ECLI:NL:RBNNE:2026:1013

ECLI:NL:RBNNE:2026:1013

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer 11851832 \ CV EXPL 25-5098
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Bevoegdheidsincident. Hoewel het beoogde gebruik van het paard bij de koper in privé lag, is naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter geen sprake van consumentenkoop. De overeenkomst is namelijk pas tot stand gekomen nadat twee B.V.’s van de koper in het onderhandelingsproces waren betrokken, waardoor deze B.V.’s beide als partij bij de overeenkomst zijn te beschouwen. De hoofdsom is vervolgens bijna voor de helft aan deze B.V.’s gefactureerd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Groningen

Zaaknummer: 11851832 \ CV EXPL 25-5098

Vonnis van 10 maart 2026

in de zaak van

1. [eiseres sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,2. [eiseres sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,3. EQUI NOVA B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseressen in conventie, verweersters in het incident,

hierna samen te noemen: [eiseres sub 1] c.s.,

gemachtigde: mr. D. Çölkusu,

tegen

[gedaagde] ,

wonende en zaakdoende te [woon/vestigingsplaats] ,

gedaagdein conventie, eiseres in het incident,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. S.A. Wensing.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;- de incidentele conclusie houdende exceptie van bevoegdheid van de zijde van [gedaagde] ;- de conclusie van antwoord in het incident van de zijde van [eiseres sub 1] c.s.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Het geschil in de hoofdzaak en in het incident

In de hoofdzaak

[eiseres sub 1] c.s. vordert – samengevat – dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

- voor recht wordt verklaard dat [eiseres sub 1] c.s. de op of omstreeks 3 september 2024 gesloten koopovereenkomst ter zake het paard [naam] , gesloten met [gedaagde] (handelend onder de naam [gedaagde] ), bij e-mail van 4 december 2024, althans bij brief van haar advocaat van 31 januari 2025, dan wel per datum dagvaarding, rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden op grond van non-conformiteit, dan wel heeft vernietigd op grond van dwaling, althans deze overeenkomst alsnog te ontbinden dan wel vernietigen;

Subsidiair

- voor recht wordt verklaard dat [eiseres sub 1] c.s. – te weten [eiseres sub 1] in privé, Equi Nova B.V. en [eiseres sub 2] B.V. – de op of omstreeks 3 september 2024 gesloten koopovereenkomst ter zake het paard [naam] met [gedaagde] bij e-mail van 4 december 2024, althans bij brief van haar advocaat van 31 januari 2025, dan wel per datum dagvaarding, rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden op grond van non-conformiteit, dan wel heeft vernietigd op grond van dwaling, althans deze overeenkomst alsnog te ontbinden dan wel vernietigen;

Zowel primair als subsidiair

[gedaagde] wordt veroordeeld om binnen een termijn van zeven dagen na het in deze te wijzen vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiseres sub 1] c.s. te voldoen een bedrag van € 22.500,00 incl. btw, zijnde de door haar betaalde koopsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim, zijnde 4 december 2024, althans 31 januari 2025, althans de datum van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

De kantonrechter [gedaagde] gebiedt om binnen zeven dagen na restitutie van voormelde koopsom, vermeerderd met de wettelijke rente, het paard [naam] bij [eiseres sub 1] , althans [eiseres sub 1] c.s., op te halen en wederom in bezit te nemen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag, of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft met de nakoming van dit gebod;

[gedaagde] wordt veroordeeld om binnen zeven dagen na het in deze te wijzen vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres sub 1] te voldoen een bedrag van € 8.185,28 + PM, zijnde vergoeding van de door [eiseres sub 1] geleden schade als gevolg van de non-conformiteit dan wel dwaling met betrekking tot het paard [naam] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van schade, althans de datum dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

[gedaagde] wordt veroordeeld om aan [eiseres sub 1] , althans [eiseres sub 1] c.s., te voldoen een bedrag van € 1.000,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien en voor zover deze kosten niet binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis zijn voldaan;

[gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure en het nasalaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente indien en voor zover deze kosten niet binnen zeven dagen na het in deze te wijzen vonnis volledig zijn voldaan.

In het incident

[gedaagde] heeft een bevoegdheidsincident opgeworpen. [gedaagde] stelt dat de kantonrechter niet bevoegd is en verzoekt verwijzing van de procedure naar de civiele kamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. Zij voert daartoe aan dat [eiseres sub 1] c.s. niet als consument heeft te gelden zodat het niet om consumentenkoop gaat en dat de vordering daarnaast de competentiegrens van € 25.000,00 te boven gaat.

