ECLI:NL:RBNNE:2025:5918

ECLI:NL:RBNNE:2025:5918

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 04-03-2025
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer 11205021 \ CV EXPL 24-3780
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Deze uitspraak is niet samengevat voor publicatie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht

Pachtkamer

Zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer: 11205021 \ CV EXPL 24-3780

Vonnis van 4 maart 2025

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. A.H. van der Wal,

tegen

1. [gedaagde sub 1] ,

te [woonplaats] ,

gemachtigde: mr. A. Kroondijk,2. [gedaagde sub 2],

te [woonplaats] ,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. P. Stehouwer,3. [gedaagde sub 3],

te [woonplaats] ,

procederend in persoon,4. [gedaagde sub 4],

te [woonplaats] ,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. P. Stehouwer,5. [gedaagde sub 5],

te [woonplaats] ,

eiser in (voorwaardelijke) reconventie,gemachtigde: mr. A. Kroondijk,

6. [gedaagde sub 6],

te [woonplaats] ,

procederend in persoon,

gedaagde partijen,

gedaagden sub 2 tot en met sub 6 samen te noemen: [gedaagden sub 2 t/m sub 6] , afzonderlijk aan te duiden met hun voornamen.

1. De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 oktober 2024

- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser]

- de nadere producties van [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 1]

- de mondelinge behandeling van 16 januari 2025.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

De pachtkamer gaat uit van de navolgende, voor de beoordeling van belang zijnde feiten. De partijen zijn, op [gedaagde sub 1] na, broers en zusters van elkaar. [gedaagde sub 1] is een zoon van [gedaagde sub 5] . [eiser] en [gedaagden sub 2 t/m sub 6] zijn kinderen van de in gemeenschap van goederen gehuwde [erflater 1] (hierna: [erflater 1] ), overleden op 27 december 1995, en [erflater 2] , overleden op 18 februari 2000. De ouders hadden een agrarische bedrijf. De hoeve was gevestigd aan [adres] . Daarbij behoorde ongeveer 30 ha land.

Het bedrijf is op enig moment voortgezet door [erflater 1] en [gedaagde sub 5] . Na het overlijden van [erflater 1] hebben [gedaagde sub 5] en [eiser] de opstallen gekocht. [gedaagde sub 5] heeft het bedrijf met zijn echtgenote voortgezet. De percelen land zijn niet verdeeld.

Op 5 januari 1996 is door notaris [notaris] te [plaats] een boedelvolmacht opgesteld waarbij [eiser] aan [gedaagde sub 4] volmacht heeft gegeven:

“speciaal om hem te vertegenwoordigen terzake van de nalatenschap van de heer [erflater 1] , (…)

te dien einde vorderingen, alsmede uitkeringen, zoals van levensverzekering of pensioen, door het overlijden van de erflater opeisbaar geworden en aan de nalatenschap of aan een

of meer van de erfgenamen toekomende te innen, rekeningen bij banken, spaarbanken en girodiensten op te heffen en te doen overboeken, roerende en onroerende zaken te verkopen en te leveren op de wijze, onder de voorwaarden en tegen de prijzen welke de gevolmachtigde raadzaam zal achten, safes te openen, belastingaangiften te doen (waaronder die van het recht van successie, overgang en schenking) mede te werken tot

scheiding en deling, en voorts al datgene verder of meer te doen hetgeen terzake van een juiste afwikkeling door de gevolmachtigde raadzaam wordt geacht, alles met de macht van

substitutie.

De opsomming dezer speciale handelingen heeft niet tot strekking enige andere handeling, welke dan ook, waarvoor een boedelvolmacht in onderhandse vorm kan worden gegeven, uit te sluiten.”

Op 7 juni 1996 is een pachtovereenkomst gesloten tussen de erven [erflater 1] als verpachter en [gedaagde sub 5] als pachter met betrekking tot de hiervoor bedoelde percelen land. Het gaat blijkens de overeenkomst om de percelen kadastraal bekend gemeente Beetgum, sectie [sectie] nummers [nummer] (04.24.60 ha), [nummer] (06.45.60 ha), [nummer] (08.81.70 ha), [nummer] (01.37.10 ha), [nummer] (06.28.04 ha) en [nummer] (03.17.30 ha), totaal 30.34.34.ha).

