ECLI:NL:RBNNE:2026:1117

ECLI:NL:RBNNE:2026:1117

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer LEE 25/1986
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Geschil over hoogte toegekende immateriële schadevergoeding van € 3.000,- Eiser betoogt dat het Instituut bij de berekening van de hoogte van de schadevergoeding ten aanzien van de bouwsteen ‘doorlooptijd’ ten onrechte enkel rekening heeft gehouden met de periode dat hij woonachtig is geweest in het aardbevingsgebied. Volgens eiser heeft zijn vertrek uit het aardbevingsgebied allerminst tot gevolg gehad dat de aardbevingsproblematiek en de wissel die deze problematiek op zijn gemoedstoestand trok en trekt, hem heeft verlaten. De stress en onzekerheid na zijn verhuizing zijn juist groter geworden omdat hij zat met een niet-verkoopbare woning en dubbele lasten. De totale afhandelingsduur was 52 maanden. Eiser stelt dat hij de elf andere onroerende zaken samen met zijn vrouw heeft aangeschaft ter ondersteuning van zijn inkomen en pensioen. Volgens eiser is het juist de combinatie van het aantal lopende schadezaken en de duur daarvan die maken dat onverkorte toepassing van het IMS-kader door het Instituut onredelijk is, althans onevenredig voor hem uitpakt. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet slaagt. De rechtbank stelt vast dat als rekening zou worden gehouden met de door eiser berekende doorlooptijd van 52 maanden (in plaats van de doorlooptijd van 27 maanden die het Instituut heeft vastgesteld), die afhandelingsduur niet tot een hogere vergoeding voor immateriële schade zou leiden. Hoewel die totale afhandelingsduur van 52 maanden zou leiden tot een aanwijzing (2) als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Procedure en werkwijze Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022, zou dat binnen de gestandaardiseerde methode resulteren in een vergoeding van dezelfde hoogte als die eiser al heeft gekregen, namelijk € 3.000,-. Eiser zou dan nog steeds in categorie C (ernstige persoonsaantasting) vallen. Wat bouwsteen 4 (doorlooptijd) betreft heeft het Instituut voldoende deugdelijk gemotiveerd welke keuzes daarbij zijn gemaakt en waarom de feitelijke woonsituatie van belang is als het gaat om de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de aanvraag tot vergoeding van de fysieke schade aan de woning(en) van de aanvrager. Eiser heeft geen argumenten ingebracht die kunnen afdoen aan deze keuze, of anderszins moeten leiden tot het oordeel dat het Instituut de andere elf panden in Groningen ten onrechte niet bij de beoordeling van eisers aanvraag heeft betrokken. Eisers stelling dat het meenemen van afhandelingsduren van alle procedures betreffende fysieke schade aan die elf panden zou kunnen leiden tot een betere startpositie voor hem in de toekomst is geen rechtens te respecteren belang, omdat dat belang enkel is gelegen in een onzekere toekomstige gebeurtenis, namelijk eisers mogelijke hernieuwde woonstedevestiging in het aardbevingsgebied. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot een hogere vergoeding voor immateriële schade. In het bestreden besluit is opgemerkt dat de door eiser genoemde omstandigheden van de impact die de aardbevingsschade en de schadeprocedures op hem heeft (gehad) en het leed dat hij als gevolg daarvan heeft ervaren zijn meegewogen in de Persoonlijke Impact Analyse, die in eisers situatie heeft geleid tot het hoogste profiel (profiel 4, bijzonder ernstig ervaren leed) en daarmee tot een hogere vergoeding. De rechtbank ziet in de door eiser gegeven onderbouwing geen aanleiding om, in weerwil van de regeling IMS, te bepalen dat het Instituut dient over te gaan tot toekenning van een aanvullende immateriële schadevergoeding aan eiser wegens de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. De rechtbank is verder van oordeel dat de beroepsgrond over het schenden van de hoorplicht in de bezwaarfase slaagt, maar dat dit niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Eiser heeft tijdens deze beroepsprocedure meerdere keren de gelegenheid benut om zijn persoonlijke situatie en de invloed van de gaswinning daarop te belichten. Eisers betoog is betrokken bij de beoordeling van het bestreden besluit op bezwaar. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij niets meer heeft toe te voegen aan zijn betoog en dat een hoorzitting in bezwaar nu niets meer zou toevoegen. Daarmee is voldoende aannemelijk dat eiser niet is benadeeld door het feit dat het Instituut hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord. De rechtbank ziet daarom aanleiding om dit gebrek te passeren. Beroep ongegrond verklaard met proceskostenveroordeling en vaststelling dat Instituut griffierecht moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/1986

(gemachtigde: mr. P-P.J.M. Bruens),

en

(gemachtigden: mr. L. Sijbrandij-Leyten en mr. R.L. Gritter).

1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van de aan eiser toegekende immateriële schadevergoeding na toekenning van een vergoeding vanwege fysieke schade aan zijn woning door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Eiser is het niet eens met het bedrag van € 3.000,-. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de hoogte van de immateriële schadevergoeding.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand blijft. Dat betekent dat de hoogte van de aan eiser toegekende immateriële schadevergoeding niet verandert. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Vanwege schending van de hoorplicht moet het Instituut het griffierecht en de proceskosten wel aan eiser vergoeden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor vergoeding van immateriële schade. Het Instituut heeft met het besluit van 11 december 2024 aan eiser een immateriële schadevergoeding van € 3.000,- toegekend. Met het bestreden besluit van 16 april 2025 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij die toekenning gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Eiser heeft vervolgens nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van het Instituut en mr. F.P.B. Waals als kantoorgenoot van eisers gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Wat zijn de vaststaande feiten en omstandigheden van dit geval?

3. Eiser was tot 29 augustus 2022 eigenaar van en woonachtig in de woning op het perceel [adres]. Sinds 29 augustus 2022 woont eiser in Overijssel. Eiser is ook eigenaar en verhuurder van elf panden op verschillende adressen in Groningen.

4. Op 30 oktober 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft eiser het adres [adres] opgegeven als voormalig woonadres en schadeadres.

5. Op 11 december 2024 heeft het Instituut aan eiser een vergoeding van immateriële schade van € 3.000,- toegekend. Het Instituut heeft daarbij getoetst of verblijf in de woning aan [adres] heeft gezorgd voor immateriële schade. Tegen dat besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit van 16 april 2025 is het Instituut bij de toegekende schadevergoeding gebleven. Daarbij is uitgelegd dat binnen de regeling IMS alleen wordt gekeken naar adressen waar eiser vanaf 16 augustus 2012 tot de indiening van de aanvraag heeft gewoond. Daarom zijn eisers elf verhuurpanden in Groningen niet meegenomen in de beoordeling.

Wat is het juridisch kader in dit geval?

6. Op grond van artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

7. Het Instituut heeft, gelet op het grote aantal aanvragen, een methode ontwikkeld waarbij de persoonsaantasting niet door de aanvrager hoeft te worden aangetoond, maar het Instituut dit op basis van objectieve gegevens en een Persoonlijke Impact Analyse (PIA) vaststelt en een forfaitair bedrag toekent als een persoonsaantasting kan worden aangenomen.

8. De voor de beoordeling van dit beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Heeft het Instituut de afhandelingsduur van procedures op juiste wijze betrokken bij de schadebeoordeling?

