RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van Veendam, het college
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1755
(gemachtigde: mr. B. van Dijk),
en
(gemachtigde: A. Horlings).
Deze uitspraak gaat over de medeterugvordering van eiser van de kosten van algemene en bijzondere bijstand over de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 april 2024, omdat hij volgens het college vanaf 1 januari 2018 zijn hoofdverblijf zou hebben op het uitkeringsadres van X. Eiser is het niet eens met deze medeterugvordering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college niet bevoegd was de kosten van algemene en bijzondere bijstand mede van eiser terug te vorderen. Eiser krijgt daarom gelijk en het beroep is gegrond.
Inleiding en procesverloop
1. Bij haar beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
[naam vriendin] (X) ontvangt sinds 11 maart 2013 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij woont vanaf 17 april 2014 samen met haar twee kinderen op een adres te [plaats] (uitkeringsadres). Eén van de kinderen is door eiser erkend.
Tijdens een (bestuursrechtelijk) vooronderzoek is het vermoeden ontstaan dat X en eiser vanaf 17 april 2014 een gezamenlijke huishouding met elkaar voerden, waarna door een sociaal rechercheur een opsporingsonderzoek is ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan X verleende bijstand. In dat kader is onder meer Suwinet geraadpleegd, zijn in de periode van 30 januari 2024 tot en met 28 april 2024 stelselmatige observaties bij het uitkeringsadres verricht en zijn de bankafschriften van eiser en X opgevraagd vanaf
1 januari 2018. Verder zijn eiser en X op 29 mei 2024 aangehouden in de woning van X en voorgeleid aan een hulpofficier van justitie en vervolgens door sociaal rechercheurs verhoord. Daarnaast zijn op 29 mei 2024 (voormalige) buren als getuigen verhoord. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het onderzoeksrapport van
9 juli 2024.
Met een besluit van 20 september 2024 heeft het college de algemene en bijzondere bijstand van X per 1 januari 2018 ingetrokken en de kosten van algemene bijstand over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2023 tot een bedrag van € 95.505,67 bruto van X teruggevorderd. Daarnaast heeft het college de ten onrechte betaalde algemene bijstand over de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 april 2024 tot een bedrag van € 4.878,56 netto teruggevorderd van X en de ten onrechte betaalde bijzondere bijstand over de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 april 2024 tot een bedrag van € 14.494,16 netto teruggevorderd van X. Dit is gedaan op de grond dat gebleken is dat X de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet aan het college te melden dat zij en eiser sinds 1 januari 2018 een gezamenlijke huishouding voeren.
Met een ander besluit van 20 september 2024 heeft het college de over de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 april 2024 gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand ten behoeve van X mede van eiser teruggevorderd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 17 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Met het bestreden besluit van 14 april 2025 heeft het college het bezwaar van eiser tegen de medeterugvordering ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat eiser samen met X vanaf 1 januari 2018 het hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres, en dat X ten onrechte algemene en bijzondere bijstand heeft ontvangen.
Deze kosten van bijstand worden op grond van artikel 59, tweede lid, van de PW mede van eiser teruggevorderd. Het college ziet geen aanleiding voor een dringende redenen om af te zien van (mede)terugvordering. De medeterugvordering vindt het college noodzakelijk en proportioneel. Door gebruik te maken van de woning en de faciliteiten van X, heeft eiser profijt gehad van de niet gemelde gezamenlijke huishouding. De getuigenverklaringen zijn voldoende concreet en ondersteunen de conclusie dat eiser al geruime tijd zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres van X.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026, met toestemming van partijen, gevoegd op zitting behandeld met de zaak van X met zaaknummer LEE 25/1357. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigde van het college. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In de zaak LEE 25/1357 wordt afzonderlijk uitspraak gedaan
Standpunten van partijen
2. Eiser voert aan dat het college in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom 1 januari 2018 als datum voor het moment van de terugvordering is gekozen. Eiser is van mening dat de terugvordering van de algemene en bijzondere bijstand van X niet evenredig is. Hij had geen inlichtingenplicht tegenover het college en heeft ook geen uitkering ontvangen. Eiser voert verder aan dat de medeterugvordering van algemene en bijzondere bijstand tot een bedrag van zo’n € 114.000,- niet in redelijke verhouding staat tot zijn positie. Er zijn volgens hem dringende redenen om de terugvordering te matigen. Hij brengt hierover naar voren dat het college onvoldoende heeft toegezien op de rechtmatigheid van de aan X verleende uitkering. Het kan niet zo zijn dat eiser daarvan de dupe wordt. Tot brengt eiser, gezien de maximale terugkijkperiode van vijf jaar, naar voren dat hooguit tot juni 2019 de bijstand had kunnen worden teruggevorderd.