Deze pachtovereenkomst is aangegaan voor de duur van 24 jaar, ingaande 1 januari 1996, tegen een pachtprijs van fl. 19.875,- per jaar, exclusief waterschapslasten. Artikel 2, eerste deel, van de overeenkomst luidt:

“De pachter zal de pachtprijs moeten voldoen aan en ten huize van de verpachter of op de door deze aan te wijzen bank- of girorekening in jaarlijkse termijnen bij voorafbetaling, verschijnende op 1 januari van ieder pachtjaar; voor de eerste maal derhalve op 1 januari van het eerste pachtjaar.”

De pachtovereenkomst is namens de erven [erflater 1] ondertekend door [gedaagde sub 4] . De pachtovereenkomst is bij de Grondkamer voor Friesland ingekomen op 14 juni 1996 en goedgekeurd op 6 februari 1997.

Ook na het overlijden van moeder [erflater 2] heeft er ten aanzien van de percelen geen verdeling plaatsgevonden.

[gedaagde sub 1] is na zijn studie volledig gaan werken in het bedrijf van [gedaagde sub 5] en zijn echtgenote en is in 2011 bij zijn ouders in de maatschap ingetreden.

In de loop der jaren hebben er diverse overleggen tussen de broers en zusters plaatsgevonden. Op 18 juni 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden waarbij [eiser] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 1] aanwezig waren. Daarbij is gesproken over achterstallige pacht. In vervolg hierop heeft [eiser] op 7 juli 2020 een door hem gemaakt overzicht van achterstallige pacht aan [gedaagde sub 5] gezonden.

Ook is er schriftelijke gecommuniceerd tussen [eiser] en anderen. Bij brief van 19 februari 2023 van [eiser] aan [gedaagde sub 4] heeft [eiser] , voor zover voor de beoordeling van belang, aan [gedaagde sub 4] bericht:

“(…) Langere tiid lyn (yn 2022) hasto oanjûn dat in oare boedelbehearder dyn wurk better oernimme koe. Myn foarstel dat ik it wol dwaan soe mocht net fan dy, sels al stie de rekken fan Erven [naam] frjemd genôch ek op [eiser] . Ik ha toen oanjûn dat ik myn eigen rjochten behartigje gie. (…)”

Deze brief had voor het overige de achterstand in pachtbetaling door [gedaagde sub 5] als onderwerp.

Op 25 februari 2023 heeft een overleg plaatsgevonden tussen de broers en zusters. [eiser] was daarbij niet aanwezig. Op dit overleg is de mogelijkheid tot indeplaatsstelling van [gedaagde sub 1] als pachter in plaats van [gedaagde sub 5] besproken. [eiser] had voordien aangegeven alleen mee te willen werken aan een geliberaliseerde pachtovereenkomst met [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 3] heeft tijdens dit overleg aangegeven in te stemmen met indeplaatsstelling, maar dat [eiser] daarbij betrokken zou moeten worden.

Bij ‘pachtwijzingingsovereenkomst indeplaatsstelling pacht’ van 4 april 2023 tussen de erven [erflater 1] , [gedaagde sub 5] als afgaand pachter en [gedaagde sub 1] als opkomend pachter is het navolgende bepaald:

“(…)

in aanmerking nemende:

1. Dat blijkens overeenkomst van 7 juni 1996, goedgekeurd door de Grondkamer voor Friesland op 6 februari 1997 onder nummer [nummer] , door erven de heer [erflater 1] , verpachter, aan de heer [gedaagde sub 5] , afgaand pachter, zijn verpacht enige percelen bouw- en grasland in Beetgum, kadastraal bekend gemeente Beetgum, sectie [sectie] , nummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] , ter gezamenlijke grootte van 30.34.34 hectare.

2. Voormelde pachtovereenkomst is destijds aangegaan voor de tijd van 24 jaar, ingaande 1 januari 1996 en eindigende 1 januari 2020, na afloop waarvan deze van rechtswege is

verlengd, steeds met een periode van zes jaar.

