ECLI:NL:RBNNE:2026:1090

ECLI:NL:RBNNE:2026:1090

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 03-04-2026
Zaaknummer 18-267676-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee brandstichtingen van scooters waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was, het medeplegen van vernieling van een scooter en een winkeldiefstal. De rechtbank komt tot een gevangenisstraf van 270 dagen waarvan 94 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en oplegging van bijzondere voorwaarden. De rechtbank houdt in strafverminderende mate rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18-267676-25

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18-276747-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 3 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 maart 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.J.H. Lina, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Parketnummer 18-267676-25

1.

hij op of omstreeks 3 augustus 2025 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een deelscooter van Check in aanraking te brengen met een brandbare vloeistof en dit met open vuur in aanraking te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de omliggende struiken en/of bosschage en/of het wegdek te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 augustus 2025 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Check, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 7 oktober 2025 te Leeuwarden opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een deelscooter van Check in aanraking te brengen met een brandbare vloeistof en dit met open vuur in aanraking te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten omliggende struiken en/of bosschage en/of het wegdek te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot en veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 oktober 2025 te Leeuwarden opzettelijk en wederrechtelijk een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Check, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

3.

hij op of omstreeks 10 oktober 2025 te Leeuwarden opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een deelscooter van Check in aanraking te brengen met een brandbare vloeistof en dit met open vuur in aanraking te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten omliggende struiken en/of bosschage en/of het wegdek te duchten was.

Parketnummer 18-276747-25

hij, op of omstreeks 6 augustus 2025 te Leeuwarden verzorgingsproducten en/of voedingsmiddelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

Parketnummer 18-267676-25

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het in de zaak met parketnummer 18-267676-25 onder 1. primair ten laste gelegde en veroordeling gevorderd voor het in de zaak met parketnummer 18-267676-25 onder 1. subsidiair, onder 2. primair, onder 3. en voor het in de zaak met parketnummer 18-276747-25 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

Parketnummer 18-267676-25

Feit 1

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er is geen sprake geweest van gemeen gevaar voor goederen. Uit het dossier blijkt onvoldoende of de brandende scooter in de buurt van struiken of bosschages heeft gestaan. Voorts kan een wegdek niet worden gekwalificeerd als enig goed. Verdachte kan daarnaast niet worden aangemerkt als medepleger van het ten laste gelegde. Hoewel verdachte bij de brand aanwezig is geweest, heeft niet hij, maar de medeverdachte

[medeverdachte] de scooter in brand gestoken. Verder heeft verdachte tot aan het moment van de brand geprobeerd de medeverdachte ervan te overtuigen om de scooter niet in brand te steken. Gelet op het geringe aandeel van verdachte kan niet worden gezegd dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte.

Feit 2

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde brandstichting omdat er geen sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen. Zij heeft aangevoerd dat ook in dit geval uit het dossier onvoldoende blijkt dat de brandende scooter in de buurt van struiken of bosschages stond. Voorts kan een wegdek niet worden gekwalificeerd als enig goed.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Feit 3

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Parketnummer 18-276747-25

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Parketnummer 18-267676-25

Feit 1

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 20 maart 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Mijn vriendin wilde brandstichten. Zij stelde voor om een scooter bij [adres] in brand te steken. Ze zei: “Of je gaat mee of ik doe het alleen”. Om haar te behouden ben ik meegegaan. Ik wilde de brand klein houden. Mijn vriendin had de benzine al eerder gekocht en dit zat in de buddyseat van mijn scooter. Toen wij op 3 augustus 2025 bij de scooter waren die mijn vriendin in brand wilde steken, heb ik de buddyseat opengemaakt en pakte mijn vriendin de benzine eruit en stak daarmee de scooter aan.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 12 oktober 2025, opgenomen op pagina 70 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025277520 van 6 december 2025, inhoudend de verklaring van [aangever] :

Er wordt aangifte gedaan namens Check. Een van onze deelscooters is afgebrand tussen 26 juli en 3 augustus 2025. Dit was bij [adres] in Leeuwarden.

