ECLI:NL:RBNNE:2026:1052

ECLI:NL:RBNNE:2026:1052

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 01-04-2026
Zaaknummer 12061759 \ VV EXPL 26-9
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Kort geding. Concurrentiebeding. Werknemer verboden om in dienst te treden bij de concurrent.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer: 12061759 \ VV EXPL 26-9

Vonnis in kort geding van 3 april 2026

in de zaak van

FABITON B.V.,

te Leeuwarden,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: Fabiton,

gemachtigde: mr. A. Monsma,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. L.D. Kret-Aram.

De zaak in het kort

[gedaagde] was tot 1 februari 2026 in dienst bij Fabiton. [gedaagde] heeft kenbaar gemaakt bij FAB Riool en Wegenbeheer B.V. (hierna: FAB) in dienst te willen treden. Fabiton vordert in dit kort geding dat het [gedaagde] wordt verboden om gedurende een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst, dus tot 1 februari 2027, in dienst te treden bij FAB. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] het non-concurrentiebeding overtreedt als hij zou gaan werken bij FAB. Verder wordt geoordeeld dat het belang van Fabiton bij handhaving van het non-concurrentiebeding groter is dan het belang van [gedaagde] om bij FAB te kunnen werken. De kantonrechter verbiedt [gedaagde] daarom om in dienst te treden bij Fabiton en wijst de tegenvordering van [gedaagde] om het concurrentiebeding te schorsen af. Daarnaast wijst de kantonrechter de door [gedaagde] gevorderde billijke vergoeding af. De kantonrechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding (met producties 1 t/m 20)

- de aanvullende producties 21 t/m 25 van Fabiton

- de voorwaardelijke eis in reconventie

- de producties 1 t/m 11 van [gedaagde]

- de mondelinge behandeling van 11 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van Fabiton- de pleitnota van [gedaagde].

2. De feiten

Fabiton is een onderneming die prefab betonproducten vervaardigt, monteert en repareert voor de bouw/agrarische sector. Daarnaast houdt Fabiton zich bezig met gespecialiseerde reiniging, onder meer van mest- en vergistingsopslagsystemen met behulp van ademluchtapparatuur.

[gedaagde] is per 1 februari 2019 in dienst getreden bij Fabiton als Verkoper Buitendienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor 1 jaar, gevolgd door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met ingang van 1 januari 2020.

In de arbeidsovereenkomst is onder andere een concurrentiebeding opgenomen. Dit beding luidt als volgt:

Artikel 12: NON-CONCURRENTIEBEDING

De werknemer zal zonder schriftelijke toestemming van werkgever gedurende het bestaan van de arbeidsverhouding en, na het eindigen van de arbeidsverhouding binnen een tijdvak van één jaar in de provincie Friesland, niet in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van werkgever vestigen, drijven, mede drijven of doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, alsook financieel in welke vorm ook bij een dergelijke zaak belang hebben, daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam zijn, al dan niet in dienstbetrekking, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin een aandeel van welke aard ook hebben, zulks op verbeurte van een direct opeisbare boete per gebeurtenis en tevens een boete voor iedere dag dat hij in overtreding is, te betalen aan werkgever, onverminderd het recht van werkgever om volledige schadevergoeding te vorderen van de werknemer, indien deze meer mocht belopen.

Ingeval van overtreding of niet-nakoming van één der bovenbedoelde verplichtingen is de werknemer uit kracht van het enkele feit der overtreding in gebreke, zonder dat sommatie of enigerlei andere formaliteit nodig zal zijn en zonder dat schade behoeft te worden aangetoond. Werknemer acht de werking van dit beding voorshands als zijnde niet onbillijk nadelig.

Echter in het geval de arbeidsverhouding in redelijk overleg eindigt tussen werkgever en werknemer en werknemer slechts via dienstbetrekking uitvoeringstechnische (niet commerciële) werkzaamheden bij derden (bouw gerelateerd) uitvoert, mits deze de directe activiteiten en belangen van werkgever niet schaden, is het concurrentiebeding in dit artikel niet toepasselijk.