9. Eiser betoogt dat het Instituut bij de berekening van de hoogte van de schadevergoeding ten aanzien van de bouwsteen ‘doorlooptijd’ ten onrechte enkel rekening heeft gehouden met de periode dat hij woonachtig is geweest in het aardbevingsgebied. Volgens eiser heeft zijn vertrek uit het aardbevingsgebied allerminst tot gevolg gehad dat de aardbevingsproblematiek en de wissel die deze problematiek op zijn gemoedstoestand trok en trekt, hem heeft verlaten. De stress en onzekerheid na zijn verhuizing zijn juist groter geworden omdat hij zat met een niet-verkoopbare woning en dubbele lasten. De totale afhandelingsduur was 52 maanden. Eiser stelt dat hij de elf andere onroerende zaken samen met zijn vrouw heeft aangeschaft ter ondersteuning van zijn inkomen en pensioen. Volgens eiser is het juist de combinatie van het aantal lopende schadezaken en de duur daarvan die maken dat onverkorte toepassing van het IMS-kader door het Instituut onredelijk is, althans onevenredig voor hem uitpakt. Diverse gebeurtenissen in de andere elf schadeprocedures hebben stevige impact op hem gemaakt, waarbij specifiek de (in)acties en opstelling van het Instituut voor onnodige en/of extra stress, onzekerheid en woede hebben geleid. In meerdere schadedossiers zijn na procedures fors hogere schadevergoedingen toegekend. Eiser benadrukt dat het hem niet om de geldelijke vergoeding te doen is. Waar het hem om gaat, is dat hij door het Instituut gezien en gehoord wil worden en dat het leed dat hij heeft ervaren wordt onderkend. Eiser voelt zich al jaren gemangeld als een speelbal van het Instituut. Hij heeft daar heel veel last van. Als de doorlooptijden van de andere dossiers meetellen, zal hij in de toekomst binnen het gehanteerde kader van het Instituut een betere startpositie hebben wanneer hij weer in het aardbevingsgebied zou komen wonen. Eiser onderbouwt zijn betoog met een eigen verklaring van 5 januari 2026.

Het Instituut voert aan dat bij de beoordeling of er aan de hand van de gestandaardiseerde methode sprake is van een persoonsaantasting, enkel rekening kan worden gehouden met gebouwen die gelden (of golden) als het hoofdverblijf van de aanvrager. Bouwsteen 4 berust op de veronderstelling dat een aanvrager overlast en hinder ervaart doordat de aanvrager lang, tot soms extreem lang, heeft moeten wachten op de afhandeling van de fysieke schade aan zijn woning(en). De doorlooptijd van de melding voor fysieke schade ten aanzien van eisers woning in de periode dat eiser er woonde, was 27 maanden. Zelfs al was de doorlooptijd langer dan vier jaar maar korter dan zes jaar geweest, zou dat in dit geval volgens het Instituut niet tot een hogere vergoeding hebben geleid. Er zou dan een extra aanwijzing worden aangenomen, die samen met de andere aanwijzingen en de PIA ook zou leiden tot de vergoeding zoals die al is toegekend aan eiser. Verder stelt het Instituut zich op het standpunt dat gebouwen waar de aanvrager niet woonachtig is (geweest) geen onderdeel uitmaken van de persoonlijke levenssfeer van de aanvrager. Daarom zijn die andere gebouwen niet relevant en worden die niet bij de beoordeling betrokken. Het toekennen van vergoedingen aan aanvragers die niet in hun persoonlijke levenssfeer maar slechts in hun vermogen zijn geraakt, zou leiden tot een wijziging van de regeling die niet te rijmen valt met de opzet daarvan. Een vakantiewoning, een tweede huis, een beleggingsobject van de aanvrager of panden van waaruit iemand zakelijke activiteiten ontplooit kunnen geen input vormen voor de gestandaardiseerde methode. De door eiser ervaren hinder in relatie tot zijn zakelijke panden leidt daarom niet tot aantasting van zijn persoonlijke levenssfeer en/of zijn woonsituatie. Een meer of minder sterk psychisch onbehagen of zich gekwetst voelen is onvoldoende om een persoonsaantasting aan te nemen, aldus het Instituut.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet slaagt. Zij overweegt daartoe het volgende.