[eiseres sub 1] c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van het in incident door [gedaagde] gevorderde. [eiseres sub 1] c.s. stelt dat zij wel als consument heeft te gelden en het aldus wel om consumentenkoop gaat.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3. De beoordeling in het incident

Het geschil tussen partijen spitst zich (in het incident) toe op de vraag of de zaak moet worden verwezen naar de kamer voor handelszaken. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is en overweegt als volgt.

De kantonrechter is bevoegd om zaken te behandelen met een beloop van € 25.000,00, alsmede aardzaken zoals een consumentenkoopovereenkomst. In de hoofdzaak vordert [eiseres sub 1] c.s. (terug)betaling van een bedrag ter grootte van de koopsom ex € 22.500,00, betaling van een schadevergoeding ten bedrage van € 8.185,28 en betaling van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.000,00. Deze vorderingen hebben gezamenlijk een beloop van € 31.685,28 en overschrijden dus de competentiegrens van € 25.000,00. [eiseres sub 1] c.s. stelt dat sprake is van een consumentenkoopovereenkomst en dat daarom de kantonrechter wel bevoegd is om kennis te nemen van de zaak.

[eiseres sub 1] c.s. stelt daartoe dat zij in aanloop naar de koop heeft aangegeven dat de koop in principe privé was en privé gebruik werd beoogd, maar dat – naar aanleiding van een verzoek van [gedaagde] – de koop (voor maximaal 30%) zakelijk vorm kon worden gegeven om [gedaagde] van dienst te zijn met betrekking tot de belastingafdracht. Daarnaast voert [eiseres sub 1] c.s. aan dat het paard vanaf de levering door [eiseres sub 1] in privé werd gehouden, bereden en gefinancierd en dat zij het middels de B.V.’s betaalde deel van de aankoopsom aan de B.V.’s heeft terugbetaald. Ook voert zij aan dat de facturen niet in de boekhouding van de B.V.’s zijn verwerkt, dat door de B.V’s evenmin btw is teruggevraagd en dat de B.V.’s de betaling hebben gezien als een (met btw belaste) betaling ten behoeve van [eiseres sub 1] . Verder voert [eiseres sub 1] c.s. aan dat alle communicatie is verricht door en gericht is aan [eiseres sub 1] als natuurlijk persoon en dat daaruit ook blijkt dat de B.V.’s niet als (mede)kopers kunnen worden aangemerkt.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat onderhavige koopovereenkomst niet heeft te gelden als consumentenkoop, maar dat het een zakelijke overeenkomst betreft. Zij voert daartoe aan dat eiseressen sub 2 en sub 3 in totaal voor € 10.000,00 hebben meebetaald aan het paard, dat zij B.V.’s zijn en dat rechtspersonen nimmer als consument kunnen worden gekwalificeerd. Dat privé gebruik door [eiseres sub 1] c.s. werd beoogd, maakt niet dat de overeenkomst als consumentenkoop kan worden gekwalificeerd, aldus [gedaagde] . Tevens blijkt uit zowel de uitlatingen van [eiseres sub 1] , als de wijze van facturatie naar het standpunt van [gedaagde] dat het gaat om een zakelijke koop door [eiseres sub 1] c.s. Uit de WhatsApp-correspondentie blijkt namelijk dat [eiseres sub 1] akkoord ging met het zakelijk vormgeven van de facturatie vanwege de belastingafdracht. De helft van de aankoopsom is daarom gefactureerd aan twee B.V.’s die gelieerd zijn aan [eiseres sub 1] . Daarnaast heeft [eiseres sub 1] c.s. slechts de helft van de eigendom gekocht van [gedaagde] . De andere helft van de eigendom heeft [eiseres sub 1] c.s. gekocht van een derde, die ter zake privé heeft gehandeld.