Bij brief van 25 november 2025 heeft [gedaagde] zijn arbeidsovereenkomst met Fabiton opgezegd per 1 februari 2026. [gedaagde] heeft mondeling laten weten dat hij een nieuwe baan had gevonden bij FAB. FAB is een in Menaam gevestigde onderneming die zich, net als Fabiton, (onder meer) bezig houdt met het reinigen van mest- en vergistingsopslagsystemen met behulp van ademluchtapparatuur.

Bij brief van 9 december 2025 heeft Fabiton de opzegging van [gedaagde] bevestigd. Daarbij heeft Fabiton [gedaagde] erop gewezen dat indiensttreding bij FAB in strijd is met het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding en [gedaagde] in overweging gegeven zijn opzegging te heroverwegen.

Per 1 februari 2026 is [gedaagde] uit dienst gegaan bij Fabiton.

[gedaagde] is, vanwege het concurrentiebeding, (nog) niet in dienst getreden bij FAB.

3. Het geschil

Fabiton vordert - samengevat - om [gedaagde] te verbieden tot 1 februari 2027 in dienst te treden bij FAB en/of daaraan gelieerde entiteiten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding en € 1.000,- voor iedere dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Fabiton legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] overtreedt het concurrentiebeding als hij in dienst treedt bij FAB. FAB is op het gebied van ademluchtactiviteiten een directe concurrent van Fabiton. Fabiton stelt groot belang te hebben bij naleving van het concurrentiebeding. [gedaagde] gaat zich bij FAB bezig houden met ademluchtactiviteiten, terwijl hij op dat gebied beschikt over essentiële en concurrentiegevoelige informatie van Fabiton. [gedaagde] heeft deze activiteiten namelijk binnen Fabiton opgezet en hij vervulde bij Fabiton met betrekking tot die activiteiten een belangrijke commerciële rol. [gedaagde] deed de acquisitie van klanten. Ook heeft hij een strategisch beleidsplan opgesteld en dat binnen Fabiton geïmplementeerd. [gedaagde] heeft daarom met betrekking tot ademluchtactiviteiten unieke kennis opgedaan, niet alleen over de klanten maar ook over de bedrijfsvoering, marktpositionering en concurrentiestrategie van Fabiton. Dit kan FAB een concurrentievoordeel opleveren. Fabiton vreest daardoor schade te zullen lijden, te meer nu FAB een nieuwe speler op de markt van ademluchtactiviteiten is. De kans is aanwezig dat [gedaagde] met de kennis die hij bij Fabiton heeft opgedaan de ademluchtactiviteiten weghaalt bij Fabiton en overhevelt naar FAB.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van Fabiton, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Fabiton, met veroordeling van Fabiton in de kosten van deze procedure.

Voor het geval de kantonrechter van oordeel mocht zijn dat het concurrentiebeding van toepassing is, vordert [gedaagde] in reconventie primair dat de werking van het concurrentiebeding wordt gematigd, in die zin dat het wordt geschorst tot nihil. Subsidiair vordert [gedaagde] om hem een voorschot op een vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 5 BW toe te kennen voor iedere maand dat hij aan het beding wordt gehouden.

[gedaagde] legt aan zijn vorderingen - samengevat - ten grondslag dat het concurrentiebeding zwaarder is gaan drukken en/of dat hij onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van Fabiton.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Kort geding

De kantonrechter is van oordeel dat Fabiton en [gedaagde], gelet op de aard van het geschil en de daarbij behorende financiële belangen, een voldoende spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet beoordelen of het in deze zaak aannemelijk is dat de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat, vooruitlopend daarop, toewijzing van de vorderingen in dit kort geding is gerechtvaardigd. Dit is een voorlopig oordeel waarbij geen plaats is voor een uitgebreid feitenonderzoek en/of het horen van getuigen.

