RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verdachte] ,
Tenlastelegging
Hervatting van het onderzoek
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-218000-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 31 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.D. van Essen.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 juli 2025 te Ter Apel in een woning, te weten [adres] , althans in een pand, opzettelijk brand heeft gesticht, door op een of meer plekken in de woning/het pand, open vuur in
aanraking te brengen met (bio-)olie, althans een brandbare en/of vluchtige stof, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten
te duchten was.
De rechtbank is na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting bij de beraadslaging tot de conclusie gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van het procesdossier en op hetgeen is verhandeld ter terechtzitting.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het feit bewezen en heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar met aftrek van de tijd dat hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ongemaximeerde maatregel terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met verpleging van overheidswege wordt opgelegd. De officier van justitie heeft verwezen naar de conclusie uit de rapportages opgesteld door de psychiater en de psycholoog. De officier van justitie ziet geen mogelijkheden tot tbs met voorwaarden.
Verdachte was in de afgelopen jaren zeer ambivalent in zijn behandelmotivatie en is afspraken onvoldoende nagekomen. Ook heeft de officier van justitie verzocht om de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM), zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat er geen sprake was van (levens)gevaar voor personen en heeft zich voor het overige ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat een tbs met voorwaarden passend is. Zij heeft de rechtbank verzocht het onderzoek ter terechtzitting te heropenen zodatde reclassering een maatregelenrapport kan opmaken. Verdachte kampt met een alcoholverslaving en kan zichzelf niet goed redden. Een opname in een kliniek met aansluitend begeleid wonen is passend voor hem. In een tbs-kliniek zijn er geen behandeldoelen voor verdachte. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat de tbs met dwangverpleging gemaximeerd dient te worden opgelegd en dat de gevangenisstraf zo beperkt mogelijk gehouden dient te worden.
Advies van de deskundigen
In het Pro Justitia onderzoek hebben de psychiater V. Rama en klinisch psycholoog B.H. Boer overwogen dat verdachte een zwakbegaafde man is met een langdurige alcoholverslaving en persoonlijkheidsproblematiek met borderline en antisociale
kenmerken. De deskundigen zijn van mening dat de problematiek van verdachte doorwerkt in de keuzes die hij maakt. Geadviseerd wordt om verdachte het ten laste gelegde verminderd toe te rekenen en om verdachte ter beschikking te stellen met verpleging van overheidswege.
Het herhalingsgevaar op gewelddadig gedrag op de langere termijn wordt als
matig-hoog ingeschat. Dit wordt met name veroorzaakt door de lage frustratietolerantie en het gebrek aan zelfcontrole van verdachte ten gevolge van zijn zucht naar alcohol.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht zich onvoldoende voorgelicht over de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ter zitting heeft verdachte aangegeven hulp te willen. Hij wil werken aan zijn verslaving binnen een kliniek en vervolgens begeleid wonen. Uit de reeds opgestelde rapportages blijkt dat verdachte eerder langere tijd, overwegend goed bij deze vorm van toezicht en structuur heeft gefunctioneerd. Gelet op de houding van de verdachte en zijn ziekte- en hulpverleningsgeschiedenis, wenst de rechtbank nader te worden voorgelicht over de voorwaarden waaronder een voorwaardelijke tbs zou kunnen worden opgelegd.
De rechtbank zal daarom de officier van justitie opdracht geven tot het laten opstellen van een maatregelenrapport.
Vorenstaande betekent niet dat reeds een voorschot wordt genomen op een nog op te leggen straf en/of maatregel, maar vloeit voort uit de behoefte van de rechtbank om alle reële afdoeningsmogelijkheden bij haar overwegingen en uiteindelijke beslissing te betrekken.
De rechtbank zal daarom het onderzoek ter terechtzitting heropenen en terstond schorsen.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank ziet geen aanleiding om de voorlopige hechtenis van verdachte ambtshalve op te heffen of te schorsen. De ernstige bezwaren en gronden die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid, zijn nog aanwezig. Ook doet het geval van artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering zich niet voor. De voorlopige hechtenis van verdachte duurt daarom voort.
Beslissing
De rechtbank:
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Nieuwenhuis, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. S. Zoer, rechters, bijgestaan door J. Kunst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 maart 2026.