ECLI:NL:RBNNE:2026:1059

ECLI:NL:RBNNE:2026:1059

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 02-04-2026
Zaaknummer 18-338744-24
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Veroordeling voor gekwalificeerde opzetaanranding, meermalen gepleegd en feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd. In een periode van ruim een jaar heeft verdachte (in ieder geval) negentien vrouwen aangerand. Verdachte benaderde al fietsend zijn slachtoffers van achteren en betastte in het voorbijgaan hun billen dan wel hun schaamstreek waarna hij doorfietste. Dit gebeurde op klaarlichte dag. De slachtoffers hebben door zijn sluwe handelswijze geen tijd gehad om zichzelf aan de situatie te onttrekken. De verdachte heeft met zijn handelen een volledig gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit van zijn slachtoffers laten zien.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18-338744-24

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 april 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.D. Arends, advocaat te Groningen.

Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 24 augustus 2024 tot en met 19 oktober 2024 te

Groningen (telkens) met personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7]

en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] een of meer seksuele handelingen

heeft verricht, te weten (telkens) het betasten en/of aanraken en/of knijpen in de billen en/of de schaamstreek, althans het lichaam, terwijl hij, verdachte, (telkens) wist dat bij de bovengenoemde personen daartoe de wil ontbrak

en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door onverhoeds en/of ongezien en/of van achteren richting de hierboven genoemde personen te fietsen en/of zich te bewegen en/of (vervolgens) (gedurende enige tijd) hen onverhoeds en/of plotseling aan de billen en/of de schaamstreek, althans het lichaam, te betasten en/of aan te raken en/of te knijpen.

2.

hij in of omstreeks de periode van 7 augustus 2023 tot en met 29 mei 2024 te Groningen (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door onverhoeds en/of ongezien en/of van achteren richting de hieronder genoemde personen te fietsen en/of zich te bewegen en/of (vervolgens) (gedurende enige tijd) hen onverhoeds en/of plotseling aan de billen en/of de schaamstreek, althans het lichaam, te betasten en/of aan te

raken en/of te knijpen, (telkens) [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12]

en/of [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] en/of [slachtoffer 16] en/of [slachtoffer 17]

en/of [slachtoffer 18] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 19] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten (telkens) het betasten en/of aanraken en/of knijpen in de billen en/of de schaamstreek, althans

het lichaam.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat dit ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde alleen geldt voor de opzetaanranding. Van het kwalificerende onderdeel dwang dient verdachte te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het handelen van verdachte onverhoeds handelen betreft. Het onverhoeds handelen kan onder de nieuwe wetgeving mogelijk niet meer leiden tot het oordeel dat sprake is van dwang, zoals dat onder de oude wetgeving wel het geval was. Daarnaast is er geen sprake geweest van geweld of bedreiging richting de slachtoffers. Volgens de raadsvrouw zijn de gedragingen van verdachte daarom (enkel) aan te merken als opzetaanranding in de zin van artikel 241 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht hetgeen verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

15. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 31 oktober 2024, opgenomen op pagina 5 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 12] ;

15. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 november 2024, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 13] ;

15. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 april 2024, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 17] ;

15. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 april 2024, opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 18] ;

15. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 oktober 2024, opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 9] ;

15. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 maart 2024, opgenomen op pagina 22 e.v. van het aanvullend procesdossier van Politie Noord-Nederland, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 16] .

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van gekwalificeerde opzetaanranding, omdat de verdachte geen dwang, geweld en/of bedreiging heeft gebruikt bij het verrichten van de handelingen.

Bij het beoordelen van het verweer van de raadsvrouw stelt de rechtbank voorop dat voor het aannemen van dwang in de zin van artikel 241 lid 2 Sr sprake dient te zijn geweest van een zodanig pressie van de dader op het slachtoffer, dat het slachtoffer door die dwang niet of in verminderde mate de mogelijkheid had een vrije keuze te maken. De pressie kan een veelheid aan gedaanten aannemen, zoals een fysiek beletsel, in het nauw drijven of overrompelen. Of het gebruik van een dwangmiddel in een specifiek geval resulteert in dwang hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van dat geval.

Voor de strafbaarheid van aanranding onder artikel 246 Sr (oud) was vereist dat de dader de ander door geweld of door een andere feitelijkheid dwong tot het ondergaan van seksuele handelingen. Onder dit dwingen viel ook het onverhoeds handelen door de verdachte.

