RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 267998396
zaaknummer: 11792390 BU VERZ 25-1526
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van
10 maart 2026
in de zaak van
[betrokkenne] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats] .
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘de kentekenplaat voldoet niet aan de gestelde eisen’ verricht op 20 juli 2024 op het Moleneind Zuidzijde in Drachten, gemeente Smallingerland, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 189,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 10 maart 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. P.A. Veenstra.
Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Beoordeling door de kantonrechter
Standpunten
3. Betrokkene heeft aangevoerd dat hij niet reed, maar dat het voertuig op het bewuste tijdstip op zijn eigen oprit stond, waarbij bordjes aan beide kanten staan met daarop de vermelding: “privé”. Op de zitting heeft hij aangevoerd dat wanneer het tijdstip van de overtreding vijf minuten eerder was geweest, de boete wel terecht was geweest. Hij vindt het onbegrijpelijk dat de auto al vier jaar lang op deze manier op zijn oprit stond en dat hij nog nooit een waarschuwing of een opmerking heeft gehad, terwijl het politiebureau naast zijn oprit zit. Volgens betrokkene is de verhouding met de politie moeizaam en is hij in gesprek geweest met de korpschef.
4. Door de vertegenwoordigster is aangevoerd dat zij het standpunt van de officier van justitie wil handhaven. Zij heeft de kantonrechter verzocht het beroep ongegrond te verklaren.
Overwegingen
Kan de gedraging worden vastgesteld?
5. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.
Uit de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht blijkt dat betrokkene in het betrokken voertuig reed terwijl de kentekenplaat aan de voorzijde van het voertuig niet aan de eisen voldeed. De verbalisant verklaart dat er aan de voorzijde van het voertuig een sticker was aangebracht en niet een goedgekeurde kentekenplaat. Hiervan heeft de verbalisant een foto gemaakt. Hij verklaart dat de kentekenplaat die aan de voorzijde hoort in de kofferbak van de auto lag en dat deze kentekenplaat op de foto op de grond voor de auto ligt. Deze kentekenplaat had op de auto moeten zitten. Betrokkene is staande gehouden en heeft de volgende verklaring afgelegd: “waarom bouwen jullie dingen naast mijn woning aan het politiebureau zonder vergunning. Waarom heb ik constant last van jullie koelunit op het dak. Schrijf dat maar op”.
Naast de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht, bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van 3 maart 2025. Hierin verklaart de verbalisant op ambtseed dat hij met een opvallend dienstvoertuig de poort van het politiebureau uit reed en dat betrokkene met genoemd voertuig op he Moleneind Zuidzijde reed en hem voorbijreed. De verbalisant verklaart dat hij betrokkene voorbij moest laten gaan en dat hij zag dat de kentekenplaat van het voertuig niet aan de eisen voldeed. Hierop is hij achter betrokkene aan gereden. De verbalisant verklaart dat betrokkene het voertuig achteruit op zijn oprit neerzette en uitstapte. Hij verklaart ten slotte dat hij betrokkene daadwerkelijk op de openbare weg heeft zien rijden en dat het mogelijk is dat betrokkene in diezelfde minuut het voertuig achteruit heeft ingeparkeerd op zijn oprit.
De kantonrechter overweegt allereerst dat betrokkene niet betwist dat de sticker aan de voorzijde van zijn voertuig geen officiële kentekenplaat is en daardoor niet aan de gestelde eisen voldoet. Wel betwist betrokkene de verweten gedraging in die zin, dat het niet kan dat de verbalisant hem om 09:28 uur op de openbare weg heeft zien rijden, omdat het voertuig op dat tijdstip stilstond op zijn privéterrein, zodat hij niet beboet had mogen worden. De kantonrechter volgt dit verweer niet: uit de ambtsedige verklaring van de verbalisant blijkt duidelijk dat hij zag dat betrokkene op de pleeglocatie (een openbare weg) reed, dat hij toen zag dat de kentekenplaat niet aan de gestelde eisen voldeed, hij vervolgens achter betrokkene aan is gereden en betrokkene daarna het voertuig achteruit op zijn eigen oprit neerzette en uitstapte. Nu de pleeglocatie zeer dicht bij het adres van zowel betrokkene als het politiebureau ligt, is het aannemelijk dat de genoemde handelingen door betrokkene in een minuut kunnen zijn gebeurd.
De kantonrechter vindt bovendien dat betrokkene, ongeacht het exacte tijdstip van de waarneming van de gedraging, niet in zijn verdedigingsbelangen is geschaad omdat hij wist waartegen hij zich moest verdedigen. Over het verweer dat betrokkene niet eerder op de sticker is aangesproken, overweegt de kantonrechter dat het inderdaad bizar is dat betrokkene al die tijd zo heeft kunnen rondrijden; maar het is de discretionaire bevoegdheid van een verbalisant om een boete op te leggen of dat niet te doen. Dat in andere gevallen wellicht enkel een waarschuwing wordt gegeven, betekent niet dat de betrokkene in dit geval, waarin vaststaat dat de gedraging is verricht, van een boete gevrijwaard zou moeten blijven. Tot slot overweegt de kantonrechter dat klachten over de bejegening door verbalisanten en de door betrokkene ervaren geluidsoverlast buiten de reikwijdte van deze procedure vallen. Wel vindt hij dat betrokkene er goed aan heeft gedaan om in gesprek te gaan met korpschef.
Alles overwegende stelt de kantonrechter op basis van de beschikbare informatie vast dat de gedraging is verricht. In betrokkenes verweer ziet hij geen reden om de boete te wijzigen. Die is terecht opgelegd.
Conclusie
De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Waarvan proces-verbaal,
R. de Hoop, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.