RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 11647397 \ CV EXPL 25-2015
Vonnis van 11 november 2025
in de zaak van
[eisende partij] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] B.V.,
gemachtigde: Juridisch Adviesbureau mr. A. Holtland,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam] ,
zaakdoende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A. Allersma.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 mei 2025,
- de mondelinge behandeling van 25 september 2025, waar [eisende partij] B.V., bijgestaan door mr. Holtland, en [gedaagde] , bijgestaan door mr. Allersma, zijn verschenen. Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Op 6 augustus 2022 is een koopovereenkomst tussen partijen tot stand gekomen met betrekking tot een Audi S3 Sportback. De koopprijs heeft € 26.950,00 bedragen.
[gedaagde] heeft zijn Skoda Octavia RS 245 (hierna: de Skoda), met het kenteken [kenteken] , ingeruild voor een bedrag van € 23.950,00. De af te lezen kilometerstand van de Skoda is op dat moment 96.254 geweest.
[gedaagde] heeft de Skoda laten importeren uit Duitsland. Deze is per 3 augustus 2022 voor het eerst ingeschreven in Nederland.
[eisende partij] B.V. heeft de Skoda verkocht aan de heer [naam] , die op zijn beurt de Skoda tot tweemaal toe heeft doorverkocht. Daarbij is gebleken dat de kilometerstand van de Skoda is teruggedraaid.
[naam] heeft de koopovereenkomst met [eisende partij] B.V. vanwege de teruggedraaide kilometerstand ontbonden, waarop [eisende partij] B.V. het door [naam] betaalde aankoopbedrag heeft terugbetaald.
Bij brief van 26 mei 2025 heeft [eisende partij] B.V. de buitengerechtelijke vernietiging van de koopovereenkomst ingeroepen. [gedaagde] is daarbij gesommeerd de Skoda terug te nemen en een bedrag van € 23.950,00 aan [eisende partij] B.V. te betalen. Op 23 januari 2025 heeft zij een brief van gelijke strekking gestuurd.
[gedaagde] heeft de Skoda niet teruggenomen en geen betaling aan [eisende partij] B.V. gedaan.
3. Het geschil
[eisende partij] B.V. vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 23.950,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 10 juni 2023 die zij, met het oog op de competentiegrens van de kantonrechter, heeft gematigd tot € 1.050,00.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] B.V., dan wel tot afwijzing van de vorderingen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Tussen partijen is niet in geschil dat de Skoda een teruggedraaide kilometerstand heeft. Daarmee ligt in deze procedure de vraag voor of sprake is van non-conformiteit en of [eisende partij] B.V. de koopovereenkomst om die reden mocht ontbinden, dan wel of zij de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft kunnen vernietigen met een beroep op dwaling, wat in beide gevallen volgens [eisende partij] B.V. moet leiden tot betaling van een bedrag van € 23.950,00 door [gedaagde] .
De kantonrechter zal oordelen dat [eisende partij] B.V. geen beroep op non-conformiteit toekomt omdat zij niet aan de onderzoeksplicht heeft voldaan die op haar rust. [eisende partij] B.V. heeft naar het oordeel van de kantonrechter evenmin gedwaald, zodat haar vorderingen zullen worden afgewezen. De kantonrechter licht dat als volgt toe.
[eisende partij] B.V. komt geen beroep op non-conformiteit toe
Op grond van artikel 7:17 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) moet de afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoorden. Dat is niet het geval als een zaak, gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen heeft die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten en daarmee non-conform is.
Wat de koper mag verwachten wordt ingekleurd door de (schending van de) mededelingsplicht door de verkoper en de (schending van de) onderzoeksplicht door de koper. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een schending van de onderzoeksplicht niet aan de koper kan worden tegengeworpen in het geval de verkoper de mededelingsplicht heeft geschonden. Of de mededelings- of onderzoeksplicht is geschonden, is onder meer afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de hoedanigheid van partijen bij de overeenkomst, waarbij op een professionele partij een verzwaarde onderzoeksplicht rust die zich laat rechtvaardigen door de ongelijkheid tussen een professionele partij en een consument.
[eisende partij] B.V. stelt in dat kader dat [gedaagde] de koopovereenkomst in de hoedanigheid van professionele handelaar heeft gesloten. [eisende partij] B.V. licht daarbij toe dat [gedaagde] meerdere auto’s bij haar heeft ingeruild en dat [gedaagde] ruim een jaar nadat de koopovereenkomst tot stand is gekomen een eenmanszaak op het gebied van autohandel is gestart. Voorts stelt [eisende partij] B.V. dat [gedaagde] veel kennis had van auto’s en dan met name op het gebied van het importeren van auto’s.
