RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiseres] , statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen, het college
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 26/317 en LEE 26/318
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. D. de Jong-van de Berkt)
(gemachtigde: mr. D. de Jong-van de Berkt),
hierna samen aangeduid als: eisers
en
(gemachtigde: mr. J.H. Meijer).
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van 14 januari 2026 waarmee het college twee standplaatsvergunningen voor de markt in Assen heeft ingetrokken. Eisers zijn het niet eens met de intrekking. Zij hebben daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voeren een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter het bestreden besluit.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de intrekking van de standplaatsvergunningen niet onevenredig is. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Met het besluit van 1 oktober 2025 heeft het college de aan eisers verleende standplaatsvergunningen ingetrokken. Met het bestreden besluit van 14 januari 2026 op het bezwaar van eisers is het college bij de intrekking van de standplaatsvergunningen gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , eiser en mede verschenen namens [eiseres] , vertegenwoordigd door mr. D. de Jong-van de Berkt. Namens het college zijn op de zitting verschenen: mr. J.H. Meijer en M. Entjes.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ook verder daartoe geen beletsel bestaat beslist hij ook op het beroep van eisers.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Met het besluit van 27 oktober 2014 heeft het college aan [eiser] een gewijzigde standplaatsvergunning voor onbepaalde tijd verleend voor de weekmarkt op woensdag in Assen. Met het besluit van 7 maart 2018 heeft het college aan [eiser] een gewijzigde standplaatsvergunning voor onbepaalde tijd verleend voor de weekmarkt op zaterdag in Assen. De standplaatsvergunningen zijn verleend voor de verkoop van aardappelen, groente en fruit. [eiseres] . is per 16 april 2018 opgericht en [eiser] is met ingang van deze datum bestuurder van [eiseres] Met [eiseres] heeft [eiser] de werkzaamheden voortgezet die hij daarvoor met een eenmanszaak heeft verricht.
Op 16 juli 2024 heeft het OM het college een OM-tip gegeven. Het OM heeft het college met deze tip meegedeeld dat zij beschikt over gegevens die erop wijzen dat [eiser] , [persoon] en [eiseres] mogelijk in relatie staan tot strafbare feiten.
In het bestreden besluit van 14 januari 2026 is het college, onder verwijzing naar het advies van de algemene commissie bezwaarschriften, bij de intrekkingen van de standplaatsvergunningen gebleven. Aan de intrekkingen legt het college, onder verwijzing naar het advies van het Landelijk Bureau Bibob (het LBB), ten grondslag dat ernstig gevaar bestaat dat de standplaatsvergunningen mede zullen worden gebruikt om op geld waardeerbare voordelen te benutten (de a-grond) en om strafbare feiten te plegen (de b-grond). Ook blijkt volgens het college uit het advies van het LBB dat sprake is van feiten en omstandigheden die redelijkerwijs doen vermoeden dat sprake is van valsheid in geschrifte. Het college erkent dat de intrekking een ingrijpend middel is, maar van een onevenredigheid is volgens haar geen sprake.
Het LBB-advies
4. Op 12 juni 2025 heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) op verzoek van het college een Bibob-advies uitgebracht. Het LBB geconcludeerd dat een ernstig gevaar bestaat dat de verleende vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (de a-grond). Daartoe is volgens het LBB ten eerste van belang dat het ernstige vermoeden bestaat dat [eiseres] in de periode van 31 augustus 2018 tot en met 21 februari 2023 in strijd heeft gehandeld met de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (de AWR) door het onjuist of onvolledig doen van aangiften loonbelasting. Ten tweede is volgens het LBB van belang dat uit de justitiële documentatie van [eiser] volgt dat hij is veroordeeld voor het handelen in strijd met de AWR door het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting in de periode van 29 april 2014 tot en met 31 juli 2018. Volgens het LBB is het met deze strafbare feiten verkregen financiële voordeel van nog openstaande belastingschulden van € 245.927,- zeer groot.
