[naam] , uit [woonplaats] , verzoeker.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker van 30 december 2025. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van de besluitvorming, met toekenning van een schadevoorschot. Als wederpartijen heeft verzoeker de Belastingdienst en de Raad van bestuur van het UWV genoemd.
Op 31 december 2025 heeft de griffier per e-mailbericht en per telefoon contact opgenomen met verzoeker en daarbij verzocht om toezending van het besluit of de besluiten waartegen het verzoek gericht is. Verzoeker heeft echter geen besluit ingezonden.
Bij e-mailbericht van 7 januari 2026 en bij brief van 8 januari 2026 heeft de griffier verzoeker verzocht binnen één week het besluit of de besluiten over te leggen. Verzoeker heeft hier niet op gereageerd.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen besluit heeft overgelegd waartegen het verzoek is gericht en dat hij evenmin een bezwaarschrift heeft overgelegd. Gezien artikel 8:81 van de Awb betekent dit dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is een voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
3. Daarom is de voorzieningenrechter kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: