal een schot heeft gelost met het vuurwapen. Voor beide schoten geldt dat verdachte daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever als gevolg daarvan zou kunnen overlijden. De rechtbank licht dit als volgt toe.

Met betrekking tot het eerste schot geldt dat verdachte op een afstand van ongeveer één meter in de richting van het hoofd van aangever heeft geschoten. Verdachte heeft verklaard dat hij aangever alleen maar wilde afschrikken met het schot en dat hij niet op het hoofd van aangever heeft gericht maar daarboven, zodat hij over het hoofd heen zou schieten. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig, omdat een waarschuwingsschot in de regel wordt gelost min of meer recht omhoog in de lucht of naar beneden richting de grond, niet richting het hoofd van een persoon die zich op zeer korte afstand van de schutter bevindt. Daarnaast volgt uit de beschrijving van de camerabeelden en de verklaring van getuige [getuige] dat verdachte wel degelijk op het hoofd van aangever heeft gericht.

De rechtbank is van oordeel dat het op korte afstand en in een dynamische situatie schieten met een vuurwapen richting het hoofd een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. Bovendien was die kans voorzienbaar voor verdachte. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een uiterst kwetsbaar deel van het menselijk lichaam betreft. Naar het oordeel van de rechtbank dient de gedraging van verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvormen aangemerkt te worden als zozeer gericht op de dood van aangever, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties dat verdachte de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij

aangever niet (bewust) heeft aanvaard, is de rechtbank niet gebleken.

Met betrekking tot het tweede schot geldt dat verdachte ook dit schot heeft gelost op zeer korte afstand en in een chaotische en onoverzichtelijke situatie, namelijk tijdens een worsteling met aangever. Onder die omstandigheden was de kans zonder meer aanmerkelijk dat de kogel terecht zou komen op een plek in het lichaam waar vitale organen zitten en een vitaal orgaan daadwerkelijk zou worden geraakt, als gevolg waarvan aangever had kunnen overlijden. Ook dit handelen van verdachte was naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van potentieel dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop willens en wetens heeft aanvaard. Van contra-indicaties dat verdachte de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij aangever niet (bewust) heeft aanvaard is de rechtbank niet gebleken. Voor zover verdachte heeft betoogd dat hij per ongeluk heeft geschoten, acht de rechtbank dit niet geloofwaardig gelet op de omstandigheid dat de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte vlak daarvoor al in de richting van het hoofd van aangever had geschoten en dat aangever over het schot tijdens de worsteling heeft verklaard dat hij zag dat verdachte met het vuurwapen schoot.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging doodslag.

Feit 2 voorhanden hebben vuurwapen en munitie

Op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het vuurwapen (een revolver) en munitie die daarin zat voorhanden heeft gehad.

Bewijsmiddelen

Feit 1

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 2 december 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik kreeg ruzie met een man. Ik herken mijzelf op de camerabeelden in het dossier. Ik had een vuurwapen bij mij, een revolver. Ik heb tweemaal geschoten met het vuurwapen, de tweede keer was tijdens een worsteling met de man. De worsteling vond op de grond plaats, nabij de gracht.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 augustus 2023, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025228238 d.d. 20 oktober 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

Plaats delict: Leeuwarden Pleegdatum/tijd: 24 augustus 2025

Ik zag dat hij hoog op mij richtte en toen schoot. Ik voelde de lucht van de kogel boven mijn hoofd. De tweede keer dat hij schoot had ik zijn hand beet waar het wapen in zat. We lagen toen op de grond. Ik zag dat hij een keer schoot terwijl we op de grond lagen. Door dit schot raakte ik gewond aan mijn linkerhand.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 augustus 2025, opgenomen op pagina 41 e.v. van het dossier van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Verdachte [verdachte] loopt achteruit achter de bossages vandaan over [adres] ter hoogte van [adres] . Verdachte [verdachte] richt hierbij zijn handen in de richting van aangever [slachtoffer] . Verdachte [verdachte] lost hierbij een schot. Dit is te zien door de rookpluim die uit het vuurwapen komt. Verdachte [verdachte] heeft het vuurwapen gericht op het hoofd van aangever [slachtoffer] .

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 24 augustus 2024, opgenomen op pagina 27 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :

Ik zag dat de negroïde man de revolver richtte op de man voor hem en dat hij de revolver op het hoofd richtte van de man. Hierna hoorde ik een harde knal en zag ik dat de negroïde man op de andere man had geschoten.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 augustus 2025, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Op dat moment zag ik dat [verdachte] een revolver vasthad in de worsteling.

