RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.117147.23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken
d.d. 1 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N. Harlequin, advocaat te s-Gravenhage. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 1 april 2022 tot en met 8 mei 2022 te Meppel, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere
feitelijkheid, [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2007) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten:
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit:
terwijl die [slachtoffer 1] zijn, verdachtes, minderjarige bediende of ondergeschikte was,
immers was voornoemde [slachtoffer 1] werkzaam in de [bedrijf] waarvan hij, verdachte, de eigenaar was en/of (aldus) was hij, verdachte, de werkgever van voornoemde [slachtoffer 1] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 1 april 2022 tot en met 8 mei 2022 te Meppel,
met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2007, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:
terwijl die [slachtoffer 1] zijn, verdachtes, minderjarige bediende of ondergeschikte was,
immers was voornoemde [slachtoffer 1] werkzaam in de [bedrijf] waarvan hij, verdachte, de eigenaar was en/of (aldus) was hij, verdachte, de werkgever van voornoemde [slachtoffer 1] ;
2
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2021 tot en met 15 juni 2022 te Meppel, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere
feitelijkheid, [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2007) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het slaan op/tegen de billen en/of het knijpen in de billen, althans het betasten van de billen van voornoemde [slachtoffer 2]
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit:
terwijl die [slachtoffer 2] zijn, verdachtes, minderjarige bediende of ondergeschikte was, immers was voornoemde [slachtoffer 2] werkzaam in de [bedrijf] waarvan hij, verdachte, de eigenaar was en/of (aldus) was hij, verdachte, de werkgever van voornoemde [slachtoffer 2] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2021 tot en met 15 juni 2022 te Meppel,
met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2007, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het slaan op/tegen de billen en/of het knijpen in de billen, althans het betasten van de billen van voornoemde [slachtoffer 2] ,
terwijl die [slachtoffer 2] zijn, verdachtes, minderjarige bediende of ondergeschikte was,
immers was voornoemde [slachtoffer 2] werkzaam in de [bedrijf] waarvan hij, verdachte, de eigenaar was en/of (aldus) was hij, verdachte, de werkgever van voornoemde [slachtoffer 2] ;
3
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2021 tot en met 22 september 2022 te Meppel, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten :
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit:
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van al hetgeen is tenlastegelegd moet worden vrijgesproken. Daartoe is - op gronden zoals in de pleitnota verwoord - in de kern aangevoerd dat de verklaringen van aangeefsters onvoldoende betrouwbaar zijn, waardoor deze verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, en dat voldoende stevig steunbewijs ontbreekt. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de verklaringen - al dan niet bewust - op elkaar zijn afgestemd, dat er sprake was van groepsdruk en dat er aanwijzingen zijn van een complot tegen verdachte. Ook zijn de verklaringen op essentiële onderdelen innerlijk tegenstrijdig en weinig concreet.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de tenlastelegging is gebaseerd op de artikelen 246 en 248 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zoals deze luidden tot 1 juli 2024. Op grond van het bepaalde in artikel 1 lid 2 Sr wordt bij een verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het ten laste gelegde feit zou zijn begaan, de voor de verdachte gunstigste bepaling toegepast. Dat zijn in dit geval de hiervoor vermelde wetsbepalingen zoals deze luidden tot 1 juli 2024.
Algemene overweging
Aan de verdachte zijn een drietal zedendelicten tenlastegelegd. Zedenzaken zijn bewijstechnisch lastige zaken. Veelal staat de verklaring van de aangeefster/aangever, die zegt dat de verdachte het tenlastegelegde zedenfeit heeft begaan, tegenover die van de verdachte, die zegt het niet te hebben gedaan. Getuigen van de beweerde gebeurtenissen zijn er vaak niet.
In artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat de rechter het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend kan baseren op de verklaring van één getuige. Alleen de verklaring van aangeefster/aangever
- ook als die betrouwbaar wordt geacht - is dus onvoldoende. Er moet meer bewijs zijn, iets dat de aangifte ondersteunt, om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Die ondersteuning hoeft niet te gelden voor alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat in elk geval een deel van de feiten en omstandigheden die in de aangifte worden genoemd, ondersteuning vinden in één of meer andere
bewijsmiddelen. De vraag of aan het door de wet vereiste bewijsminimum is voldaan, vergt een beoordeling van het concrete geval. Daarvoor zijn enige regels in de rechtspraak geformuleerd. Zo is het in beginsel niet voldoende dat andere personen van horen zeggen verklaren over hetgeen het slachtoffer aan hen heeft verteld, omdat de bron van de verklaring dan nog steeds alleen het slachtoffer is.1
In sommige gevallen kan het benodigde steunbewijs ook bestaan uit schakelbewijs. Met schakelbewijs wordt bedoeld een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van het feit mede redengevend wordt geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Onvoldoende is dat het gaat om soortgelijke feiten.
[slachtoffer 1] (feit 1), [slachtoffer 2] (feit 2) en [slachtoffer 3] (feit 3) hebben - kort gezegd - aangifte gedaan van aanranding, op de wijze zoals vermeld in de tenlasteleggingen, gepleegd door verdachte.
Verdachte heeft, zowel bij de politie als ter terechtzitting, stellig ontkend dat hij de tenlastegelegde handelingen heeft verricht.
De rechtbank ziet zich, mede in het licht van de door de raadsvrouw gevoerde bewijsverweren, allereerst gesteld voor de vraag of de verklaringen van aangeefsters betrouwbaar zijn, of deze verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen en of het aanwezige bewijs in onderlinge samenhang beschouwd het door de verdediging geschetste alternatieve scenario onaannemelijk maken.
Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefsters
Aangeefsters [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben bij gelegenheid van het informatief gesprek, het doen aangifte, en een verhoor bij de rechter-commissaris verklaringen afgelegd. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben ook nog een aanvullend verhoor bij de politie afgelegd. Daarnaast zijn aangeefsters ter terechtzitting van 18 maart 2026 als getuige gehoord. Voorts zijn alle verhoren bij de politie - op verzoek van de verdediging - woordelijk uitgewerkt. Deze uitwerkingen vertonen vrijwel geen verschillen met de schriftelijke vastlegging.
De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefsters [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .
Zij hebben bij het doen van aangifte op respectievelijk 18 juli 2022 ( [slachtoffer 1] ), 26 juli 2022
( [slachtoffer 2] ) en 5 januari 2023 ( [slachtoffer 3] ) voor het eerst volledig en gedetailleerd verklaard over wat er is gebeurd. Bovendien hebben zij in hun eerdere verklaringen bij gelegenheid van het informatief gesprek zeden, alsook in de volgende verklaringen, in de kern op wezenlijke onderdelen steeds consistent en authentiek verklaard.
Zowel tijdens het informatief gesprek zeden voorafgaand aan de aangifte, als in haar latere verklaringen heeft aangeefster [slachtoffer 1] telkens verklaard over het knijpen in en slaan op de billen door verdachte als hij achter haar langs liep, het betasten van haar borsten als hij achter haar stond en het zoenen op de mond, terwijl zij dat niet wilde.
Aangeefster [slachtoffer 2] heeft telkens verklaard over het slaan op de billen door verdachte als hij erlangs moest en het knijpen in de billen tijdens een knuffel.
Aangeefster [slachtoffer 3] heeft telkens verklaard over het slaan op en knijpen in de billen en het betasten van en knijpen in de borsten door verdachte.
Dat aangeefsters in hun verklaringen ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris op details mogelijk anders hebben verklaard dan bij gelegenheid van hun aangiftes, maakt hun verklaringen bij de
politie niet onbetrouwbaar. Zo kunnen tegenstrijdigheden of ongerijmdheden het gevolg zijn van de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties, schaamte of door tijdsverloop, of door het feit dat een aangeefster in de tussentijd therapie heeft ondergaan. De door de verdediging aangevoerde inconsistenties, merkwaardigheden en tegenstrijdigheden in de verklaringen van aangeefsters maken naar het oordeel van de rechtbank aldus niet dat het geheel van de verklaringen als onbetrouwbaar terzijde dient te worden geschoven.
Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat de verklaringen van aangeefsters mogelijk - bewust of onbewust - op elkaar zijn afgestemd, dat er sprake was van groepsdruk en dat er aanwijzingen zijn van een complot tegen verdachte, vindt geen steun in het dossier en is ook voor het overige niet aannemelijk geworden. De rechtbank ziet ook gelet daarop geen enkele aanleiding om de verklaringen niet betrouwbaar te achten.