Op grond van artikel 4.2, tweede lid, van de Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022 (de Procedure en werkwijze), worden alleen adressen betrokken waarop de aanvrager blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) woonachtig is geweest in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de dag van ontvangst van de aanvraag. Dit brengt mee dat alleen de adressen waarop de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft (gehad) input kunnen vormen voor de gestandaardiseerde methode. Dit geldt ook voor bouwsteen 4. In artikel 4.6, eerste lid, van de Procedure en werkwijze is vermeld dat voor wat betreft de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de fysieke schade het Instituut de som van de afhandelingsduur van alle procedures tot afhandeling van fysieke schade aan de woning(en) op de adressen waarop de aanvrager op het moment van die afhandeling woonachtig was, betrekt. In dat artikellid is vermeld dat er een lichte aanwijzing (1) geldt als de som van de afhandelingsduur twee tot vier jaar is en een aanwijzing (2) als die duur vier tot zes jaar is. Een en ander heeft zich in eisers geval vertaald in de volgende beoordeling van de immateriële schade:

Bouwsteen

Aanwijzing

1) Locatie

1 (voor woning aan [adres])

2) Veiligheid

0

3) Omvang schade

3 (voor woning aan [adres])

4) Doorlooptijd

1

Op basis van de door eiser ingevulde PIA is de persoonlijke impact ingeschat op profiel 4 (bijzonder ernstig ervaren leed). Gecombineerd met een totaal van 5 aanwijzingen volgens de bouwstenen heeft dit geleid tot toekenning van een vergoeding van € 3.000,- aan eiser.

De rechtbank stelt vast dat als rekening zou worden gehouden met de door eiser berekende doorlooptijd van 52 maanden (in plaats van de doorlooptijd van 27 maanden die het Instituut heeft vastgesteld), die afhandelingsduur niet tot een hogere vergoeding voor immateriële schade zou leiden. Hoewel die totale afhandelingsduur van 52 maanden zou leiden tot een aanwijzing (2) als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Procedure en werkwijze, zou dat binnen de gestandaardiseerde methode resulteren in een vergoeding van dezelfde hoogte als die eiser al heeft gekregen, namelijk € 3.000,-. Eiser zou dan nog steeds in categorie C (ernstige persoonsaantasting) vallen.

Wat bouwsteen 4 betreft heeft het Instituut voldoende deugdelijk gemotiveerd welke keuzes daarbij zijn gemaakt en waarom de feitelijke woonsituatie van belang is als het gaat om de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de aanvraag tot vergoeding van de fysieke schade aan de woning(en) van de aanvrager. Eiser heeft geen argumenten ingebracht die kunnen afdoen aan deze keuze, of anderszins moeten leiden tot het oordeel dat het Instituut de andere elf panden in Groningen ten onrechte niet bij de beoordeling van eisers aanvraag heeft betrokken. Eisers stelling dat het meenemen van afhandelingsduren van alle procedures betreffende fysieke schade aan die elf panden zou kunnen leiden tot een betere startpositie voor hem in de toekomst is geen rechtens te respecteren belang, omdat dat belang enkel is gelegen in een onzekere toekomstige gebeurtenis, namelijk eisers mogelijke hernieuwde woonstedevestiging in het aardbevingsgebied.

De rechtbank is verder van oordeel dat eiser geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot een hogere vergoeding voor immateriële schade. In het bestreden besluit is opgemerkt dat de door eiser genoemde omstandigheden van de impact die de aardbevingsschade en de schadeprocedures op hem heeft (gehad) en het leed dat hij als gevolg daarvan heeft ervaren zijn meegewogen in de PIA, die in eisers situatie heeft geleid tot het hoogste profiel (profiel 4, bijzonder ernstig ervaren leed) en daarmee tot een hogere vergoeding. De rechtbank ziet in de door eiser gegeven onderbouwing geen aanleiding om, in weerwil van de regeling IMS, te bepalen dat het Instituut dient over te gaan tot toekenning van een aanvullende immateriële schadevergoeding aan eiser wegens de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.

Heeft het Instituut de hoorplicht geschonden?

10. Eiser betoogt dat het Instituut zonder nadere motivering voorbij is gegaan aan zijn verzoek om de bezwaargronden mondeling nader aan te vullen als niet tegemoet zou worden gekomen aan zijn bezwaren. Volgens eiser is de hoorzitting bij uitstek de plek om gehoord te worden, omdat het bij deze beoordeling gaat om zijn persoonlijke situatie en de invloed van de gaswinning daarop. Met een hoorzitting kan een begin worden gemaakt met het herstel van vertrouwen, aldus eiser.