In de Memorie van Toelichting op de Wet seksuele misdrijven schrijft de wetgever dat artikel 241, tweede lid, Sr de rechtsopvolger is van artikel 246 Sr (oud).1

De rechtbank leidt hieruit af dat de wetgever wat betreft de gekwalificeerde opzetaanranding uit het tweede lid van artikel 241 Sr geen beperking in de reikwijdte van de strafbepaling voor ogen had ten opzichte van de oude wetgeving. Bovendien volgt uit eerdergenoemde Memorie van Toelichting dat van dwang in de zin van artikel 241 lid 2 Sr sprake is als de ander niet volledig in staat is hun/haar/zijn wil in vrijheid te bepalen én dat de huidige gekwalificeerde aanranding bewijstechnisch eenvoudiger van aard is dan aanranding onder de oude wetgeving. De rechtbank is dan ook, in lijn met de recente conclusie van de Advocaat-Generaal2, van oordeel dat er geen sprake is van een gewijzigd standpunt wat betreft dwang, in die zin dat onverhoedse handelingen daaronder niet meer vallen.

Bij het beantwoorden van de vraag of in onderhavige zaak sprake is van dwang neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zijn slachtoffers telkens van

achteren benaderde, terwijl zij nietsvermoedend over straat liepen of aan het hardlopen waren. Hierdoor zagen zij verdachte niet aankomen. De slachtoffers werden door verdachte overrompeld en hebben geen tijd gehad om zich te onttrekken aan, of verweren tegen verdachte, zoals ook blijkt uit de aangiftes. Op het moment dat de slachtoffers beseften wat hen was overkomen, was het al gebeurd en zagen zij verdachte wegfietsen.

De rechtbank komt op grond van voornoemde feiten en omstandigheden tot de conclusie dat de verdachte dwangmiddelen op de slachtoffers heeft toegepast - bestaande uit het onverhoeds handelen en het overrompelen van zijn slachtoffers -, waardoor de slachtoffers niet of in verminderde mate de mogelijkheid hadden zich aan de situatie te onttrekken.

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd is de rechtbank op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat het onverhoeds handelen van verdachte wel degelijk dwang oplevert in de zin van artikel 241 lid 2 Sr en dat derhalve wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er sprake is van gekwalificeerde opzetaanranding.

Bewezenverklaring

2 2.hij in de periode van 7 augustus 2023 tot en met 29 mei 2024 te Groningen telkens door een feitelijkheid, te weten door onverhoeds en/of ongezien en/of van achteren richting de hieronder genoemde personen te fietsen en/of zich te bewegen en vervolgens hen onverhoeds aan de billen en/of de schaamstreek, te betasten, telkens [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] en [slachtoffer 17] en [slachtoffer 18] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 19] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten telkens het betasten van de billen en/of de schaamstreek.

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. ​

hij in de periode van 24 augustus 2024 tot en met 19 oktober 2024 te Groningen telkens met personen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten telkens het betasten van de billen en/of de schaamstreek, terwijl hij, verdachte, telkens wist dat bij de bovengenoemde personen daartoe de wil ontbrak en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door en vergezeld van dwang, door onverhoeds en/of ongezien en/of van achteren richting de hierboven genoemde personen te fietsen en/of zich te bewegen en vervolgens hen onverhoeds aan de billen en/of de schaamstreek te betasten.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

1 gekwalificeerde opzetaanranding, meermalen gepleegd

Het bewezen verklaarde levert op:

2. feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in de door haar omtrent verdachte opgemaakte rapportage van 17 juni 2025. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de rechtbank een aanvullende bijzondere voorwaarde aan verdachte oplegt, inhoudend dat de verdachte zich door een psycholoog laat onderzoeken als de reclassering dat nodig acht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ervoor gepleit om, gelet op de persoon van verdachte en het feit dat hij inmiddels al gestart is met zijn behandeling bij de AFPB, aan verdachte een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen in combinatie met de maximale taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In een periode van ruim een jaar heeft verdachte (in ieder geval) negentien vrouwen aangerand. Verdachte benaderde al fietsend zijn slachtoffers van achteren en betastte in het voorbijgaan hun billen dan wel hun schaamstreek waarna hij doorfietste. Dit gebeurde op klaarlichte dag. De slachtoffers hebben door zijn sluwe handelswijze geen tijd gehad om zichzelf aan de situatie te onttrekken. Twee slachtoffers zijn zelfs twee keer door de verdachte aangerand, waardoor hun angst dat dit persoonlijk op hen was gericht, des te groter moet zijn geweest.