Steunbewijs
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de verklaringen van aangeefsters [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] betrouwbaar en derhalve bruikbaar als uitgangspunt voor het bewijs.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van de verweten handelingen. Daartoe moet de vraag worden beantwoord of de verklaringen van aangeefsters in voldoende mate steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Ten aanzien van feit 3
De rechtbank is van oordeel dat in het dossier geen steunbewijs, afkomstig uit een andere bron, is te vinden voor de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 3] dat verdachte haar heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het slaan op en het knijpen in de billen en het betasten van en knijpen in de borsten. Geen van de andere aangeefsters of getuigen hebben verklaard dat zij uit eigen waarneming wetenschap hebben van de genoemde ontuchtige handelingen gepleegd jegens aangeefster [slachtoffer 3] .
De rechtbank ziet evenmin steunbewijs door de verklaringen van aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als schakelbewijs aan te merken. Hoewel op bepaalde punten kan worden gesproken van soortgelijke handelingen jegens aangeefster [slachtoffer 3] zijn die verklaringen naar het oordeel van de rechtbank niet op zichzelf en ook niet in samenhang voldoende om te kunnen dienen als steunbewijs.
Het voorgaande betekent dat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om verdachte te veroordelen voor het onder 3 ten laste gelegde, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank merkt nadrukkelijk op dat dit niet betekent dat zij de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 3] niet geloofwaardig acht, maar dat het vereiste wettelijke bewijsminimum om tot een bewezenverklaring te kunnen komen ontbreekt.
Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 primair
De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat de verklaringen van aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet op zichzelf staan maar in voldoende mate steun vinden in ander bewijsmateriaal dat niet in een te ver verwijderd verband staat tot het ten laste gelegde.
De aangifte van [slachtoffer 1] wordt ondersteund door de verklaringen van [slachtoffer 2] in haar informatieve gesprek, in haar aangifte en in haar aanvullende verklaring bij de politie. Hierin verklaart [slachtoffer 2] dat zij heeft gezien dat verdachte probeerde [slachtoffer 1] een kus op de mond te geven en dat hij aan haar billen en borsten heeft gezeten.
De aangifte van [slachtoffer 2] wordt ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 1] in haar aanvullende verhoor bij de politie. Tijdens dit verhoor verklaart [slachtoffer 1] dat zij heeft gezien dat verdachte [slachtoffer 2] op de billen sloeg en in de billen kneep. De aangifte van [slachtoffer 1] wordt daarnaast ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige] , die verklaart dat zij heeft gezien dat verdachte aan de billen van [slachtoffer 2] zat. Ook wordt de aangifte van [slachtoffer 2] ondersteund door de getuigenverklaring van [moeder van slachtoffer 2] , de moeder van [slachtoffer 2] , die verklaart over de emotionele toestand van [slachtoffer 2] op de ochtend dat zij haar moeder vertelde over de aanranding. Tot slot wordt de aangifte van [slachtoffer 2] ondersteund door het whatsappgesprek van haar en haar moeder met verdachte op 17 juni 2022.
Ontuchtige handelingen
De aan verdachte verweten gedragingen kunnen gekwalificeerd worden als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 246 (oud) Sr. Het zoenen op de mond en het betasten van borsten en billen zijn immers handelingen van seksuele aard en zijn onder de omstandigheden waaronder die handelingen hebben plaatsgevonden in strijd met de sociaal-ethische norm. Verdachte was op het moment van de incidenten 56 jaar oud en aangeefsters 14 jaar. Verdachte heeft misbruik gemaakt van het leeftijdsverschil tussen hem en de aangeefsters en de kwetsbare positie van aangeefsters, die bij hem in zijn [bedrijf] in dienst waren. De rechtbank merkt daarbij op dat het een algemeen bekend gegeven is dat vrouwen, en zeker jonge meisjes, gedragingen als de onderhavige als een inbreuk op hun seksuele integriteit ervaren. De intentie van verdachte is in deze context niet van doorslaggevend belang.