[gedaagde] betwist dat hij als professionele partij de overeenkomst is aangegaan en voert onweersproken aan dat hij stukadoor was in die tijd en dat hij alleen de Skoda en de auto van zijn vriendin bij [eisende partij] B.V. heeft ingeruild. Dat is onvoldoende om te kunnen spreken van een professioneel handelen, aldus [gedaagde] . De kantonrechter volgt [gedaagde] daarin en overweegt daarbij dat de omstandigheid dat [gedaagde] ruim een jaar later een eenmanszaak is gestart, evenmin tot het oordeel kan leiden dat [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst professioneel heeft gehandeld. Dat geldt ook voor de stelling dat [gedaagde] veel kennis had van auto’s en het importeren van auto’s. Het had op de weg van [eisende partij] B.V. gelegen haar stellingen nader met feiten en/of omstandigheden te onderbouwen. Dit heeft ze echter nagelaten.
Daarmee is [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter de overeenkomst aangegaan in hoedanigheid van consument, zodat op [eisende partij] B.V. als – enige – professionele partij bij de overeenkomst een verzwaarde onderzoeksplicht rust. Aan de vraag of [eisende partij] B.V. die onderzoeksplicht heeft geschonden, kan worden toegekomen nadat vaststaat dat [gedaagde] heeft voldaan aan zijn mededelingsplicht.
[gedaagde] heeft voldaan aan zijn mededelingsplicht
[eisende partij] B.V. heeft niet gesteld dat [gedaagde] bekend is geweest met de teruggedraaide kilometerstand van de Skoda. Zij heeft wel gesteld dat [gedaagde] daarmee als professionele partij bekend had moeten zijn en dat [gedaagde] de voor hem toegankelijke Duitse systemen had moeten raadplegen. De kantonrechter volgt [eisende partij] B.V. niet in haar stellingen omdat reeds is geoordeeld dat [gedaagde] geen professionele partij bij de overeenkomst is. Daarnaast heeft [gedaagde] onweersproken aangevoerd dat hij zowel bij het aankopen van de Skoda als bij het inruilen daarvan bij [eisende partij] B.V., geen Duitse systemen heeft kunnen raadplegen. Andere feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [gedaagde] bekend is geweest of bekend had behoren te zijn met de teruggedraaide kilometerstand van de Skoda, heeft [eisende partij] B.V. niet gesteld.
De kantonrechter overweegt verder dat [eisende partij] B.V. ter zitting heeft erkend dat [gedaagde] aan haar heeft medegedeeld dat de Skoda uit Duitsland is geïmporteerd. Daarmee heeft [gedaagde] voldaan aan de mededelingsplicht die op hem rust.
[eisende partij] B.V. heeft niet voldaan aan haar onderzoeksplicht
De kantonrechter heeft reeds overwogen dat op [eisende partij] B.V. een verzwaarde onderzoeksplicht rust. Nu vaststaat dat [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan, ligt de vraag voor of [eisende partij] B.V. aan haar onderzoeksplicht heeft voldaan. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter niet het geval. Hiertoe overweegt de kantonrechter als volgt.
Ter zitting heeft [eisende partij] B.V. toegelicht dat zij alleen de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW) heeft geraadpleegd. Uit het verkregen tellerrapport volgt dat de RDW ‘geen oordeel’ over de kilometerstand geeft, zodat geen aanleiding heeft bestaan voor verder onderzoek. Dat was anders geweest als de RDW het oordeel ‘niet logisch’ geeft, aldus [eisende partij] B.V.
De kantonrechter volgt [eisende partij] B.V. daarin niet. Uit de toelichting bij het tellerrapport volgt dat ‘geen oordeel’ twee oorzaken kan hebben, te weten dat het voertuig buiten Nederland geregistreerd is geweest of dat aan het voertuig iets is veranderd waardoor het een ander kenteken heeft gekregen. In beide gevallen had dat aanleiding moeten geven tot nader onderzoek. Dat geldt temeer nu vaststaat dat [eisende partij] B.V. ermee bekend is geweest dat de Skoda uit Duitsland is geïmporteerd. Die wetenschap, en de omstandigheid dat [eisende partij] B.V. zich met name toelegt op het importeren van auto’s, maakt dat zij bedacht had moeten zijn op een teruggedraaide kilometerstand, nu dit een veelvoorkomend probleem bij geïmporteerde tweedehands auto’s is.