Bewijsoverweging

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of er sprake is geweest van medeplegen en of er gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de medeverdachte in het bijzijn van verdachte op 3 augustus 2025 een scooter van Check Netherlands B.V., in Leeuwarden met behulp van benzine in de brand heeft gestoken. Het idee kwam van de medeverdachte en verdachte is hierin meegegaan. Verdachte en de medeverdachte zijn samen op de scooter van verdachte naar de scooter gereden die in brand zou worden gestoken. De medeverdachte bewaarde benzine in de buddyseat van de scooter van verdachte. Toen zij bij de in brand te steken scooter stonden, heeft verdachte de buddyseat geopend waarna de medeverdachte de benzine er heeft uitgehaald en de deelscooter in brand heeft gestoken. Verdachte stond toen op enige afstand van de deelscooter. Verdachte en de medeverdachte zijn daarna samen vertrokken.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte is meegegaan in het idee van de medeverdachte om een scooter in brand te steken. Beiden hadden zij opzet op het in brand steken van de betreffende scooter.

Dat verdachte de medeverdachte heeft geprobeerd ervan te weerhouden de scooter in brand te steken, doet niet af aan zijn opzet. Hij heeft immers uiteindelijk de keuze gemaakt zich daarbij aan te sluiten, zodat de brand niet uit de hand zou lopen en om de schuld op zich te kunnen nemen. De medeverdachte heeft benzine in de buddyseat van de scooter van verdachte gedaan. Verdachte heeft de medeverdachte gefaciliteerd door samen met haar op zijn scooter naar de deelscooter te rijden die in brand zou worden gestoken. De medeverdachte heeft vervolgens ook die deelscooter in brand gestoken. Van een nauwe en bewuste samenwerking is naar het oordeel van de rechtbank dus sprake en daarom kan het medeplegen worden bewezen.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat er gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest. Om die reden zal de rechtbank de verdachte van de onder 1. primair ten laste gelegde brandstichting vrijspreken. Wel acht de rechtbank op grond van de voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het

onder 1. subsidiair ten laste gelegde medeplegen van vernieling van de scooter.

Feit 2

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 20 maart 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb op 7 oktober 2025 in Leeuwarden met behulp van een aansteker en benzine een scooter in brand gestoken aan [adres] .

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 12 oktober 2025, opgenomen op pagina 72 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025277520 van 6 december 2025, inhoudend de verklaring van [aangever] :

Er wordt aangifte gedaan namens Check. Een van onze deelscooters is afgebrand tussen 4 en 7 oktober 2025. Dat was aan [adres] in Leeuwarden.

3. De eigen waarneming van deze rechtbank ten aanzien van de afbeelding op pagina 89 van het proces-verbaal van voorgeleiding, voor zover inhoudend:

De rechtbank neemt waar dat op de afbeelding te zien is dat de scooter op de stoep staat en de stoep op deze plek is zwartgeblakerd.

Bewijsoverweging

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Uit voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte op 7 oktober 2025 een scooter van Check in Leeuwarden met behulp van een aansteker en benzine in de brand gestoken terwijl deze scooter op de stoep stond en de stoep naar aanleiding hiervan is zwartgeblakerd.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen. De scooter heeft op het wegdek gestaan en het wegdek is naar aanleiding van de scooterbrand zwartgeblakerd.

Naar algemene ervaringsregels is voorzienbaar dat wanneer op de weg goederen in de brand worden gestoken waarbij tevens gebruik wordt gemaakt van een brandbare vloeistof, dit gemeen gevaar het wegdek oplevert.1 De rechtbank acht de onder 2. ten laste gelegde brandstichting dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

Parketnummer 18-276747-25

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18-267676-25 onder 1. subsidiair, onder 2. primair en onder 3. en het in de zaak met parketnummer 18-276747-25 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

Parketnummer 18-267676-25

1. subsidiair

hij op 3 augustus 2025 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een scooter, die geheel aan Check toebehoorde heeft vernield;

primair

hij op 7 oktober 2025 te Leeuwarden opzettelijk brand heeft gesticht door een deelscooter van Check in aanraking te brengen met een brandbare vloeistof en dit met open vuur in aanraking te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het wegdek te duchten was;

hij op 10 oktober 2025 te Leeuwarden opzettelijk brand heeft gesticht, door een deelscooter van Check in aanraking te brengen met een brandbare vloeistof en dit met open vuur in aanraking te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor bosschage en het wegdek te duchten was.

Parketnummer 18-276747-25

hij op 6 augustus 2025 te Leeuwarden verzorgingsproducten en voedingsmiddelen die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Parketnummer 18-267676-25

Parketnummer 18-276747-25

diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-267676-25 onder 1. subsidiair, 2. primair en 3. en het in de zaak met parketnummer 18-276747-25 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht (Sr) en met een proeftijd van drie jaren en oplegging van bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar moeten worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte omdat verdachte al lang genoeg heeft vastgezeten.