Gelet op de samenhang worden de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk beoordeeld.

Het overeengekomen concurrentiebeding is geldig

Tussen partijen is niet in geschil dat het concurrentiebeding rechtsgeldig is overeengekomen. [gedaagde] stelt zich echter op het standpunt dat het beding zijn gelding heeft verloren, omdat het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Zijn functie, taken en verantwoordelijkheden zijn gedurende het dienstverband namelijk ingrijpend gewijzigd, hetgeen voor hem bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst niet te voorzien was. Hij is in dienst getreden als Verkoper Buitendienst en hield zich als zodanig aanvankelijk uitsluitend bezig met het verkopen van producten en diensten en het geven van adviezen. Ongeveer anderhalf jaar na zijn indiensttreding is Fabiton begonnen met ademluchtactiviteiten en heeft hij met betrekking tot deze activiteiten veel extra taken en verantwoordelijkheden gekregen.

Fabiton stelt daar tegenover dat het van meet af aan de bedoeling van partijen was dat [gedaagde] zich zou bezighouden met (de implementatie van) ademluchtactiviteiten binnen Fabiton en dat [gedaagde] juist vanwege zijn kennis en ervaring met deze activiteiten is aangenomen bij Fabiton. De functiewijziging was dus niet onvoorzien. Ook was de functiewijziging niet ingrijpend. Verder is het concurrentiebeding volgens Fabiton niet zwaarder gaan drukken.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Een concurrentiebeding moet opnieuw schriftelijk worden overeengekomen als de wijziging in de arbeidsverhouding van zo ingrijpende aard is, dat het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder gaat drukken. Het gaat dus om een dubbele toets. De wijziging van de arbeidsverhouding moet van ingrijpende aard zijn én het concurrentiebeding moet daardoor aanzienlijk zwaarder zijn gaan drukken. Bij de vraag of sprake is van een wijziging van ingrijpende aard mag de rechter betekenis hechten aan de mate waarin de wijziging van de arbeidsverhouding redelijkerwijze was te voorzien voor de werknemer toen deze het beding aanvaardde. Bij de beoordeling of het beding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken, moet de rechter onderzoeken of, en zo ja in hoeverre en in welke mate, die wijziging, na een eventuele beëindiging van het dienstverband van de werknemer, bij handhaving van het concurrentiebeding een belemmering voor hem zal vormen om een nieuwe, gelijkwaardige werkkring hetzij in loondienst hetzij als zelfstandig ondernemer te vinden.