3. Het college stelt in het verweerschrift dat uit onderzoek voldoende vast is komen te staan dat eiser zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres van X en dat een gezamenlijke huishouding kan worden aangenomen. Er zijn geen signalen geweest op grond waarvan eerder het vermoeden is ontstaan dat sprake was van een ten onrechte verstrekte uitkering. Daarom is de bijstand per 1 januari 2018 teruggevorderd en is niet gekozen voor het hanteren van de termijn van vijf jaren, waarmee zou worden uitgekomen op 1 juni 2019. Bij het opleggen van het besluit tot hoofdelijke aansprakelijkheid is voldoende rekening gehouden met de evenredigheid. Van dringende redenen om de terugvordering te matigen, is het college niet gebleken.
Beoordeling door de rechtbank
4. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college de kosten van de aan X verleende algemene en bijzondere bijstand mede van eiser heeft mogen terugvorderen, omdat eiser volgens het college vanaf 1 januari 2018 zijn hoofverblijf zou hebben op het uitkeringsadres van X. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser, die hierna zullen worden besproken.
Te beoordelen periode
5. De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 januari 2018 tot en met 30 april 2024, de periode waarover de kosten van de algemene en bijzondere bijstand mede van eiser zijn teruggevorderd.
Juridisch kader
Op grond van artikel 59, tweede lid, van de PW kunnen kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, niet of niet behoorlijk is nagekomen.
Op grond van artikel 59, vierde lid, van de PW zijn de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.
De medeterugvordering van de aan X verleende algemene en bijzondere bijstand over de te beoordelen periode is een voor eiser belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor medeterugvordering is voldaan op het college. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. In dit geval gaat het om feiten die aannemelijk moeten maken dat eiser vanaf 1 januari 2018 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres van X.
Medeterugvordering
6. De rechtbank heeft in de uitspraak met zaaknummer LEE 25/1357 geoordeeld dat de onderzoeksresultaten op zichzelf bezien, maar ook in onderlinge samenhang, onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat X vanaf 1 januari 2018 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres van eiseres. Daarom is het besluit op het bezwaar van 26 maart 2025 inzake de intrekking en terugvordering van algemene en bijzondere bijstand van X vernietigd en is het college opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen in overeenstemming met wat in die uitspraak is overwogen. Gelet hierop was het college op grond van artikel 59, vierde lid, van de PW niet bevoegd de kosten van de aan X verleende algemene en bijzondere bijstand mede van eiser terug te vorderen. Dit betekent dat ook het bestreden besluit van eiser moet worden vernietigd en het college een nieuw besluit op het bezwaar van eiser moet nemen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd. De overige beroepsgronden hoeven daarom niet meer besproken te worden. De rechtbank ziet geen reden om zelf een beslissing over het bezwaar te nemen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van zes weken.
Gelet op 7 krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten van in totaal
€ 1.868,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en
1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Het college moet deze vergoeding betalen. Eiser krijgt ook het in beroep betaalde griffierecht terug.
Beslissing
De rechtbank:
besluit op het bezwaar van eiser te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.