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of deze handelingen hebben plaatsgevonden onder dwang. Van dwang is sprake als vast komt te staan dat de verdachte, door geweld of een andere feitelijkheid, opzettelijk heeft veroorzaakt dat een slachtoffer seksuele handelingen tegen de (kenbare) wil ondergaat.
Van dwang door een feitelijkheid kan ook sprake zijn wanneer door het onverhoedse karakter van de handelingen enig verzet wordt voorkomen. Aangeefsters hebben verklaard dat zij volkomen werden verrast door verdachte, dat zij verstijfden en hierdoor geen weerstand konden bieden. Uit de verklaringen van aangeefsters blijkt ook dat zij zich in zekere mate afhankelijk voelden van verdachte (hun werkgever), die bovendien veel ouder was dan aangeefsters. Door het overwicht dat verdachte had, heeft hij aangeefsters in een zodanige situatie gebracht dat zij zich naar redelijke verwachting niet aan de handelingen van verdachte konden onttrekken.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van het dwingen tot het dulden van ontuchtige handelingen in de zin van artikel 246 (oud) Sr en falen de verweren van de verdediging.
Conclusie
De rechtbank acht gelet op al het voorgaande en de hierna te noemen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde, heeft gepleegd.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Feit 1 primair
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 juli 2022, opgenomen op pagina 16 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met zaaknummer 2022228658 (dossier “Honfleur”) d.d. 24 april 2023, inhoudend:
- als verklaring van [slachtoffer 1] :
V: Tegen wie doe je aangifte
[verdachte] . () Hij is de eigenaar van de [bedrijf] de [naam bedrijf] . Dat is in Meppel.
Bij de eerste keer kon ik het niet ontwijken want ik zag het niet aankomen. Toen kwam de zoen van hem op mijn mond terecht. Bij de tweede keer trok ik mijn hoofd naar achteren en toen was ie mis. De volgende dag kwam ik aan het werk en toen nam hij mij apart voor een gesprek. () Ik zei hem ik dat niet fijn vond die zoenen. Daarna was ik weer aan het werk en toen deed hij het weer. (...)
En bij de knuffel zat hij dan ook wel weer aan mijn kont. (...)
Op 1 april 2022 was mijn eerste werkdag en mijn laatste werkdag was 8 mei.(...)
Ze wisten wel dat ik 14 jaar was. Ik kreeg uitbetaald op mijn rekening. Ik moest daarvoor een kopie van mijn ID inleveren bij [verdachte] .()
V: Jij zei dat hij bij de eerste keer bij de kont grijpen hij jou wat wilde laten zien achterin de zaak.
Hij liet me wat zien en toen moesten we lachen en toen voelde ik zijn hand op mijn kont en toen begon hij erin te knijpen. Ik wist niet wat ik moest doen en ik verstijfde. (...)
Hij ging achter mij staan en deed ze armen om mij heen onder mijn oksels langs en pakte mij toen ineens met zijn handen bij mijn borsten. (...) Ik verstijfde en was geschrokken. Ik wist niet hoe ik hier op moest reageren. (...)
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 juli 2022, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
V: Wat heb jij van anderen gezien, van wat [verdachte] bij anderen deed?
Vooral bij [slachtoffer 1] heb ik het gezien. Hij probeerde haar een kus op de mond te geven en ik heb ook gezien dat hij aan haar kont en borsten heeft gezeten. Het aanraken aan de borsten en kont van [slachtoffer 1] was hem gelukt. Ik was toen volgens mij aan de telefoon en toen zag ik dat [verdachte] aan de borsten van [slachtoffer 1] zat.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 2]
d.d. 11 november 2022, opgenomen op pagina 59 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Bron; Blad 3 aangifte:
Daar staat dat jij hebt gezegd:
Bij een ander meisje die daar werkte, had hij later geprobeerd een kus op de mond te geven. Dat vond zij niet fijn.
V: Over welk meisje heb je het hier? [slachtoffer 1] .
V: Hoe weet jij dat hij geprobeerd heeft haar een kus op de mond te geven? Dat heb ik gezien. En dat heeft zij mij ook verteld daarna. ()
V: Hoe zag jij dat [verdachte] [slachtoffer 1] een kus gaf?