3. Dat de heer [gedaagde sub 1] , opkomend pachter, met ingang van 1 mei 2023 als pachter wenst op te gaan treden en waarbij de heer [gedaagde sub 5] , afgaand pachter, per deze dag afstand wenst te doen van zijn pachtrechten.

4. Dat de verpachter met deze indeplaatsstelling in de pachtovereenkomst per 1 mei 2023 kan instemmen.

5. Dat de voorwaarden en bepalingen van voormelde pachtovereenkomst voor het overige

ongewijzigd van kracht en waarde blijven.

verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Er is sprake van een zogenaamde reguliere pachtcontract (7: 325 BW) met pachter de heer [gedaagde sub 5] en verpachter erven de heer [erflater 1] . Het betreft de pachtovereenkomst d.d. 7 juni 1996 inzake de percelen gemeente Beetgum, sectie [sectie] , nummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] , samen groot 30.34.34 hectare, goedgekeurd door de Grondkamer voor Friesland op 6 februari 1997, nummer [nummer] (bijlage 1). Van de hiervoor genoemde percelen is Perceel gemeente Beetgum [sectie] [nummer] kadastraal vernummerd en thans kadastraal bekend gemeente Beetgum [nummer] . Eveneens is dit perceel 1 m2 kleiner geworden zodat de totaal oppervlakte in pacht 30.34.33 hectare bedraagt.

Afgaand pachter, de heer [gedaagde sub 5] voornoemd, zal per 1 mei 2023 om niet afstand doen van zijn pachtrechten.

Opkomend pachter, de heer [gedaagde sub 1] voornoemd, zal per 1 mei 2023 in alle rechten en plichten treden van de afgaand pachter en de afgaand pachter volledig vrijwaren. (…)”

Deze overeenkomst is namens de erven [eiser] ondertekend door [gedaagde sub 4] als gevolmachtigde.

Deze overeenkomst is ongewijzigd goedgekeurd door de Grondkamer Noord op 26 mei 2023.

3. Het geschil

In conventie en in voorwaardelijke reconventie

[eiser] vordert, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair

1. te verklaren voor recht dat op basis van de pachtwijzigingsovereenkomst d.d. 4 april

2023 geen geldige indeplaatsstelling van [gedaagde sub 5] door [gedaagde sub 1] heeft plaatsgehad.;

2. [gedaagde sub 1] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen

vonnis de percelen kadastraal bekend gemeente Beetgum, sectie [sectie] , nummer [nummer] ,

[nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] (thans verkleind met 1 m² en kadastraal bekend

gemeente Beetgum, sectie [sectie] [nummer] ) totaal groot 30.34.33 ha, met al het zijne en de

zijnen te ontruimen, te verlaten en ontruimd en verlaten te houden, met achterlating

van al hetgeen hem niet in eigendom toebehoort en ter algehele beschikking van

de eigenaren te stellen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-

- voor iedere dag dat [gedaagde sub 1] in gebreke blijft hieraan te voldoen;

subsidiair

3. Voor zover de indeplaatsstelling niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, maar de

oorspronkelijke pachtovereenkomst met [gedaagde sub 5] ten aanzien van de percelen

kadastraal bekend gemeente Beetgum, sectie [sectie] nummer [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en

[nummer] (thans verkleind met 1 m² en kadastraal bekend gemeente Beetgum, sectie [sectie]

[nummer] ) totaal groot 30.34.33 ha nog bestaat, deze pachtovereenkomst te ontbinden

met veroordeling van [gedaagde sub 5] om binnen 14 dagen deze percelen met al het zijne

en de zijnen te ontruimen, verlaten en ontruimd en verlaten te houden, met

achterlating van al hetgeen hem in eigendom toebehoort en ter algehele

beschikking van de eigenaren te stellen, zulks op straffe van verbeurte van een

dwangsom van € 250,-- voor iedere dag dat [gedaagde sub 5] in gebreke blijft hieraan te

voldoen;

4. [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] te veroordelen in de proceskosten.

