ECLI:NL:RBNNE:2026:1097

ECLI:NL:RBNNE:2026:1097

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 07-04-2026
Zaaknummer 18.022435.23
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Veroordeling voor een poging tot doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren (onder de algemene voorwaarden). Verdachte heeft het slachtoffer meermalen met een hamer op zijn hoofd geslagen. De rechtbank heeft een hogere straf opgelegd dan geëist door de officier van justitie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18.022435.23

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 maart 2026.

Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen de raadsvrouw van verdachte mr. J.S. Özsaran, advocaat te Groningen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 januari 2023 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, (meermalen) met een hamer op het hoofd en/of in/tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 januari 2023 te Groningen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in de schedel en/of gehoorverlies aan het rechteroor en/of een (aantal) hoofdwond(en), heeft toegebracht door voornoemde [slachtoffer] (meermalen) met een hamer op het hoofd en/of in/tegen het gezicht te slaan;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 januari 2023 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meermalen) met een hamer op het hoofd en/of in/tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich met voornoemd standpunt van de officier van justitie verenigd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 januari 2023, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023019133 d.d. 18 mei 2023, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] ;

2. Een forensisch medische letselrapportage met benoeming als gerechtelijk deskundige d.d. 29 april 2024, als los document bij voornoemd dossier gevoegd, opgemaakt en ondertekend door T. Naujocks, forensisch arts;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 januari 2023, opgenomen op pagina 68 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verdachte.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij, op 21 januari 2023 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een hamer op het hoofd en tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair.poging tot doodslag

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en daarnaast tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis (met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht). In haar strafeis heeft de officier van justitie er in strafmatigende zin rekening mee gehouden dat er in de onderhavige zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en voorts met het feit dat de voorlopige hechtenis van verdachte bijna drie jaar lang geschorst is geweest en dat deze schorsingsperiode positief is verlopen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de strafeis van de officier van justitie en de daar door haar aan ten grondslag gelegde onderbouwing, met dien verstande dat zij ervoor heeft gepleit om de op te leggen onvoorwaardelijke taakstraf enigszins te matigen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit de omtrent hem opgemaakte rapportages en uit hetgeen de raadsvrouw hieromtrent ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag gericht tegen zijn buurman [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), met wie hij onenigheid had over een fiets, door hem meermalen met een hamer op zijn hoofd en tegen zijn gezicht te slaan. Twee buurtbewoners die bij het incident aanwezig waren, hebben in hun getuigenverklaringen aangegeven dat zij het geluid van de hamer die op het hoofd van het slachtoffer terechtkwam niet meer zullen vergeten, hetgeen niet alleen iets zegt over heftigheid van het geweld, maar ook over de indruk die dit op omstanders moet hebben gemaakt. Dat het geweld geen fatale afloop heeft gehad is niet aan verdachte te danken.

Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem niet alleen lichamelijk letsel, maar ook een traumatische ervaring bezorgd. Uit de ter terechtzitting namens het slachtoffer voorgelezen slachtofferverklaring werd duidelijk dat hij nog immer fysieke en mentale problemen ondervindt van hetgeen hem destijds door verdachte is aangedaan.

De rechtbank rekent dit alles verdachte zeer aan en overweegt dat het plegen van een dergelijk strafbaar feit de oplegging van een forse straf in beginsel dan ook zonder meer rechtvaardigt.

Ter beantwoording van de vraag hoe de onderhavige zaak precies moet worden afgedaan, houdt de rechtbank ook rekening met de persoon van verdachte en hetgeen de deskundigen hieromtrent adviseren. Verdachte zelf is echter tot twee keer toe niet bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak verschenen en getuige de inhoud van de zich in het dossier bevindende reclasseringsrapportages dateert de laatste keer dat de reclassering daadwerkelijk met verdachte in gesprek is geweest van maart 2023.

Daarna is het de reclassering, ondanks herhaalde pogingen daartoe, niet meer gelukt om nog met verdachte in contact te komen. In haar meest recente reclasseringsrapportage d.d. 30 januari 2026 geeft de reclassering derhalve aan dat zij wegens het ontbreken van actuele informatie niet tot een strafadvies kan komen.

De reeds benoemde heftigheid van het door verdachte gepleegde geweld, alsmede het feit dat hij zelf geen initiatief heeft genomen om met de reclassering in gesprek te gaan, terwijl daarvoor wel alle aanleiding bestond in het licht van de naderende strafzaak en hij evenmin ter terechtzitting is verschenen, zodat de rechtbank met hem in gesprek kon gaan over hetgeen er is gebeurd, maken dat de rechtbank van oordeel is dat niet kan worden volstaan met de oplegging van een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf zoals geëist door de officier van justitie.

De rechtbank acht geen andere straf passend dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de precieze hoogte van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank in strafmatigende zin rekening houden met de constatering dat er in de onderhavige zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen berechting dient plaats te vinden, zonder dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen. Het voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf dient voorts als stok achter de deur, teneinde ervoor zorg te dragen dat het ook in de toekomst rustig blijft tussen verdachte en het slachtoffer en er geen nieuwe incidenten plaats zullen vinden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, onder de algemene voorwaarden.

De rechtbank legt daarmee aldus een hogere straf op dan door de officier van justitie geëist omdat zij, zoals hierboven reeds omschreven, van oordeel is dat met voornoemde straf, in dit geval, recht wordt gedaan aan de ernst van het bewezen verklaarde.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht de onder verdachte in beslag genomen hamer (omschrijving: PL0100-2023019133-G1567833) vatbaar voor verbeurdverklaring, nu dit een voorwerp betreft met behulp waarvan verdachte het strafbare feit heeft begaan en deze aan hem toebehoort.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 10.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] integraal kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag dient te worden gematigd.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Aan de wettelijke vereisten genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW), is voldaan. Door de gedragingen van verdachte is de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij geschonden.

Met inachtneming van de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend en de zogenoemde Rotterdamse schaal, acht de rechtbank een vergoeding van 7.500,00 billijk.

Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de immateriële schade dan ook op 7.500,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2023. De rechtbank verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. De vordering kan voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen:

- 1 STK hamer (omschrijving:PL0100-2023019133-G1567833).

Ten aanzien van 18.022435.23, primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:

Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 7.500,00 (zegge: zeven duizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2023 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 62 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.V. Nolta, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. L. van der Weide, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. drs. J.V. Nolta
  • mr. L.W. Janssen
  • mr. T.R. Bosker

Griffier

  • mr. L. van der Weide

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?