Door verdachte langer gedetineerd te laten, blijft er weinig ruimte over voor oplegging van een voorwaardelijke straf.

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een deels voorwaardelijke straf met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, maar met uitzondering van een verplichte klinische behandeling. Het is namelijk vooralsnog onduidelijk op welk termijn en in welke kliniek verdachte kan worden opgenomen en behandeld kan worden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van 13 maart 2026 en de Pro Justitia rapportage van psycholoog D.R. van der Velden van 22 februari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in een relatief korte periode schuldig gemaakt aan een vernieling, twee brandstichtingen en een diefstal.

Het eerste feit, gekwalificeerd als vernieling, heeft verdachte samen met zijn vriendin gepleegd. Zij moest haar emoties kwijt en wilde dit afreageren door een deelscooter in brand te steken. Verdachte heeft haar daarbij geholpen. Twee maanden later heeft verdachte kort na elkaar in het bijzijn van die vriendin zelf twee deelscooters in brand gestoken. Enerzijds om aan zijn behoeftes te voldoen, namelijk het in actie zien komen van hulpdiensten, en anderzijds om zijn negatieve gevoelens te uiten.

Door de vernieling en de brandstichtingen is er flinke schade ontstaan aan de scooters van Check. Door de brandstichtingen is het risico in het leven geroepen dat goederen vernield of beschadigd zouden raken, welke risico zich deels heeft verwezenlijkt. Verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van Check en heeft laten zien geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van een ander. Dit geldt ook voor de diefstal die verdachte heeft gepleegd, waarbij hij een groot aantal producten bij [bedrijf 1] heeft weggenomen.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij met het plegen van de brandstichtingen volledig voorbij is gegaan aan de belangen van anderen en slechts oog heeft gehad voor zichzelf, zijn vriendin en hun eigen emoties.

Persoon van verdachte

Volgens de psycholoog die over verdachte heeft gerapporteerd, is verdachte een beneden gemiddeld tot gemiddeld intelligente man met een borderline persoonlijkheidsstoornis en antisociale trekken. Ook heeft hij ADHD en een stoornis in het gebruik van cannabis. Verdachte heeft zijn delicten gepland en is zich bewust van de ontoelaatbaarheid hiervan. Hij bagatelliseert echter de impact van zijn handelen en hij beseft zich onvoldoende wat de gevolgen van zijn gedrag zijn. Voorts bestaan er serieuze beperkingen in het sturingsgedrag van verdachte. Deze beperkingen worden vermoedelijk gestimuleerd door cannabisgebruik. Er is namelijk sprake van een levenslang patroon van emotionele disregulatie, gebrekkige impulscontrole, ontremming en behoeft naar sensatie of adrenaline en dit alles in samenhang met zijn borderline persoonlijkheidsstoornis en ADHD.

Deze stoornissen en beperkingen waren aanwezig ten tijde van het plegen van de feiten en hebben zijn handelen op dat moment beïnvloed. Geadviseerd wordt om de feiten in verminderde mate toe te rekenen aan verdachte.

Verdachte heeft weinig beschermende factoren en het risico op recidive wordt ingeschat als hoog.

De psycholoog adviseert oplegging van (deels) voorwaardelijke straf met een forensische klinische behandeling als bijzondere voorwaarde. Een dergelijke intensieve behandeling lijkt aangewezen om het recidiverisico te verminderen. Reclasseringstoezicht is daarnaast noodzakelijk om urinecontroles af te nemen en te controleren of verdachte zich aan de voorwaarden houdt. Verdachte heeft volgens de psycholoog ingestemd om mee te werken aan een klinische behandeling.

De reclassering heeft ook over verdachte gerapporteerd en merkt de partnerrelatie, het psychosociaal functioneren en de houding van verdachte als delict gerelateerde factoren aan. Verdachte is een kwetsbare en getraumatiseerde man. Door zijn impulsieve gedragingen kan er onvoldoende stabiliteit voor hem worden gecreëerd. In het verleden zijn er zowel vrijwillige als gedwongen hulpverleningstrajecten opgestart, maar dit heeft tot op heden onvoldoende tot gedragsverandering geleid. Verdachte is daarnaast bekend binnen het Zorg- en Veiligheidshuis Friesland.

De GGZ Friesland biedt hem hulp vanuit deze aanpak, maar een inhoudelijke behandeling is nog niet gestart. Verdachte komt namelijk zijn afspraken niet na.