Het is de kantonrechter niet gebleken dat [eisende partij] B.V., zoals zij heeft gesteld, geen andere onderzoeksmogelijkheden heeft gehad. In tegendeel, de kantonrechter begrijpt dat het voor [eisende partij] B.V. tamelijk eenvoudig is om het verloop van de kilometerstand bij een Duitse Skoda-dealer op te vragen, maar dat zij weloverwogen van die mogelijkheid heeft afgezien. [eisende partij] B.V. heeft ter zitting toegelicht dat een overeenkomst zoals de overeenkomst met [gedaagde] vaak binnen een ochtend tot stand komt, waarbij zij geen tijd heeft een dealer aan te schrijven over – het verloop van – de kilometerstand.
De kantonrechter overweegt dat uit de overgelegde stukken volgt dat een van de kopers die de Skoda van [naam] heeft gekocht, kennelijk binnen enkele dagen – zo niet dezelfde dag – een afschrift van de kilometerstanden heeft kunnen verkrijgen. Daarmee valt niet in te zien dat het voor [eisende partij] B.V. niet mogelijk is geweest op korte termijn uitsluitsel over het verloop van de kilometerstand te verkrijgen.
De kantonrechter oordeelt dan ook dat [eisende partij] B.V. niet heeft voldaan aan de – verzwaarde – onderzoeksplicht die op haar rust, zodat [eisende partij] B.V. geen beroep op non-conformiteit van de Skoda toekomt.
Dwaling
[eisende partij] B.V. stelt verder dat zij de overeenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd wegens dwaling. De kantonrechter is van oordeel dat [eisende partij] B.V. niet heeft gedwaald en om die reden de overeenkomst niet heeft kunnen vernietigen. Daartoe is het volgende van belang.
Op grond van artikel 6:228 lid 1 BW is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en die bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar als de dwaling (kort gezegd) te wijten is aan een mededeling van de wederpartij, dan wel het uitblijven van een mededeling die de wederpartij had behoren te doen, of wanneer beide partijen van dezelfde onjuiste veronderstelling zijn uitgegaan. Op grond van lid 2 van dit artikel kan de vernietiging niet worden gegrond op een dwaling die op grond van de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende dienen te blijven.
[gedaagde] heeft een beroep gedaan op de uitzonderingen die artikel 7:228 lid 2 BW geeft. Dit beroep slaagt naar het oordeel van de kantonrechter.
De kantonrechter heeft in het voorgaande overwogen dat [eisende partij] B.V. de onderzoeksplicht die op haar rust, heeft geschonden. Daarmee verhoudt zich niet dat [eisende partij] B.V. een beroep op dwaling toekomt, nu de dwaling een gevolg is van het schenden van de eigen onderzoeksplicht. De – mogelijke – dwaling moet om die reden voor rekening van [eisende partij] B.V. blijven. De vraag of [eisende partij] B.V. daadwerkelijk heeft gedwaald, en of zij om die reden rechtsgeldig de vernietiging van de overeenkomst heeft ingeroepen, hoeft vanwege het voorgaande niet verder te worden besproken.
Conclusie
Met het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eisende partij] B.V. haar – verzwaarde – onderzoeksplicht heeft geschonden, zodat haar geen beroep op non-conformiteit van de Skoda toekomt. [eisende partij] B.V. komt evenmin een beroep op dwaling toe, zodat zij de overeenkomst met [gedaagde] niet rechtsgeldig heeft kunnen vernietigen. Daarmee bestaat naar het oordeel van de kantonrechter geen aanleiding [gedaagde] ertoe te veroordelen het bedrag van € 23.950,00 aan [eisende partij] B.V. te voldoen, zodat de vorderingen van [eisende partij] B.V. zullen worden afgewezen.
Proceskosten
[eisende partij] B.V. is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten van de procedure veroordeeld. [gedaagde] heeft in persoon geconcludeerd voor antwoord op de rolzitting. Vervolgens heeft [gedaagde] zich tijdens de mondelinge behandeling laten bijstaan door mr. Allersma. Daarmee doet zich de situatie voor dat sprake is van een samenloop van verlet- en proceskosten. Artikel 238 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) staat er echter aan in de weg dat verletkosten worden toegekend in de situatie waarin sprake is van een gemachtigde. Omdat ten tijde van het wijzen van dit vonnis mr. Allersma als gemachtigde van [gedaagde] geldt, procedeert [gedaagde] niet (langer) in persoon. De kantonrechter zal daarom de forfaitaire proceskosten toewijzen en geen verletkosten toewijzen. Voor het verschijnen tijdens de mondelinge behandeling wordt 1 punt toegekend, zodat de proceskosten van [gedaagde] als volgt worden begroot:
- salaris gemachtigde
€
543,00
(1 punt × € 543,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
678,00
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eisende partij] B.V. af,
veroordeelt [eisende partij] B.V. in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] B.V. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Bootsma en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025.
66747