Feit 2

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna onder 2 bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft

bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 24 augustus 2025 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, meermalen op korte afstand en in een worsteling met een vuurwapen (revolver) in de richting van het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten ten gevolge waarvan die [slachtoffer] in de hand is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij op 24 augustus 2025 te Leeuwarden een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver van het merk Rohm, type RG180, kaliber .22 zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten zes (6) patronen en/of hulzen, kaliber .22, voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Beroep op noodweer(exces)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op noodweer of noodweerexces toekomt. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat voor zover er al sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, verdachte meerdere keren de mogelijkheid heeft gehad om zich te onttrekken aan de situatie door de andere kant op te lopen. Dat heeft verdachte echter nagelaten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een beroep op noodweer toekomt. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte een felle ruzie zag waar aangever bij betrokken was, dat verdachte er naartoe liep en vervolgens zelf betrokken raakte bij de ruzie. Aangever was erg agressief. Om een einde te maken aan de dreigende situatie heeft verdachte een waarschuwingsschot gelost, in de hoop dat de dreigende situatie daarmee afgewend zou worden. Toen verdachte daarna probeerde weg te fietsen werd hij achterna gezeten door aangever, waarna een worsteling ontstond. In die worsteling werd het tweede schot gelost. Gelet op deze omstandigheden was er sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen. Het waarschuwingsschot van verdachte was een proportionele reactie. Het tweede schot was niet gericht op aangever, maar was het gevolg van de chaotische situatie gedurende de worsteling. Er is ook voldaan aan het vereiste van subsidiariteit; verdachte kon zich niet onttrekken, getuige de worsteling die ontstond nadat verdachte probeerde weg te fietsen.

Voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat het handelen van verdachte niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit doet verdachte een beroep op noodweerexces. Er was sprake van een hevige gemoedsbeweging. De aanval van aangever was bedreigend en er was sprake van een chaotische situatie. Het is mogelijk dat verdachte het wapen krampachtig heeft vastgehouden waardoor precisie ontbrak.

Gelet op het voorgaande heeft de raadsman de rechtbank verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De beoordeling door de rechtbank

De precieze aanloop van de ruzie tussen aangever en verdachte is onduidelijk gebleven. Aangever heeft verklaard dat hij verdachte eerder die dag was tegengekomen in de stad en dat aangever toen al agressief deed. Verdachte heeft verklaard dat hij aangever voorafgaand aan de ruzie, die s nachts plaatsvond, nooit eerder heeft gezien. Wat daar ook van zij, verdachte heeft verklaard dat hij zag dat er een ruzie gaande was waar aangever bij betrokken was, dat verdachte op de ruzie is afgegaan en dat aangever zich vervolgens tegen hem keerde waarna de ruzie tussen aangever en verdachte ontstond. Uit de omschrijving van de camerabeelden maakt de rechtbank daarnaast op dat aangever voorafgaand aan het eerste schot dat verdachte heeft gelost - meerdere malen is tegengehouden door omstanders. Meer specifiek is op de camerabeelden te zien dat in de minuut voorafgaand aan het eerste schot, aangever op enig moment wordt tegengehouden en dat verdachte vervolgens in de richting van aangever loopt met het vuurwapen al in zijn hand.

De rechtbank maakt hieruit op dat verdachte zich op meerdere momenten had kunnen onttrekken uit de ruzie, maar dat heeft nagelaten. Integendeel, hij zocht aangever actief op waardoor pogingen van omstanders om aangever en verdachte uit elkaar te houden zinloos waren, en verdachte deed dat met een vuurwapen in zijn hand.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte de confrontatie heeft gezocht en is blijven zoeken. Dit staat in de weg aan het aannemen van een noodweersituatie, ook bij een beroep op noodweerexces.1 Dat er sprake is geweest van een noodweersituatie is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweer dan wel noodweerexces wordt daarom verworpen.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair en feit 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en een voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met een proeftijd van drie jaar.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het rapport van de reclassering van 3 november 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 oktober 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich op 24 augustus 2025 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. Verdachte heeft met het vuurwapen allereerst op korte afstand en in de richting van het hoofd van het slachtoffer geschoten. Vervolgens heeft hij tijdens een worsteling nogmaals een schot gelost, waarbij het slachtoffer in zijn hand is geraakt. Dat het slachtoffer het handelen van verdachte niet met de dood heeft moeten bekopen, is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte is te danken.