Het Instituut stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht niet is geschonden. Op het moment dat een bezwaarschrift wordt ingediend, is het doorgaans niet duidelijk of een bezwaar (on)gegrond zal worden verklaard omdat het Instituut in bezwaar een volledige heroverweging maakt. Het Instituut heeft eiser in de ontvangstbevestiging van het bezwaar gevraagd of hij vóór 18 januari 2025 zou willen aangeven of hij gebruik zou willen maken van zijn recht om gehoord te worden. Daarop heeft eiser niet gereageerd. Het Instituut heeft hieruit afgeleid dat eiser geen gebruik wilde maken van zijn recht om gehoord te worden. Volgens het Instituut kan een hoorgebrek, voor zover daarvan sprake is, door de rechtbank worden gepasseerd op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat eiser tijdens de rechtbankzitting in de gelegenheid is gesteld om zijn gronden nader toe te lichten.

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt, maar dat dit niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Zij overweegt daartoe het volgende.

Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb kan het Instituut van het horen van eiser afzien indien eiser niet binnen de door het Instituut gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Een situatie als bedoeld in die bepaling doet zich in dit geval echter niet voor, omdat eiser al in zijn bezwaarschrift van 6 januari 2025 kenbaar heeft gemaakt dat hij gehoord wil worden als het Instituut niet direct tot een gegrondverklaring komt. Dat eiser niet heeft gereageerd op de brief van het Instituut van 8 januari 2025, laat onverlet dat het Instituut er gelet op het vorenstaande niet van mocht uitgaan dat eiser niet gehoord wilde worden. Nu zich ook voor het overige geen situatie als bedoeld in artikel 7:3 van de Awb voordoet, heeft het Instituut eiser ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

In dit gebrek ziet de rechtbank echter geen aanleiding om het bestreden besluit op bezwaar te vernietigen. Eiser heeft tijdens deze beroepsprocedure meerdere keren de gelegenheid benut om zijn persoonlijke situatie en de invloed van de gaswinning daarop te belichten. Eisers betoog is betrokken bij de beoordeling van het bestreden besluit op bezwaar. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij niets meer heeft toe te voegen aan zijn betoog en dat een hoorzitting in bezwaar nu niets meer zou toevoegen. Daarmee is voldoende aannemelijk dat eiser niet is benadeeld door het feit dat het Instituut hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord. De rechtbank ziet daarom aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de hoogte van de aan eiser toegekende immateriële schadevergoeding niet verandert.

Het Instituut moet wel het griffierecht van € 194,- aan eiser vergoeden. Dit omdat de hoorplicht is geschonden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het Instituut moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Eisers gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Daarnaast heeft eiser recht op vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Die reiskostenvergoeding bedraagt € 45,28 (een retourreis [plaats]-Groningen met het openbaar vervoer, tweede klasse). De proceskostenvergoeding bedraagt dan in totaal € 1.913,28. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat het Instituut het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt het Instituut tot betaling van € 1.913,28 aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. Gans, voorzitter, en mr. A.W. Wassink en mr. P. van der Stroom, leden, in aanwezigheid van mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Burgerlijk Wetboek (BW)

Artikel 6:106Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

[…]

b.

indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 6:22Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Artikel 7:2

1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

Artikel 7:3Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:

a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,

b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,

c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,

d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of

e. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

Procedure en werkwijze Instituut Mijnbouwschade Groningen (Procedure en Werkwijze)

Artikel 4.1a Methode tot begroting immateriële schade

Artikel 4.2 Gestandaardiseerde methode

o a. de locatie van de woning(en) van de aanvrager;

o b. de veiligheidssituatie ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager;

o c. de omvang van de fysieke schade aan woning(en) van de aanvrager, tot uitdrukking komend in de hoogte van de daarvoor toegekende schadevergoeding;

o d. de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de aanvraag tot vergoeding van de fysieke schade aan de woning(en) van de aanvrager.

