RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 21/003630-21 Raadkamernummer: 25-033240
V.I. nummer: 89-000110-36
beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering, ingesteld door
in de zaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , thans verblijvende in de [instelling] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
Feiten
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft veroordeelde bij arrest van 27 maart 2025 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren ter zake van -kortgezegd- het deelnemen aan een criminele organisatie, het medeplegen van handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd, het medeplegen van mishandeling, het medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, het medeplegen van oplichting en mensenhandel. Deze veroordeling is op 16 april 2025 onherroepelijk geworden en wordt ten uitvoer gelegd.
Het openbaar ministerie heeft op 9 december 2025 een beslissing genomen tot uitstellen van de beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) voor een periode van maximaal 90 dagen, te rekenen vanaf 26 januari 2026. Deze beslissing is op
9 december 2025 aan veroordeelde betekend. Namens veroordeelde is een bezwaarschrift ingediend.
Procedure
Het bezwaarschrift tegen de beslissing van het openbaar ministerie is op 23 december 2025 en daarmee tijdig ingediend ter griffie van deze rechtbank.
Het openbaar ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 30 januari 2026 het bezwaar tijdens een openbare zitting van de raadkamer behandeld. De veroordeelde is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman
mr. C.W. Flokstra, advocaat te Almere. Het openbaar ministerie werd vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting.
Bezwaar
De veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het openbaar ministerie om de veroordeelde niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen.
Standpunt veroordeelde
Door en namens veroordeelde is aangevoerd dat de signalen die bij de politie zijn binnengekomen over gevoelens van onrust en onveiligheid bij terugkeer van veroordeelde naar de gemeente Ooststellingwerf op geen enkele wijze zijn onderbouwd met onderliggende stukken. Dat het besluit onzorgvuldig is blijkt uit het feit dat in de voorbereiding steeds is gesproken over een adres buiten de gemeente Ooststellingwerf, terwijl het in de beslissing van het openbaar ministerie ineens gaat om een adres buiten Oosterwolde. De raadsman vraagt zich af welk probleem er met deze v.i. beslissing wordt opgelost, nu veroordeelde wel vlak buiten de bebouwde kom van Oosterwolde mag wonen en geen locatieverbod voor Oosterwolde heeft. Het gezin van veroordeelde woont in [plaats] en is daar geworteld, net als veroordeelde zelf. Het familieleven van veroordeelde wordt beschermd door artikel 8 EVRM en een inbreuk daarop zal noodzakelijk en proportioneel moeten zijn. Verder stelt de raadsman, verwijzend naar door hem overlegde stukken, dat veroordeelde zijn betalingsregelingen met het CJIB is nagekomen. De raadsman stelt zich dan ook op het standpunt dat de beslissing onzorgvuldig is genomen en inhoudelijk niet noodzakelijk en proportioneel is, waarbij een deugdelijke motivering ontbreekt.
Standpunt openbaar ministerie
De officier van justitie persisteert bij de beslissing van het openbaar ministerie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het openbaar ministerie bij de beslissing tot verlening van v.i. een risico-inschatting maakt voor wat betreft recidive en letselschade en daarbij af gaat op de adviezen van derden. In dit geval worden door het openbaar ministerie de risicos hoog ingeschat en bij een terugkeer naar Oosterwolde is het moeilijk om deze risicos voldoende te beheersen. Het openbaar ministerie neemt daarbij met name het advies van de politie serieus, temeer daar het gaat om een kleine lokale gemeenschap waar de politie goed op de hoogte is van wat er binnen die gemeenschap speelt. Samengevat is het openbaar ministerie bereid de veroordeelde v.i. te verlenen onder bijzondere voorwaarden, als hij maar een verblijfsadres buiten Oosterwolde opgeeft. Een verblijfplaats buiten Oosterwolde binnen de gemeente Ooststellingwerf is wel toegestaan.
De officier van justitie heeft verder aangevoerd dat op het moment dat de beslissing door het openbaar ministerie werd genomen er op geen enkele wijze door veroordeelde was voldaan aan de betalingsregelingen.
Beoordeling
Oordeel rechtbank
Bij het nemen van een beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling betrekt het openbaar ministerie de in artikel 6:2:10 lid 3 Sv genoemde aspecten.
Op grond van het eerste lid van artikel 6:6:9 Sv dient de rechtbank te onderzoeken of het openbaar ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.
De beslissing tot uitstel is genomen nu het openbaar ministerie, vanwege het hoge risico, het noodzakelijk acht dat veroordeelde een adres buiten de plaats Oosterwolde ter goedkeuring aan de reclassering voorlegt. Het openbaar ministerie baseert zijn beslissing met name op het negatieve advies van de politie. Daarnaast heeft het openbaar ministerie in haar beslissing meegewogen dat veroordeelde niet bereid is de schade, die is ontstaan als gevolg van de bewezen verklaarde feiten, te vergoeden. Daartoe is aangevoerd dat veroordeelde de betalingsregeling niet nakomt.
De rechtbank begrijpt uit de onderliggende stukken dat er bij de politie zorgen zijn over gevoelens van onrust en onveiligheid bij de plaatselijke bevolking bij terugkeer van veroordeelde in Oosterwolde. Deze zorgen zijn echter algemeen en niet concreet gemotiveerd.
De rechtbank maakt uit het onderliggende arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 maart 2025 op dat een van de feiten, te weten medeplegen van mishandeling en bedreiging, heeft plaats gevonden in Appelscha, gemeente Ooststellingwerf. De rechtbank is van oordeel dat uit de onderbouwing blijkt dat er in zijn algemeenheid zorgen zijn over terugkeer van veroordeelde naar Oosterwolde, maar dat deze zorgen onvoldoende concreet zijn gemotiveerd of onderbouwd. Dit geldt des te meer nu veroordeelde wel buiten Oosterwolde zou mogen wonen of zelfs in Appelscha, de pleegplaats van voornoemde feiten.
Met betrekking tot de betalingsregeling merkt de rechtbank op dat iemand die langdurig gedetineerd zit vaak over onvoldoende inkomen beschikt en in detentie geen inkomen kan genereren om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. Gelet op de wetsgeschiedenis mag dit in beginsel geen reden zijn om geen externe vrijheden te genereren.1 Daarnaast blijkt uit de door de raadsman overlegde stukken dat er contacten zijn met het CJIB over een betalingsregeling en dat er ook maandbedragen, die overeenkomen met deze betalingsregeling, zijn overgemaakt naar de rekening van het CJIB.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen De rechtbank verklaart het bezwaarschrift dan ook gegrond.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- bepaalt dat veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid zal worden gesteld op 6 februari 2026 om 16.00 uur.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.C.L. Vreugdenhil, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en
mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 februari 2026.
1. Kamerstukken II 2018/19, 35122