Het behoeft geen uitleg dat dit soort feiten een grote impact hebben op de slachtoffers, hetgeen ook is gebleken uit de aangiftes en de slachtofferverklaringen die ter terechtzitting zijn uitgesproken. De verdachte heeft met zijn handelen een volledig gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit van zijn slachtoffers laten zien. Hij heeft hen in een ogenblik het gevoel van veiligheid en onbevangenheid ontnomen. Hij is doelbewust en berekenend te werk gegaan door toe te slaan op plaatsen en momenten dat zijn slachtoffers, die hij kennelijk willekeurig uitkoos, alleen, op veelal de vroege ochtend, aan het wandelen of hardlopen waren. Het zijn precies dit soort feiten waardoor vrouwen zich beperkt voelen in hun bewegingsvrijheid om in hun eentje over straat te gaan. Dat vrouwen zich veilig en ongestoord in de openbare ruimte kunnen bewegen zou vanzelfsprekend moeten zijn. Deze vanzelfsprekendheid is door de verdachte echter beschadigd en hij heeft met zijn handelen gedurende een lange periode eigenhandig bijgedragen aan de afbreuk daarvan. Dat rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten zou volgens de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel gerechtvaardigd zijn. Gelet op de tijd die inmiddels is verstreken, de persoon van verdachte, alsmede de omstandigheid dat de verdachte in de aanloop naar de zitting aan zichzelf heeft gewerkt en er blijk van heeft gegeven inmiddels de verwijtbaarheid en de impact van zijn handelen in te zien, is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen te rechtvaardigen doel meer dient.

Ter beantwoording van de vraag op welke wijze de onderhavige zaak moet worden afgedaan, heeft de rechtbank ook acht geslagen op de persoon van verdachte en hetgeen de deskundigen hieromtrent adviseren. De rechtbank heeft in dat kader acht geslagen op de door de Reclassering Nederland omtrent verdachte opgemaakte rapportage van 17 juni 2025. Daaruit blijkt dat de reclassering het recidiverisico als matig-hoog inschat. De reclassering schrijft dat er mogelijk sprake is van ontwikkelingsproblematiek bij verdachte. Verder schrijft zij dat zij het positief vindt dat verdachte in behandeling is bij de AFBP en dat deze behandeling recidive verminderend kan werken. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld de door haar in de rapportage geformuleerde bijzondere voorwaarden.

Op grond van voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het passend is om aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen. Daarnaast dient een voorwaardelijke gevangenisstraf als waarschuwing aan verdachte, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. De rechtbank acht het noodzakelijk dat verdachte onder toezicht van de reclassering komt te staan en dat de aanvullende voorwaarde van ambulante behandeling wordt opgelegd om zo het recidiverisico te beperken.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 372 dagen (met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr), waarvan 365 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf koppelt de rechtbank de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en ambulante behandeling.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.

Ten aanzien van feit 1

1. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van 1.250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

2. [ [slachtoffer 3] , tot een bedrag van 1.250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

2. [ [slachtoffer 1] , tot een bedrag van 1.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

2. [ [slachtoffer 7] , tot een bedrag van 1.250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

2. [ [slachtoffer 6] , tot een bedrag van 1.250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

2. [ [slachtoffer 5] , tot een bedrag van 2.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Ten aanzien van feit 2

1. [slachtoffer 13] , tot een bedrag van 1.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

2. [ [slachtoffer 18] , tot een bedrag van 1.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

2. [ [slachtoffer 17] , tot een bedrag van 1.250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

2. [ [slachtoffer 14] , tot een bedrag van 1.250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

2. [ [slachtoffer 19] , tot een bedrag van 1.250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

2. [ [slachtoffer 10] , tot een bedrag van 3.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

2. [ [slachtoffer 11] , tot een bedrag van 4.045,00 ter vergoeding van materiële schade en

1.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vorderingen, op die van [slachtoffer 11] en [slachtoffer 3] na, niet dan wel onvoldoende zijn onderbouwd. De raadsvrouw heeft zich daarom primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schadebedragen moeten worden gematigd tot een bedrag van

500,00.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 11] heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat uit de toelichting bij de vordering - een brief van de psycholoog - volgt dat [slachtoffer 11] eerder het slachtoffer is geweest van seksuele intimidatie. Derhalve kan volgens de raadsvrouw niet worden vastgesteld welk gedeelte van de gevorderde schade te wijten is aan het handelen van verdachte. De raadsvrouw heeft de rechtbank daarom verzocht de vordering van [slachtoffer 11] niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten aanzien van de gevorderde materiële schade gebruik dient te maken van haar schattingsbevoegdheid. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw aangevoerd dat dit bedrag gematigd dient te worden tot 500,00.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van [slachtoffer 2] (feit 1), [slachtoffer 13] (feit 2), [slachtoffer 18] (feit 2), [slachtoffer 3]