Dat was dat [slachtoffer 1] wegging en ik was er nog. Toen zij wegging, zag ik dat ze een knuffel gaven. En ik zag dat hij naar een kus op de mond probeerde te geven. [slachtoffer 1] heeft daarin wel weggetrokken en gezorgd dat het niet gebeurde.
V: Wat heb jij zelf gezien wat [verdachte] bij [slachtoffer 1] heeft gedaan als het gaat om laten we zeggen
ongewenste ontuchtige handelingen?
() Als hij erlangs moest () dat hij een hand op de kont legde. Dat gebeurde ook bij haar. En ik wist dat zij dat helemaal niet fijn vond.
Feit 2 primair
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 juli 2022, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
V: Tegen wie doe je aangifte?
[verdachte] van de [naam bedrijf] , gelegen aan [adres] in Meppel ().
Als hij langs mij wilde, pakte hij mij bij mijn heupen of hij lag een hand op mijn kont. () V: Je zei dat hij je de laatste week meer aanraakte. Vertel daar eens over.
Hij probeerde mij een knuffel te geven. () Hij heeft mij tijdens die knuffel ook in mijn kont geknepen. ()
[verdachte] heeft mij ook een keer heel hard geknuffeld op de laatste dag dat ik daar werkte en mij opgetild de lucht in. Hierop heb ik hem de appjes gestuurd samen met mijn moeder. ()
V: Vanaf welk moment begon jij daar met werken?
In oktober of november 2021. Tot en met 15 juni 2022 was mijn laatste werkdag. ()
[verdachte] wist dat ik 14 was. Ik had hem dat direct verteld tijdens het sollicitatiegesprek. Met het sollicitatiegesprek moest ik nog wat inleveren met iets waar mijn gegevens op stonden en waar mijn IBAN op stond.
V: Hoe noemde jij het zelf hoe [verdachte] dan deed bij jouw billen tijdens zon knuffel vanaf de voorkant? Knijpen. Dat is op woensdag 15 juni geweest.
V: En toen knuffelde [verdachte] jou van voren. Hoe deed jij dan met zijn handen?
Hij knuffelde mij van voren en hij pakte mijn billen met allebei zijn handen vast. Ik voelde dat hij in mijn billen kneep.
V: Waar kneep hij?
Hij kneep met beide handen over mijn volledige billen heen. Met gespreide vingers deed hij dat. Niet aan de onderkant van mijn billen, maar echt op de achterkant. ()
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvulling verhoor aangever d.d. 18 juli 2022, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
lk heb het volgende daadwerkelijk zelf gezien. Dat [verdachte] bij [slachtoffer 2] aan de kont zat en de opmerkingen tegen haar maakte. Ook het knuffelen en kietelen van [verdachte] bij [slachtoffer 2] heb ik gezien. () Hij liep dan achter haar langs en sloeg dan op haar kont. Ook heb ik wel gezien dat hij haar een knuffel gaf en dan ging hij met de handen naar onderen en kneep hij in haar kont. Dat slaan bij haar op de kont dan deed hij met een hand.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 18 november 2022, opgenomen op pagina 89 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [moeder van slachtoffer 2] (de moeder van [slachtoffer 2] ):
V: Weet je waar [slachtoffer 2] aangifte van heeft gedaan? Van het feit dat hij aan haar billen heeft gezeten ().
Dat weet ik van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] heeft het meegemaakt op een donderdag. Die vrijdag moest ze weer werken en die vrijdagochtend kwam [slachtoffer 2] bij mij op school. Ze was helemaal overstuur. Ze was helemaal van slag. Ze vertelde het op school tegen vriendinnen en toen zeiden ze dat ze het niet moest pikken en ze kwam naar mij toe om het te vertellen. Ze vertelde dat ze niet meer heen
wilde omdat hij aan haar had gezeten. () Ik zei dan ga je er straks heen en ga je zeggen dat je het niet wil hebben. Ze moest huilen en zei dat ze het niet durfde. () Ik zei dat ik een appje zou maken die zij ook mocht lezen.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 24 november 2022, opgenomen op pagina 99 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :
V: Welke handelingen heb jij gezien die [verdachte] bij [slachtoffer 2] deed?