3. De feiten en omstandigheden genoemd in het tweede lid kunnen een aanwijzing vormen voor het bestaan van een persoonsaantasting. Aan de hand van de combinatie en het gewicht van deze aanwijzingen bepaalt het Instituut of het een persoonsaantasting aannemelijk acht en, zo ja, welke mate van persoonsaantasting aannemelijk is en welke schadevergoeding daarvoor moet worden toegekend.

Artikel 4.6 De duur van de procedure(s) tot afhandeling van de fysieke schade aan de woning(en)1. Voor wat betreft de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de fysieke schade betrekt het Instituut de som van de afhandelingsduur van alle procedures tot afhandeling van fysieke schade aan de woning(en) op de adressen waarop de aanvrager op het moment van die afhandeling woonachtig was. Daarbij onderscheidt het Instituut de volgende vijf situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:

2. Voor zover de afhandeling van de fysieke schade is uitgevoerd door de NAM of het CVW, wordt de afhandelingsduur bepaald aan de hand van het tijdsverloop tussen de schademelding en de uitbetaling van de schadevergoeding.3. Voor zover de afhandeling van de fysieke schade is uitgevoerd door de TCMG of het IMG, wordt de afhandelingsduur bepaald aan de hand van het tijdsverloop tussen de datum van de aanvraag tot schadevergoeding en de datum waarop het besluit op de aanvraag is genomen. In geval van bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures die gegrond zijn bevonden, worden de termijnen waarbinnen de afhandeling heeft plaatsgevonden bij elkaar opgeteld om de totale afhandelingsduur van de schademelding te bepalen.4. Bij het bepalen van de som van de afhandelingsduur als bedoeld in het eerste lid, kan het Instituut rekening houden met de termijn waarbinnen de afhandeling van de procedure(s) op verzoek van de aanvrager is opgeschort of anderszins te wijten is aan omstandigheden die redelijkerwijs voor rekening van de aanvrager dienen te worden gelaten.

Artikel 4.7 Weging en vaste bedragen

1. Aan de hand van het cumulatieve gewicht van de individuele aanwijzingen voor een persoonsaantasting zoals bedoeld in de artikelen 4.3 tot en met 4.6, af te leiden uit het getal dat de intensiteit van de aanwijzing voor de persoonsaantasting aanduidt, acht het Instituut de volgende (mate van) persoonsaantasting aannemelijk:

2. Behoudens het bepaalde in artikel 4.8, kent het Instituut aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding toe.

3. Het Instituut kent, in afwijking van het tweede lid, aan de aanvrager een vergoeding van € 5.000 toe, indien het Instituut een aanwijzing (2) of een zeer sterke aanwijzing (4), als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, heeft aangenomen.

4. Indien op grond van artikel 4.1a, tweede lid, of het tweede of derde lid van dit artikel of artikel 4.8, aan een lid van het huishouden van de aanvrager een hogere vergoeding voor immateriële schade is toegekend dan waarvoor de aanvrager in aanmerking komt of zou komen op grond van artikel 4.1a, tweede lid, het tweede of derde lid van dit artikel, of artikel 4.8, wordt aan die aanvrager krachtens dit lid eveneens die hogere vergoeding toegekend.

5. In afwijking van het vierde lid, wordt de aan de aanvrager toe te kennen vergoeding niet gelijk getrokken met de in het vierde lid eerstgenoemde hogere vergoeding, indien:

 a. geen aanwijzing voor een persoonsaantasting voor de aanvrager of het andere lid van het huishouden is aangenomen voor de veiligheidssituatie van de woning, als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, of in verband met de omvang van de fysieke schade van de woning als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, of

 b. op grond van artikel 4.1a, tweede lid, een vergoeding is of wordt toegekend en het gelet op de omstandigheden van het geval naar het oordeel van het Instituut niet redelijk is de vergoeding gelijk te trekken.

6. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een lid van het huishouden verstaan de meerderjarige natuurlijke persoon die een besluit op de aanvraag tot vergoeding van immateriële schade van het Instituut heeft ontvangen en met wie de aanvrager minimaal zes maanden heeft samengewoond op een in artikel 4.2, tweede lid, bedoeld adres.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?