Verdachte woont in een huurwoning in [plaats] en voordat hij gedetineerd raakte had hij dagbesteding bij [bedrijf 2] in [plaats] . Voorts staat verdachte onder curatele en leeft hij van weekgeld. Er zijn geen financiële problemen. Verder zijn er enkele steunende contacten in zijn sociaal netwerk. Verdachte gebruikte voor zijn detentie dagelijks cannabis. Ten aanzien van reclasseringsinterventies toont verdachte zich gemotiveerd en in tegenstelling tot eerdere mislukte (pogingen tot) behandelingen, zullen deze volgens verdachte nu wel slagen. De reclassering merkt echter wel op de zij sociaal wenselijke antwoorden van verdachte niet kunnen uitsluiten.

De rechtbank neemt voormelde conclusie van de psycholoog ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte over. De rechtbank rekent het bewezenverklaarde dan ook in verminderde mate aan verdachte toe.

Straf

De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte driemaal eerder is veroordeeld voor diefstal.

De aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen dat een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur in de vorm van een gevangenisstraf aan verdachte wordt opgelegd. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De officier van justitie is in zijn strafeis uitgegaan van de richtlijn van het openbaar ministerie voor brandstichting van autos. De rechtbank zal echter, rekening houden met de omstandigheid dat de in brand gestoken goederen scooters betreffen en komt daarom uit op een lagere straf dan de officier van justitie.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen waarvan 94 dagen voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr en met een proeftijd van drie jaren met oplegging

van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering passend en geboden. Het is de bedoeling van de rechtbank dat verdachte vrij komt op de dag van de uitspraak. Voor wat betreft de klinische opname is het op dit moment onbekend wanneer die zal zijn. Om die reden zal de rechtbank in de voorwaarden opnemen dat de klinische opname maximaal één jaar zal duren en die termijn zal ingaan op het moment dat deze opname is gerealiseerd.

De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren aangezien niet is voldaan aan de wettelijke vereisten die daarvoor gelden. De bewezen verklaarde feiten betreffen geen feiten die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

Benadeelde partij

Parketnummer 18-267676-25

[naam] heeft zich namens Check Netherlands B.V. als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 8.544,66 ter vergoeding van materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat niet blijkt dat [naam] gemachtigd is om namens Check Netherlands B.V. een vordering in te dienen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat onduidelijk is of [naam] gemachtigd is om namens Check Netherlands B.V. een vordering tot schadevergoeding in te dienen. Een uittreksel uit de Kamer van Koophandel en een machtiging, ontbreken. Daar komt bij dat er onduidelijkheden zijn over de gevorderde schadeposten.

Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen om alsnog aan te tonen dat [naam] gemachtigd is en om de schade te onderbouwen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en de rechtbank zal dat dan ook niet doen. De rechtbank zal de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 157, 310, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18-267676-25 onder 1. primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder in de zaak met parketnummer 18-267676-25 onder 1. subsidiair, 2. primair en 3. en het in de zaak met parketnummer 18-276747-25 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf (een gedeelte, groot 94 dagen), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De veroordeelde meldt zich binnen 5 dagen na het ingaan van de proeftijd;

2. dat de veroordeelde zich tijdens de proeftijd voor maximaal één jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het opstellen van een delictscenario en risicomanagementplan, vergroten van impulscontrole, frustratie- en emotieregulatie, aanleren van adequate coping, behandelen van cannabisverslaving en traumas en het opstellen van een rehabilitatieplan met passend (beschermd) wonen en werken, rekening houdend met zijn instabiele basis en problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

3. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door GGZ Friesland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend op en/of voorafgaand aan de klinische behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling aansluitend op de klinische behandeling is gericht op de aanknopingspunten die vanuit die behandeling worden meegegeven;

4. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend op de klinische behandeling. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

5. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd geen alcohol en drugs gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Benadeelde partij

Ten aanzien van parketnummer 18-267676-25

Verklaart de vordering van de benadeelde partij Check Netherlands B.V. niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij Check Netherlands B.V. haar eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. H.C.L. Vreugdenhil en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Klungel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 april 2026.

Mr. E.P. van Sloten en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Zie ook ECLI:NL:RBNNE:2024:1719.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. N.A. Vlietstra
  • mr. H.C.L. Vreugdenhil
  • mr. E.P. van Sloten

Griffier

  • mr. M.M. Klungel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?