Op haar kont slaan. Soms deed hij dit met zijn hand of soms met een theedoek. Als zij langs liep en hij had de kans, sloeg hij met zijn hand op haar kont. () Ik denk dat ik één keer gezien heb dat hij met zijn hand op [slachtoffer 2] haar kont sloeg. Het slaan met de theedoek op haar kont is vaker gebeurd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1 primair en 2 primair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij in de periode van 1 april 2022 tot en met 8 mei 2022 te Meppel, door feitelijkheden
[slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2007) heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten:
en bestaande die andere feitelijkheden uit:
terwijl die [slachtoffer 1] zijn, verdachtes, minderjarige ondergeschikte was,
immers was voornoemde [slachtoffer 1] werkzaam in de [bedrijf] waarvan hij, verdachte, de eigenaar was en was hij, verdachte, de werkgever van voornoemde [slachtoffer 1] ;
2
hij in de periode van 1 oktober 2021 tot en met 15 juni 2022 te Meppel,
door feitelijkheden, [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2007) heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het slaan op/tegen de billen en het knijpen in de billen van voornoemde [slachtoffer 2]
en bestaande die feitelijkheden uit:
terwijl die [slachtoffer 2] zijn, verdachtes, minderjarige ondergeschikte was, immers was voornoemde [slachtoffer 2] werkzaam in de [bedrijf] waarvan hij, verdachte, de eigenaar was en was hij, verdachte, de werkgever van voornoemde [slachtoffer 2] .
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn minderjarige ondergeschikte, meermalen gepleegd;
2. feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn minderjarige ondergeschikte, meermalen gepleegd.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair, 2 primair en 3 wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 94 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor vrijspraak van al hetgeen is tenlastegelegd en zich overigens niet uitgelaten over een eventueel op te leggen straf(modaliteit).
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van twee meisjes van 14 jaar die bij hem in de [bedrijf] werkten. Verdachte heeft in beide gevallen veelvuldig gehandeld, had slechts oog voor zijn eigen misplaatste seksuele gevoelens en is totaal voorbij gegaan aan de gevoelens van zijn veel jongere werkneemsters. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige en onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten door slachtoffers als zeer ingrijpend wordt ervaren en langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van slachtoffers. Ook in de onderhavige strafzaak is daarvan sprake, zoals blijkt uit de toelichtingen op de verzoeken tot schadevergoeding. Verdachte heeft zich van dit alles geen rekenschap gegeven. De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
Voorts heeft de rechtbank gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van de rechtbank heeft de verdachte in dit verband onder meer verklaard dat hij werkzaam is als zelfstandig ondernemer, dat hij getrouwd is en een gezin heeft en dat de, in zijn ogen onterechte, verdenkingen hem zeer hebben aangegrepen. Hij heeft daarvoor hulp gezocht en wordt al een aantal jaren behandeld bij de GGZ.
Redelijke termijn
Op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient een verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 28 november 2022, omdat verdachte op die datum is aangehouden en in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van drie jaar en ruim vier maanden verstreken. Omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaren. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal hiermee bij de bepaling van de strafmaat ten voordele van de verdachte rekening houden.
De strafoplegging
Bij de beslissing over de aard en de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden.
Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 94 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Het voorwaardelijk strafdeel dient enerzijds om de ernst van de feiten te benadrukken en anderzijds als stevige stok achter de deur voor verdachte. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis.
De rechtbank komt tot oplegging van een lagere taakstraf dan door de officier van justitie is gevorderd omdat zij alleen ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een bewezenverklaring komt en zij rekening houdt met het tijdsverloop in deze zaak.
Benadeelde partijen
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
Feit 1 primair:
[slachtoffer 1] , tot een bedrag van 10.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
Feit 2 primair:
[slachtoffer 2] , tot een bedrag van 10.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
Feit 3:
[slachtoffer 3] , tot een bedrag van 330,05 ter zake van materiële schade en 7.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ten aanzien van zowel de geleden materiële als de geleden immateriële schade kunnen worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen, gelet op de bepleitte vrijspraak, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen causaal verband kan worden aangenomen.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1 primair:
Immateriële schade
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd ter hoogte van 10.000,00.
Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde. De rechtbank neemt daarbij ook op dit onderdeel mede in aanmerking dat sprake was van het herhaaldelijk plegen van ontuchtige handelingen in een openbare
ruimte met een toentertijd pas 14-jarig meisje dat zich in een afhankelijkheidsrelatie bevond en zich moeilijk aan de situatie kon onttrekken.
De aard en ernst van de psychische klachten bestaan, blijkens de onderbouwing van de vordering, uit psychisch letsel waaronder herbelevingen, slaapverlamming en angst om alleen de stad in te gaan en verdachte tegen te komen. Ook was sprake van een toename van
concentratieproblemen die impact hadden op haar schoolprestaties. Benadeelde is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis, deels ten gevolge
van het meegemaakte seksueel grensoverschrijdend gedrag en deels ten gevolge van ingrijpende gebeurtenissen in de thuissituatie. Benadeelde heeft veel therapie gehad (EMDR, exposure therapie, gesprekken) en is langdurig behandeld.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee de aantasting van de persoon voldoende met concrete gegevens onderbouwd. Nog daargelaten dat de aard en de ernst van de normschending in dit geval reeds met zich brengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat daarom een aantasting in persoon “op andere wijze” als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW zonder meer kan worden aangenomen. Tegelijkertijd leest de rechtbank in de overgelegde brief van 1 mei 2024 van de GZ-psycholoog dat sprake is van andere problematiek. Dat maakt dat de rechtbank voor de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding aansluiting zoekt bij de ondergrens van de Rotterdamse schaal, waarin smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen zijn geordend. Het ernstige psychische leed van het slachtoffer maakt dat de rechtbank toewijzing van een bedrag van 5.500,00 billijk acht, één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2022.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Ten aanzien van feit 2 primair:
Immateriële schade
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd ter hoogte van 10.000,00. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 BW slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 2 primair bewezen verklaarde. De rechtbank neemt daarbij ook op dit onderdeel mede in aanmerking dat sprake was van het herhaaldelijk plegen van ontuchtige handelingen met een toentertijd pas 14-jarig meisje dat zich in een afhankelijkheidsrelatie bevond en zich moeilijk aan de situatie kon onttrekken.
De aard en ernst van de psychische klachten bestaan, blijkens de onderbouwing van de vordering, uit geestelijk letsel en post-traumatische klachten waaronder ernstige angst- en paniekaanvallen, een constant gevoel van onveiligheid, terugkerende nachtmerries en slaapproblemen. De angst, stress en
spanningsklachten hebben jarenlang aangehouden en de benadeelde partij is hiervoor langdurig behandeld.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee de aantasting van de persoon voldoende met concrete gegevens onderbouwd. Nog daargelaten dat de aard en de ernst van de normschending in dit geval reeds met zich brengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat daarom een aantasting in persoon “op andere wijze” als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW kan worden aangenomen. Tegelijkertijd leest de rechtbank in het overgelegde Journaal van de huisarts dat sprake is van andere problematiek waarvoor behandeling heeft plaatsgevonden. Dat maakt dat de rechtbank voor de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding aansluiting zoekt bij de ondergrens van de Rotterdamse schaal waarin smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen zijn geordend. Het ernstige psychische leed van het slachtoffer maakt dat de rechtbank toewijzing van een bedrag van 5.500,00 billijk acht, één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Ten aanzien van feit 3:
De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij [slachtoffer 3] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 246 (oud) juncto 248 (oud) Sr. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 94 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 90 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht (4 dagen), bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
een taakstraf voor de duur van 120 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.
Ten aanzien van feit 1 primair
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan de benadeelde partij te betalen:
Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [slachtoffer 1] haar eigen proceskosten draagt.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 5.500,00 (zegge: vijfduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2022 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 50 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van feit 2 primair
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan de benadeelde partij te betalen:
Verklaart de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [slachtoffer 2] haar eigen proceskosten draagt.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 5.500,00 (zegge: vijfduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 50 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van feit 3
Verklaart de vordering van [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [slachtoffer 3] haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Faber, voorzitter, mr. G. Eelsing en mr. L.M.B. Soppe, rechters, bijgestaan door mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 april 2026.
1. Hoge Raad 26 januari 2010,ECLI:NL:HR:2010:BK2094