(feit 1), [slachtoffer 1] (feit 1), [slachtoffer 17] (feit 2), [slachtoffer 14] (feit 2), [slachtoffer 7] (feit 1),

[slachtoffer 19] (feit 2), [slachtoffer 6] (feit 1) en [slachtoffer 10] (feit 2)

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Dit is onder meer het geval bij aantasting in de persoon op andere wijze. Van aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De rechtbank is van oordeel dat de laatstgenoemde omstandigheid zich hier voordoet. De benadeelde partijen zijn op klaarlichte dag, onverhoeds, door de verdachte bij hun billen en/of rondom hun schaamstreek betast. Daarmee is op grove wijze inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte immateriële schade hebben geleden.

Gelet op alle omstandigheden, de bedragen die in vergelijkbare zaken zijn toegekend en gelet op de Rotterdamse schaal, zal de rechtbank de vorderingen toewijzen tot een bedrag van

1.000,00 vermeerderd met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Voor wat betreft het meer gevorderde aan immateriële schade zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ook ten aanzien van [slachtoffer 5] (feit 1) overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden en dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt. Aangeefster is op klaarlichte dag, onverhoeds door de verdachte in haar billen geknepen. Vervolgens is de verdachte omgekeerd en heeft hij haar opnieuw bij haar billen betast. Daarmee is op grove wijze inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Gelet op de omstandigheid dat verdachte twee keer kort achter elkaar de billen van aangeefster heeft betast en hiermee een voor aangeefster zeer beangstigende situatie heeft gecreëerd, ziet de rechtbank geen

aanleiding om het gevorderde immateriële schadebedrag te matigen. De vordering zal daarom geheel worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 september 2024 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van [slachtoffer 11] (feit 2)

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer 11] schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De raadsvrouw heeft verzocht het gevorderde immateriële schadedeel niet-ontvankelijk te verklaren dan wel te matigen, nu slachtoffer eerder te maken heeft gehad met seksuele intimidatie. Hierdoor is het volgens de raadsvrouw niet te achterhalen welk gedeelte van de behandelingen van slachtoffer bij de psycholoog zien op trauma, veroorzaakt door de verdachte. Het feit dat aangeefster reeds voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit slachtoffer is geweest van een soortgelijk feit, verbreekt het causale verband tussen het handelen van de verdachte en de schade naar het oordeel van de rechtbank niet. Ook klachten die mede zijn terug te voeren op eerder bestaande omstandigheden van een slachtoffer, moeten de veroorzaker worden toegerekend op grond van artikel 6:98 BW. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering zal daarom geheel worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 16 december 2023 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 60a, 241, 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 372 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 365 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1)

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:

Verklaart de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 september 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 1)

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 3] te betalen:

Verklaart de vordering van [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:

Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 7] (feit 1)

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 7] te betalen:

Verklaart de vordering van [slachtoffer 7] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 7] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 6] (feit 1)

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 6] te betalen:

Verklaart de vordering van [slachtoffer 6] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 6] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 5] (feit 1)

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 5] te betalen:

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.500,00 (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 13] (feit 2)

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 13] te betalen:

Verklaart de vordering van [slachtoffer 13] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 13] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 18] (feit 2)

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 18] te betalen:

Verklaart de vordering van [slachtoffer 18] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 18] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 april 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 17] (feit 2)

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 17] te betalen:

Verklaart de vordering van [slachtoffer 17] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 17] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 april 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 14] (feit 2)

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 14] te betalen:

Verklaart de vordering van [slachtoffer 14] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 14] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 19] (feit 2)

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 19] te betalen:

Verklaart de vordering van [slachtoffer 19] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 19] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 10] (feit 2)

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 10] te betalen:

Verklaart de vordering van [slachtoffer 10] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 10] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2023 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 11] (feit 2)

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 11] te betalen:

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 11] aan de Staat te betalen een bedrag van 5.045,00 (zegge: vijfduizend vijfenveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 december 2023 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 4.045,00 aan materiële schade en 1.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 50 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. van der Werff, voorzitter, mr. H. de Ruijter en

mr. S. Zoer, rechters, bijgestaan door mr. M.A.W. Egberink , griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 april 2026.

mr. M.A.W. Egberink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1. Tweede Kamer, vergaderjaar 20222023, 36 222, nr. 3, p. 81

2 ECLI:NL:PHR:2026:63

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H. van der Werff
  • mr. H. de Ruijter
  • mr. S. Zoer

Griffier

  • mr. M.A.W. Egberink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?