Uit de door [eiseres sub 1] c.s. overgelegde communicatie blijkt dat het beoogde gebruik bij [eiseres sub 1] in privé lag, maar ook dat zij akkoord ging met het (deels) zakelijk vormgeven van de koop. Aangezien de overeenkomst pas tot stand is gekomen nadat de B.V.’s in het onderhandelingsproces waren betrokken, is de kantonrechter voorshands van oordeel dat de B.V.’s daarmee als partij bij de overeenkomst zijn te beschouwen. Twee facturen ad elk € 5.000,00 zijn ook gesteld op naam van de twee B.V.’s en deze zijn ook door de B.V.’s aan [gedaagde] voldaan. Daaraan doet niet af dat [eiseres sub 1] inmiddels aan beide B.V.’s € 5.000,00 heeft overgemaakt. Vast staat dat Equi Nova zich richt op het aankopen, verkopen, houden, opleiden en keuren van paarden en [eiseres sub 2] een holdingmaatschappij is. Juist omdat partijen expliciet hebben besproken of de koop privé of zakelijk zou zijn én [eiseres sub 1] zelf heeft besloten een deel van de transactie zakelijk te laten lopen, valt niet in te zien waarom [gedaagde] er van uit moest gaan dat alleen [eiseres sub 1] in privé haar contractspartij was. Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter moet er dan ook van uit worden gegaan dat ook de twee B.V.’s het paard hebben gekocht. De andere door [eiseres sub 1] c.s. aangevoerde omstandigheden, zoals dat het paard privé wordt gehouden en dat de facturen niet in de boekhouding zijn verwerkt, maken dat naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter niet anders.

[eiseres sub 1] c.s. heeft verder nog aangevoerd dat haar vordering – ook in de situatie dat geen sprake is van een consumentenkoopovereenkomst – ruim onder de competentiegrens van de civiele kamer blijft. Zij voert daartoe aan dat zij in dat geval met betrekking tot haar privédeel een bedrag van € 12.500,00 vordert en de B.V.’s ieder € 5.000,00 vorderen, zodat deze vorderingen individueel de competentiegrens niet overschrijden. [eiseres sub 1] c.s. heeft de vorderingen echter niet op die manier ingesteld. [eiseres sub 1] c.s. vordert immers betaling van de koopsom ten bedrage van € 22.500,00, een schadevergoeding ten bedrage van € 8.185,25 en de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.000,00. Door haar is ook niet gesteld, laat staan onderbouwd dat sprake is van afzonderlijke rechtsvorderingen. De kantonrechter is daarom voorlopig van oordeel dat deze vorderingen voor de bepaling van de bevoegdheid moeten worden opgeteld.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de zaak verder dient te worden behandeld en beslist door de kamer voor handelszaken. De vordering in het incident zal dan ook worden toegewezen. De kantonrechter zal de zaak in de stand waarin deze zich thans bevindt op de voet van artikel 71 lid 1 Rv ter verdere behandeling verwijzen naar de kamer voor handelszaken van deze rechtbank. Voorts zal de kantonrechter bepalen dat de zaak op de hierna te noemen rolzitting van de kamer voor handelszaken wordt ingeschreven.

[eiseres sub 1] c.s. wordt als de in het ongelijk te stellen partij veroordeeld in de proceskosten van dit incident. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot dit vonnis begroot op € 379,50 (1 punt x € 271,00 + € 108,50 aan nakosten).

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4. De beslissing

De kantonrechter

In het incident

wijst de vordering tot verwijzing naar de kamer voor handelszaken toe;

veroordeelt [eiseres sub 1] c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] tot aan dit vonnis vastgesteld op € 379,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres sub 1] c.s. niet tijdig aan het vonnis voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

In de hoofdzaak

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor handelszaken van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, op woensdag 8 april 2026 om 10.00 uur;

wijst partijen erop dat zij voor wat betreft het vervolg van de procedure slechts door tussenkomst van een advocaat proceshandelingen kunnen verrichten;

bepaalt dat [eiseres sub 1] c.s. na verwijzing een verhoogd griffierecht verschuldigd is van € 2.351,00 (griffierecht voor de kamer voor handelszaken van € 3.083,00 minus reeds betaalde griffierecht voor sector kanton van € 732,00) en dat deze verhoging binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van deze rechtbank dan wel ter griffie zijn gestort;

bepaalt dat [gedaagde] na verwijzing een griffierecht verschuldigd is van € 1.414,00 en dat het griffierecht binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie zijn gestort;

wijst partijen er, voor zover van toepassing, op dat van een persoon die onvermogend is een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:

 een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de Rechtsbijstand, dan wel

 een verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel e, van de Wet op de rechtsbijstand waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de inkomens, bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35, tweede lid, van die wet.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.

1010

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?