[gedaagde sub 5] vordert in (voorwaardelijke) reconventie om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde sub 1] in zijn plaats te stellen van de pachtovereenkomst die is ingegaan op 1 januari 1996, ingekomen bij de grondkamer op 14 juni 1996 onder nummer [nummer] en goedgekeurd door de Grondkamer voor Friesland op 6 februari 1997, bende de percelen bouw- en grasland kadastraal bekend gemeente Beetgum, sectie [sectie] , nummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] , totaal groot 30.34.34 hectare, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] vorderen in reconventie, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, om een taxateur te benoemen die de waarde van de ten processe bedoelde onroerende zaken in verpachte staat taxeert;

en vervolgens:

de nalatenschappen van [erflater 1] en [erflater 2] te verdelen in dier voege dat [gedaagde sub 4] zijn aandeel in geld krijgt uitgekeerd en aan [gedaagde sub 2] worden toegescheiden landerijen ter waarde van haar aandeel, met verrekening van eventuele over- of onderbedeling met de overige deelgenoten, kosten rechtens.

Partijen hebben verweer gevoerd. Op hetgeen zij hebben aangevoerd zal hierna worden ingegaan, voor zover dat voor de beoordeling van de vorderingen van belang is.

4. De beoordeling

In conventie en in reconventie

De vordering in conventie primair onder 1 van [eiser]

De primaire vordering van [eiser] heeft betrekking op de wijzigingsovereenkomst van 4 april 2023 waarbij [gedaagde sub 1] als pachter in de plaats van [gedaagde sub 5] is gesteld. [eiser] is van mening dat deze overeenkomst niet rechtsgeldig tot stand gekomen is en daarom geen gevolgen moet hebben, althans dat de indeplaatsstelling niet heeft plaatsgevonden.

[eiser] voert in verband hiermee aan dat hij geen toestemming voor deze indeplaatsstelling had gegeven en dat [gedaagde sub 4] ten onrechte als gevolmachtigde namens hem heeft getekend.

De boedelvolmacht uit 1996 gaf hiertoe volgens hem geen grondslag, waarbij hij er op heeft gewezen dat de volmacht niet zag op moeders deel. Hij stelt daarnaast dat hij kenbaar gemaakt had dat hij niet instemde met de indeplaatsstelling en dat hij de volmacht al had ingetrokken.

De pachtkamer leidt uit hetgeen door partijen is aangevoerd af dat het bij de overige broers en zusters bekend was dat [eiser] bezwaren had tegen de indeplaatsstelling van [gedaagde sub 1] als pachter, in ieder geval op basis van de bestaande reguliere pachtovereenkomst. Het aangaan van de indeplaatsstellingsovereenkomst betreft gelet op hetgeen is bepaald in artikel 3:170 lid 3 BW een handeling waartoe de deelgenoten slechts tezamen bevoegd zijn en gelet op het standpunt van [eiser] was van een ‘tezamen’ in dit geval geen sprake.

Daarnaast had [eiser] in ieder geval in zijn brief van 19 februari 2023 (2.10 hiervoor) aan [gedaagde sub 4] bevestigd dat hij de in 1996 door hem gegeven volmacht niet meer handhaafde. [gedaagde sub 4] had daarom niet namens hem als gevolmachtigde de overeenkomst van 4 april 2023 mogen aangaan. De juiste weg zou in dit geval een vordering tot indeplaatsstelling zijn geweest, zoals die nu alsnog bij (voorwaardelijke) reconventie is ingesteld.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de overeenkomst van 4 april 2023 niet het gevolg heeft wat daarmee was beoogd. In die zin is er grondslag voor toewijzing van het onder primair 1 door [eiser] gevorderde.

De vordering primair onder 2 en de subsidiaire vordering van [eiser] en de (voorwaardelijke) vordering in reconventie van [gedaagde sub 5]

Gezien het hiervoor gegeven oordeel zal er moeten worden beslist op zowel het tweede deel van de primaire vordering van [eiser] als op de vordering in reconventie van [gedaagde sub 5] . Deze laatste vordering is als gevolg van de op de vordering in conventie van [eiser] te nemen beslissing niet langer voorwaardelijk. De pachtkamer zal deze vorderingen gezamenlijk bespreken, als eerste de vordering in reconventie tot indeplaatsstelling.