Gelet op hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, is de kantonrechter van oordeel dat voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat er sprake is van een zodanig ingrijpende functiewijziging dat er opnieuw een schriftelijk concurrentiebeding tussen partijen had moeten worden overeengekomen. Vast staat dat de aard van de werkzaamheden van [gedaagde] gedurende het dienstverband deels is gewijzigd, omdat Fabiton medio 2020 (zelf) ademluchtactiviteiten is gaan uitvoeren. [gedaagde] heeft in dit verband toegelicht dat hij ademluchtapparatuur onderhield en controleerde, keuringen bijhield, diverse materialen bestelde, auto’s inlaadde, reinigingswerkzaamheden uitvoerde en bijkomende administratieve en beleidsmatige werkzaamheden deed. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat uit deze toelichting op zichzelf niet volgt dat sprake is geweest van een ingrijpende, wezenlijke functiewijziging maar veeleer van een functieverbreding. De kantonrechter neemt daarbij in aanmerking dat tijdens de mondelinge behandeling duidelijk is geworden dat [gedaagde] zich bleef richten op het verkopen van producten en diensten en het geven van adviezen, met dien verstande dat hij zich ook ging toeleggen op ademluchtactiviteiten. Ook weegt de kantonrechter mee dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat ademluchtactiviteiten slechts een beperkt onderdeel van zijn werk vormden. Evenmin zijn er andere concrete feiten of omstandigheden die duiden op een ingrijpende functiewijziging. Vast staat dat de functiebenaming van [gedaagde] hetzelfde is gebleven. Verder is niet gesteld of gebleken dat het loon van [gedaagde] vanwege gewijzigde werkzaamheden is aangepast. Gelet hierop is de kantonrechter voorlopig van oordeel, mede gelet op de betwisting door Fabiton, dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn functie ingrijpend is gewijzigd. Dat bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst voor [gedaagde] niet was te voorzien dat zijn werkzaamheden (deels) zouden wijzigen, wat wordt betwist door Fabiton, maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders. Wat hierover door partijen is aangevoerd, zal daarom onbesproken worden gelaten. Verder heeft [gedaagde], veronderstellenderwijs aannemende dat wel sprake zou zijn van een ingrijpende functiewijziging, onvoldoende onderbouwd dat (en waarom) het concurrentiebeding door de functiewijzing aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Met name is niet aannemelijk geworden dat het als gevolg van de functiewijziging in combinatie met het overeengekomen concurrentiebeding voor [gedaagde] gezien zijn leeftijd, werkervaring en opleiding niet mogelijk is om elders, buiten het (beperkte) territoriale bereik van het concurrentiebeding of op een ander gebied dan ademluchtactiviteiten, een gelijkwaardige werkkring te vinden en dat dus zijn arbeidsmarktpositie nadelig is beïnvloed. De kantonrechter acht het daarom aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat het concurrentiebeding zijn geldigheid niet heeft verloren.

FAB is een concurrent van Fabiton

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of FAB een concurrent is van Fabiton in de zin van het concurrentiebeding.

Uit de websites van beide ondernemingen blijkt dat zij zich onder meer richten op het reinigen van mest- en vergistingsopslagsystemen met behulp van ademluchtapparatuur. [gedaagde] betwist dit ook niet, maar stelt onder verwijzing naar het handelsregister van de Kamer van Koophandel dat de hoofdactiviteiten van Fabiton met name beton- en bouwgerelateerd zijn en dat FAB zich hoofdzakelijk bezig houdt met reinigingswerkzaamheden op het gebied van riolering, wegen en terreinen, zodat geen sprake is van concurrentie. De kantonrechter kan [gedaagde] hierin niet volgen. Het enkele feit dat dat de hoofdactiviteiten van Fabiton en FAB van elkaar verschillen, maakt niet dat er geen sprake kan zijn van concurrentie. Voldoende is dat Fabiton en FAB allebei mest- en vergistingsopslagsystemen reinigen met behulp van ademluchtapparatuur en aldus op dat gebied gelijke of soortgelijke activiteiten uitvoeren. De conclusie is voorshands dan ook dat FAB een concurrent is van Fabiton. Ook staat vast dat FAB binnen de reikwijdte van het concurrentiebeding ligt, nu zij is gevestigd in Fryslân. Door in dienst te treden bij FAB overtreedt [gedaagde] dus het concurrentiebeding.

[gedaagde] wordt niet onbillijk benadeeld door het concurrentiebeding

[gedaagde] stelt dat hij onbillijk wordt benadeeld door het concurrentiebeding. Op grond van de wet kan de kantonrechter een concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk vernietigen indien een werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever. In kort geding kan vooruitlopend daarop een vordering tot schorsing van een dergelijk beding worden toegewezen, als daarvoor voldoende grond bestaat, op basis van een voorlopig oordeel over die belangenafweging. De kantonrechter zal dan ook een afweging moeten maken tussen enerzijds het belang van [gedaagde] bij schorsing van het concurrentiebeding en anderzijds het belang van Fabiton bij de handhaving ervan.