De kogel in de hand van het slachtoffer moest operatief verwijderd worden. Uit het schade-onderbouwingsformulier en de toelichting ter zitting van zijn raadsvrouw blijkt dat het slachtoffer nog altijd last heeft van zijn hand en dat hij daarom is gestart met fysiotherapie. Daarnaast staat het slachtoffer op een wachtlijst voor behandeling door een psycholoog, omdat het incident een grote impact heeft gehad en hij voortdurend angstig is. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Een dergelijk incident veroorzaakt bovendien gevoelens van angst en onrust in de samenleving als geheel.

De rechtbank neemt het verdachte daarnaast kwalijk dat hij een geladen vuurwapen bij zich had in de openbare ruimte en dat hij dat vuurwapen ook daadwerkelijk heeft gebruikt. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en heeft een grote maatschappelijke impact. Het voorhanden hebben van een vuurwapen leidt gemakkelijk tot het gebruik daarvan, met alle gevolgen van dien. Door feiten als de onderhavige worden gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroot.

Persoon van de verdachte

Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het strafblad blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens onder meer geweldsdelicten en verboden wapenbezit. De eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft daarnaast gelet op het reclasseringsadvies. De reclassering concludeert dat het verdachte ontbreekt aan regelmaat en structuur in zijn leven, zoals het hebben van een zinvolle dagbesteding. Daarnaast heeft hij financiële problemen en een gering steunend/positief sociaal netwerk om zich heen. De reclassering ziet dit als risicoverhogende factoren. Uit het reclasseringsadvies blijkt echter ook dat verdachte inziet dat er op meerdere gebieden stabiliteit gecreëerd moet worden om zijn leven op de rit te krijgen en te houden. Verdachte staat open voor ondersteuning en sturing in verplicht kader. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, de gedragsinterventie Werken aan Werk, de verplichting om mee te werken aan schuldhulpverlening, een ambulante behandeling, een drugsverbod en een alcoholverbod. Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat hij openstaat voor hulp en dat hij bereid is zich aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te houden.

Op te leggen straf

Naar het oordeel van de rechtbank is een gevangenisstraf de enige passende straf, omdat de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten door een lichtere straf miskend zouden worden. De rechtbank zal - conform de eis van de officier van justitie- verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren opleggen, waarvan één jaar voorwaardelijk. De voorwaardelijke straf vormt een stok achter de deur, waarmee de rechtbank verdachte ervan probeert te weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Daarnaast maakt de voorwaardelijke straf het stellen van bijzondere voorwaarden mogelijk. Gelet op het advies van de reclassering zal de rechtbank de voorwaarden opleggen, zoals opgenomen in dit advies en het reclasseringstoezicht aan de voorwaardelijke straf koppelen. Met de officier van justitie acht de rechtbank een proeftijd van 3 jaren geboden.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.000,- ter vergoeding van materiële schade en 10.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de materiële schade toegewezen kan worden en voor wat betreft de immateriële schade gematigd dient te worden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de vordering voor wat betreft de materiële schade niet betwist, en voor wat betreft de immateriële schade gesteld dat dit gematigd dient te worden tot een bedrag van ongeveer 5.000,-.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 augustus 2025.

Naar het oordeel van de rechtbank is ook voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending een poging doodslag door tweemaal met een vuurwapen te schieten, als gevolg waarvan de benadeelde partij eenmaal is geraakt - met zich meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige psychische gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank stelt het toe te kennen bedrag conform de vordering - naar billijkheid vast op 10.000,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 augustus 2025. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de hoogte van het bedrag aansluiting gezocht bij bedragen die rechtbanken en gerechtshoven in vergelijkbare zaken hebben toegekend.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 55, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot één jaar niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Benadeelde partij

Ten aanzien van feit 1. primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 11.000,- (zegge: elfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1.000,- aan materiële schade en 10.000,-aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 90 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. R.B. Maring en mr. M.E. Joha, rechters, bijgestaan door mr. S.J. Boersma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 december 2025.

1. vgl. HR 8 juni 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK4788) en HR 15 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:2043)

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.A.M. Veenbaas
  • mr. R.B. Maring
  • mr. M.E. Joha

Griffier

  • mr. S.J. Boersma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?