Artikel 7:363 BW biedt een pachter de mogelijkheid om een in die bepaling genoemd verwant persoon, waaronder zoals in dit geval een kind, in zijn plaats als pachter te doen stellen. Indien de verpachter daaraan niet wil meewerken kan de indeplaatsstelling aan de rechter worden gevraagd.

Voordat de pachtkamer hierover oordeelt is de volgende opmerking van belang. [eiser] stelt zich op het standpunt dat er bij het niet doorgaan van de indeplaatsstelling geen pachtrelatie meer is ten aanzien van de gemeenschappelijke percelen omdat [gedaagde sub 5] bij de overeenkomst van 4 april 2023 als pachter is teruggetreden. De pachtkamer volgt dit niet. Het terugtreden van [gedaagde sub 5] als pachter hangt onlosmakelijk samen met het aantreden van [gedaagde sub 1] . Dit volgt uit de overeenkomst, maar ook uit artikel 7:363 BW. Immers impliceert indeplaatsstelling dat de degene die tot dan toe pachter is als zodanig wegvalt. Uit het oordeel dat de overeenkomst van 4 april 2023 niet heeft geleid tot de indeplaatsstelling volgt daarom dat [gedaagde sub 5] niet als pachter is teruggetreden.

De pachtkamer is verder van oordeel dat de vordering in reconventie ontvankelijk is. De vorderingen in conventie en in reconventie van [gedaagde sub 5] hebben beide betrekking op de indeplaatsstelling en zijn daardoor met elkaar verbonden. Alle deelgenoten in de gemeenschap die door het gepachte land wordt gevormd zijn in de procedure (in conventie) betrokken en ook verschenen, evenals [gedaagde sub 1] als beoogde nieuwe pachter. [gedaagden sub 2 t/m sub 6] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de vordering in reconventie van [gedaagde sub 5] en daarop ook gereageerd, op [eiser] na instemmend. In deze situatie mogen de deelgenoten in de gemeenschap als verpachter geacht worden procedureel te zijn betrokken bij de reconventionele vordering en kan daarover inhoudelijk worden beslist.

Tijdens de mondelinge behandeling is de pachtkamer gebleken dat [gedaagde sub 5] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 6] geen bezwaar hebben tegen de indeplaatsstelling van [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 3] heeft te kennen gegeven dat hij van mening is dat [eiser] moet worden betrokken, maar hij heeft voor wat betreft zijn aandeel in de gemeenschap ook geen bezwaar tegen gerechtelijke indeplaatsstelling. De pachtkamer concludeert op grond hiervan dat alleen [eiser] bezwaar heeft tegen de door [gedaagde sub 5] gevorderde indeplaatsstelling.

[eiser] heeft geen bezwaren tegen de indeplaatsstelling voor zover het betreft de landbouwkundige achtergrond van [gedaagde sub 1] , zodat de pachtkamer daaraan verder geen woorden zal wijden. [eiser] heeft bij wijze van verweer tegen de vordering aangevoerd dat er sprake is van een niet geldig pachtcontract uit 1996, alsmede van langdurige wanprestatie bij de naleving van de pachtovereenkomst en dat [gedaagde sub 1] daarvan de hoofdschuldige is en dat er sprake is van misleidend en respectloos gedrag jegens hem.

De pachtkamer volgt het argument van [eiser] dat de pachtovereenkomst uit 1996 niet rechtsgeldig is (aangegaan) niet. De boedelvolmacht die [eiser] in 1996 heeft gegeven sluit gelet op de ruime strekking ervan het aangaan van de overeenkomst niet uit.

Afgezien daarvan geldt naar het oordeel van de pachtkamer op grond van hetgeen is aangevoerd en de overgelegde producties verder dat het voldoende aannemelijk is dat [eiser] al lang wist van deze pachtovereenkomst, alhoewel hij nu anders lijkt te stellen. De pachtovereenkomst is in het verleden onderwerp van gesprek geweest en [eiser] heeft blijkens een overgelegde productie in het jaar 2001 een overzicht van de door [gedaagde sub 5] te betalen pacht opgesteld en jarenlang zijn aandeel in de pacht heeft ontvangen. Niet is gebleken dat [eiser] zich eerder heeft verzet tegen de pachtovereenkomst en er is geen grond om de geldigheid van de overeenkomst nu alsnog ter discussie te stellen.