Uitgangspunt is dat een werknemer in principe het recht heeft om vrij te kiezen welke arbeid hij wil verrichten. Als de werknemer door een concurrentiebeding na het einde van zijn dienstverband in zijn mogelijkheden wordt beperkt, moet een afweging worden gemaakt tussen het recht op vrije arbeidskeuze en het belang van de werkgever bij handhaving van het beding. Het belang van een werkgever bij een concurrentiebeding is om de opgebouwde kennis, de bestaande relaties en de concurrentiepositie te beschermen, ook wel aangeduid met de term ‘bedrijfsdebiet’. Dat belang kan niet zijn gelegen in de wens van de werkgever om een werknemer nog een zekere tijd in dienst te houden of een werknemer te binden, en evenmin in het tegengaan van concurrentie in het algemeen. Een werkgever heeft met name belang bij het concurrentiebeding als de betrokken werknemer door zijn functie en werkzaamheden op de hoogte is van belangrijke commerciële en technische informatie, of van unieke werkprocessen dan wel strategieën van de werkgever, en de werknemer met die kennis zijn nieuwe werkgever een concurrentievoordeel geeft of kan geven dat die nieuwe werkgever anders niet zou hebben gehad. Dat belang kan ook aan de orde zijn als een werknemer intensief heeft samengewerkt met bepaalde klanten en aannemelijk is dat deze klanten daardoor overstappen naar de nieuwe werkgever.

De kantonrechter is van oordeel dat Fabiton in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat zij een aanmerkelijk te respecteren belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding. Vast staat dat [gedaagde] zich bij FAB voornamelijk zal gaan bezighouden met ademluchtactiviteiten ten behoeve van de agrarische sector. Hiervoor is reeds overwogen dat FAB op dat gebied als een directe concurrent van Fabiton moet worden beschouwd. Fabiton heeft verder onvoldoende weersproken gesteld dat [gedaagde] ten aanzien van ademluchtactiviteiten specifieke kennis en ervaring heeft opgedaan bij Fabiton, niet alleen over de klanten maar ook over de bedrijfsvoering, marktpositionering en concurrentiestrategie van Fabiton. Gelet hierop is de vrees van Fabiton reëel dat [gedaagde] deze bedrijfs- en concurrentiegevoelige informatie zou kunnen aanwenden ten behoeve van FAB en dat hij (dus) schade aan het bedrijfsdebiet van Fabiton zou kunnen berokkenen als hij bij FAB in dienst zou treden. Daarbij is ook van belang dat als niet betwist vaststaat dat Fabiton inmiddels een stevige positie in de markt voor het reinigen van mest- en vergistingsopslagsystemen met behulp van ademluchtapparatuur heeft verworven, terwijl FAB een nieuwe speler is op deze markt en die wil gaan veroveren.