Voor wat betreft de gestelde wanprestatie gaat het blijkens de door [eiser] gegeven toelichting er met name om dat [gedaagde sub 5] in het verleden te weinig pacht heeft betaald. Uit hetgeen daarover door partijen naar voren is gebracht leidt de pachtkamer af dat er onduidelijkheid heeft bestaan over hetgeen er door [gedaagde sub 5] moest worden betaald, onder meer omdat er door [eiser] en [gedaagden sub 2 t/m sub 6] , vertegenwoordigd door [gedaagde sub 4] , geen jaarlijkse pachtnota’s aan [gedaagde sub 5] zijn verstrekt. Alhoewel uit artikel 2 van de pachtovereenkomst kan worden afgeleid dat [gedaagde sub 5] jaarlijks de pacht ook zonder factuur moest voldoen, is niet gebleken dat dit in het verleden voor de deelgenoten een halszaak was. Niet is althans gesteld dat [gedaagde sub 5] hierover is aangemaand. Uit onder meer hetgeen door [eiser] zelf is aangevoerd leidt de pachtkamer verder af dat de pachtbetaling, in ieder geval vanaf 2020, wel onderwerp van gesprek tussen de deelgenoten is geweest en volgens de overige deelgenoten is de achterstallige pacht naar aanleiding van dit overleg inmiddels betaald. De pachtkamer ziet gelet hierop geen aanleiding om hieraan een argument tegen de indeplaatsstelling te ontlenen, noch daargelaten dat de verplichting tot betaling van de pacht formeel op [gedaagde sub 5] als pachter rustte en niet op [gedaagde sub 1] .

Het overige bezwaar tegen [gedaagde sub 1] is door [eiser] niet heel duidelijk onderbouwd en lijkt te zijn ingegeven door de inmiddels gespannen familieverhoudingen tussen enerzijds [eiser] en anderzijds [gedaagden sub 2 t/m sub 6] en [gedaagde sub 1] . Wat daarvan verder ook zij, de pachtkamer zit hierin geen grond om de indeplaatstelling af te wijzen, mede gelet er op dat de overige deelgenoten daartegen geen bezwaar hebben.

Dit alles betekent dat de vordering van [gedaagde sub 5] zal worden toegewezen. Blijkens de vordering van [eiser] is de kadastrale aanduiding van perceel nummer [nummer] inmiddels gewijzigd in nummer [nummer] onder verkleining van de oppervlakte en de vordering zal worden toegewezen met inachtneming van die wijziging.

Uit het voorgaande volgt verder dat er geen grondslag is voor de vordering van [eiser] strekkende tot ontruiming van het gepachte door [gedaagde sub 1] , aangezien de aan dit deel van de vordering ten grondslag liggende gedachte dat er geen pachtovereenkomst met [gedaagde sub 5] meer bestond en [gedaagde sub 1] zonder recht of titel verbleef op het gepachte niet juist is. Dit deel van de vordering zal eveneens worden afgewezen.

De subsidiaire vordering van [eiser]

De subsidiaire vordering van [eiser] is er op gebaseerd dat [gedaagde sub 5] de gronden niet meer bedrijfsmatig in gebruik heeft, alsmede dat hij zich niet als goed pachter heeft gedragen door mee te werken aan de overeenkomst van 4 april 2023, terwijl hij wist dat niet alle deelgenoten daarmee instemden. De pachtkamer zal ook deze vordering afwijzen. Onweersproken is dat het agrarisch bedrijf dat gebruik maakt van het gepachte land nog - in maatschapsverband tussen [gedaagde sub 5] , zijn echtgenote en [gedaagde sub 1] - wordt uitgeoefend. Gelet op

het hiervoor gegeven oordeel over de overeenkomst van 4 april 2023 moet [gedaagde sub 5] nog geacht worden pachter te zijn en is er van het niet meer bedrijfsmatig uitoefenen van de landbouw geen sprake.