Tegenover dit belang van Fabiton bij bescherming van haar concurrentiepositie staat het belang van [gedaagde] om in dienst te treden bij FAB. [gedaagde] heeft in dit verband aangevoerd dat hij bij FAB de kans krijgt om zich (verder) te specialiseren op het gebied van ademluchtactiviteiten ten behoeve van de agrarische sector en dat FAB vanwege haar manier van werken (met vrachtwagens) een mooie carrièrestap voor hem is. Dit belang weegt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet op tegen het belang van Fabiton. Daarbij kent de kantonrechter ook gewicht toe aan de omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op initiatief en uit vrije wil van [gedaagde] is beëindigd, kennelijk met het specifieke doel om aansluitend bij FAB in dienst te treden. Hij heeft dit gedaan zonder vooraf met Fabiton te overleggen of hij aan het concurrentiebeding zal worden gehouden als hij bij FAB in dienst zou treden. Ook neemt de kantonrechter in aanmerking dat Fabiton [gedaagde] er naar aanleiding van zijn opzegging op heeft gewezen dat hij zou worden gehouden aan het concurrentiebeding en dat [gedaagde] er desondanks voor heeft gekozen om te vertrekken bij Fabiton. De gevolgen van deze ontslagname, waaronder naleving van het overeengekomen concurrentiebeding, dienen dan ook zijn rekening en risico te komen. Daar komt bij dat het concurrentiebeding [gedaagde] weliswaar belemmert in zijn vrije arbeidskeuze, maar dat het beding in geografische zin beperkt is tot de provincie Fryslân. [gedaagde] heeft de mogelijkheid om buiten deze provincie werkzaam te zijn op het gebied van ademluchtactiviteiten ten behoeve van de agrarische sector. De kantonrechter ziet niet in waarom dit in de gegeven omstandigheden van hem niet gevergd kan worden. Verder is onvoldoende gebleken dat [gedaagde] geen mogelijkheden heeft om in de provincie Fryslân een baan te vinden en in zijn levensonderhoud te voorzien zonder dat het concurrentiebeding wordt geschonden. Daarbij betrekt de kantonrechter dat onbetwist vast staat dat [gedaagde] ruime werkervaring heeft op andere gebieden dan ademluchtactiviteiten. Ook ziet de kantonrechter geen aanleiding om voorshands te oordelen dat [gedaagde] in verhouding tot het te beschermen belang van Fabiton onbillijk wordt benadeeld indien hij de volledige overeengekomen periode van een jaar aan het concurrentiebeding gebonden zou zijn.

Gelet op het vorenstaande acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat de belangen van [gedaagde] onbillijk worden benadeeld en dat het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk zal worden vernietigd. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om het concurrentiebeding te schorsen, zoals door [gedaagde] primair in reconventie gevorderd. Dit betekent dat de vordering in conventie van Fabiton om [gedaagde] te verbieden om in dienst te treden bij FAB en/of daaraan gelieerde entiteiten zal worden toegewezen, met dien verstande dat de vordering zal worden toegewezen voor zover deze entiteiten gevestigd zijn in de provincie Fryslân.

De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen als volgt. Opgelegd zal worden een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat [gedaagde] het verbod tot indiensttreding overtreedt. De dwangsom zal worden gemaximeerd op € 10.000,-. De kantonrechter acht dit in de gegeven omstandigheden een adequate prikkel tot nakoming.

[gedaagde] heeft geen recht op een vergoeding

[gedaagde] heeft subsidiair gevorderd hem een voorschot op een vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 5 BW toe te kennen. Het gaat bij deze vergoeding niet om een schadevergoeding, maar om een vergoeding naar billijkheid. Daarvoor is nodig dat het concurrentiebeding [gedaagde] in belangrijke mate belemmert in het vinden van ander werk. De kantonrechter acht het niet aannemelijk dat de bodemrechter tot die conclusie zal komen. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [gedaagde] niet, althans onvoldoende onderbouwd dat het voor hem, gelet op zijn ervaring en kwaliteiten, niet mogelijk is om buiten het (beperkte) territoriale bereik van het concurrentiebeding een min of meer vergelijkbare baan te vinden, dan wel om binnen Fryslân op een ander gebied dan ademluchtactiviteiten werk te vinden. Het door [gedaagde] gevorderde voorschot zal dan ook worden afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

Fabiton vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu gesteld noch gebleken is dat een aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen. De kantonrechter zal deze vordering daarom afwijzen.

Proceskosten

[gedaagde] is zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld. [gedaagde] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten in reconventie zullen wegens de nauwe samenhang met de zaak in conventie worden begroot op nihil. De proceskosten van Fabiton in conventie worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

126,46

- griffierecht

139,00

- salaris gemachtigde

865,00

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.274,46

5. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

verbiedt [gedaagde] om in de periode tot 1 februari 2027 in dienst te treden bij FAB en/of aan haar gelieerde entiteiten binnen de provincie Fryslân, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat dit verbod overtreden wordt, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.274,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Fabiton tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Giltay en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.

413

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?