[eiser] moet verder worden nagegeven dat er bij de totstandkoming van de overeenkomst van 4 april 2023 enige vraagtekens kunnen worden gezet. Een mogelijk verwijt hieromtrent geldt echter ten aanzien van alle overige broers en zusters, met uitzondering van [gedaagde sub 3] .

Er is geen grondslag om dit verwijt eenzijdig op [gedaagde sub 5] te projecteren en hem daarmee het verwijt van het zich niet als goed pachter te hebben gedragen te maken, ook gelet er op dat [gedaagde sub 5] ook in de hoedanigheid van deelgenoot handelde. Ook deze vordering zal daarom worden afgewezen.

De vordering in reconventie van [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 2]

Deze vordering behelst de verdeling van de gemeenschap tussen [gedaagden sub 2 t/m sub 6] die nog bestaat op grond van de nalatenschap en die, zo heeft de pachtkamer begrepen, voornamelijk bestaat uit de gepachte percelen. Deze vordering behoort niet tot de bevoegdheid van de pachtkamer, maar kan op grond van artikel 1019l Rv door de pachtkamer worden behandeld.

De pachtkamer is van oordeel dat de verdelingsvordering niet een zodanige samenhang met de overige (pacht)vorderingen vertoont dat deze niet afzonderlijk, maar gezamenlijk moeten worden behandeld. De pachtkamer ziet hierin aanleiding om zich ten aanzien van deze vordering onbevoegd te verklaren en zal dit onderdeel voor verdere behandeling verwijzen naar de bevoegde kamer van de rechtbank. Ter informatie van [eiser] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 6] merkt de pachtkamer hierbij op dat zij niet zoals bij de pachtkamer zonder advocaat in die procedure kunnen optreden. Ook zullen zij griffierecht verschuldigd zijn.

Overig

Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd draagt niet bij aan de beoordeling van de vorderingen en zal daarom onbesproken blijven.

De proceskosten

In conventie en in reconventie

Gelet er op dat de vordering in conventie deels zal worden toegewezen en de vordering van [gedaagde sub 5] in reconventie zal worden toegewezen, alsmede de familieverhouding tussen de partijen, ziet de pachtkamer aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder de eigen kosten zal dragen. Voor wat betreft de vordering in reconventie van [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 2] zal de kamer van de rechtbank waarnaar de zaak zal worden verwezen te zijner tijd over de proceskosten oordelen.

Toezending grondkamer

Omdat de indeplaatsstelling de pachtovereenkomst niet wijzigt ziet de pachtkamer in het bepaalde in artikel 1019t lid 2 Rv geen aanleiding om de griffier op te dragen om afschriften van dit vonnis naar de grondkamer sturen. De pachtkamer zal dat daarom niet doen.

5. De beslissing

De pachtkamer

in conventie

verklaart voor recht dat op basis van de pachtwijzigingsovereenkomst van 4 april 2023 geen geldige indeplaatsstelling van [gedaagde sub 5] door [gedaagde sub 1] heeft plaatsgevonden;

wijst de vorderingen voor het overige af;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten zal dragen;

In reconventie

stelt [gedaagde sub 1] als pachter in de plaats van [gedaagde sub 5] bij de pachtovereenkomst die is ingegaan op 1 januari 1996, ingekomen bij de grondkamer op 14 juni 1996 onder nummer [nummer] en goedgekeurd door de Grondkamer voor Friesland op 6 februari 1997, betreffende de percelen bouw- en grasland kadastraal bekend gemeente Beetgum, sectie [sectie] , nummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] (thans nummer [nummer] ) en [nummer] , totaal (thans) groot 30.34.33 hectare;

verklaart het vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in dit deel van de reconventie in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten zal dragen;

verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de vordering van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] en verwijst deze zaak in de stand waarin deze zich bevindt voor verdere behandeling naar de rolzitting van woensdag 19 maart 2025 van de kamer van de rechtbank voor andere zaken dan kantonzaken.

Dit vonnis is gewezen door de pachtkamer, bestaande uit mr. T.K. Hoogslag, kantonrechter-voorzitter, en P. Kingma en ir. J.P. Emmens, leden, en in het openbaar uitgesproken door

mr. T.K. Hoogslag op 4 maart 2025.

c. 324

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. T.K. Hoogslag

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?