Ook bestaat volgens het LBB ernstig gevaar dat de vergunningen mede gebruikt zullen worden om strafbare feiten te plegen (de b-grond). Daartoe acht het LBB van belang dat twee ernstige vermoedens bestaan dat [eiseres] zich schuldig heeft gemaakt aan het handelen in strijd met de AWR in de periodes 31 augustus 2018 tot en met 21 februari 2023 en 1 juli 2018 tot en met 12 april 2023. Ook hecht het LBB eraan dat twee ernstige vermoedens bestaan dat [eiser] valsheid in geschrifte heeft gepleegd bij het invullen van het Bibob-formulier, dat twee ernstige vermoeden bestaan dat [eiser] feitelijk leiding heeft gegeven aan het handelen in strijd met de AWR bij [eiseres] , [eiser] onherroepelijk is veroordeeld voor het handelen in strijd met de AWR in de periodes 29 april 2014 tot en met 31 juli 2018 en 1 januari 2014 tot en met 25 februari 2019 en aan hem een transactie is opgelegd voor het plegen van oplichting op 4 december 2009. Tot slot is volgens het LBB van belang dat het ernstige vermoeden bestaat dat [persoon] , enig aandeelhouder van [eiseres] , feitelijk leiding heeft gegeven aan het handelen in strijd met de AWR bij [eiseres]
Tot slot volgens het LBB feiten en omstandigheden die redelijkerwijs doen vermoeden dat [eiser] valsheid in geschrifte heeft gepleegd ter behoud van de standplaatsvergunningen door bij het invullen van Bibob-formulier namens [eiseres] in de gemeente Assen en de gemeente Aa en Hunze “nee” te antwoorden op de vraag of de betrokkene in de afgelopen vijf jaar betrokken is geweest in een strafzaak.
Het geschil
5. Niet in geschil is dat het college op grond van de Wet Bibob bevoegd is om de standplaatsvergunningen in te trekken. Eisers betogen dat de uitoefening van deze bevoegdheid door het college in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat het college had moeten volstaan met het verbinden van voorschriften aan de standplaatsvergunningen. De rechtbank bespreekt deze gronden hieronder.
Het college heeft in beroep aangevoerd dat na de totstandkoming van het LBB advies is gebleken dat [eiseres] , [eiser] en [persoon] bij uitspraken van 15 september 2025 zijn veroordeeld voor het handelen in strijd met de AWR.
Is de intrekking van de standplaatsvergunningen evenredig?
6. Eisers stellen zich op het standpunt dat de intrekking onevenredig is. Zij stellen dat een onderbouwing van het forse financiële voordeel en het bestaan van oneerlijke concurrentie ontbreekt. Eisers geven aan dat zij belastingschulden willen voldoen, maar dat de hoogte van de nu vastgestelde belastingschulden wordt betwist in nog lopende bezwaar- en beroepsprocedures. Zolang de omvang van de belastingschulden niet op goede gronden is berekend, kan het college volgens eisers het forse financiële voordeel meewegen. Het intrekken van de standplaatsvergunningen leidt er volgens eisers juist toe dat openstaande belastingschulden niet langer kunnen worden voldaan. Verder is volgens eisers het tijdsverloop van belang. Zij voeren aan dat de strafbare feiten hebben plaatsgevonden tot en met april 2023 en dat sindsdien structurele verbetermaatregelen zijn getroffen zoals volgens eisers ook blijkt uit de verklaring van de boekhouder. Zij wijzen erop dat de administratie op orde is, dat de loonverwerking verloopt via een externe salarisverwerker en dat er een kasboek, een audit-trail op facturatie en een vierogenprincipe zijn. Volgens eisers mist enkel nog incidenteel een inkoopfactuur.
De rechtbank overweegt dat de conclusie in het advies van het LBB dat ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunning mede zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, onverlet laat dat het college bij de intrekking van de standplaatsvergunning op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob de evenredigheidstoets van artikel 3, vijfde lid en zesde lid, Wet bibob dient toe te passen. Het intrekken van de vergunning mag slechts plaatsvinden als deze evenredig is met de mate van het gevaar, de ernst van de strafbare feiten voor zover het ernstig gevaar betreft als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob en de ernst van de vermoedens en het strafbare feit, voor zover het vermoeden bestaat dat een strafbaar feit is gepleegd ter verkrijging van de vergunning.
Het college stelt dat het intrekken van de standplaatsvergunningen evenredig is. Het intrekken van de vergunningen is volgens het college ten eerste een geschikt en noodzakelijk middel om een ernstig gevaar voor misbruik van de vergunningen door middel van handelen in strijd met de AWR te voorkomen. Het college hecht er hierbij aan dat de standplaatsvergunningen het mogelijk maken om op de markt groente en fruit te verkopen en dat met deze activiteiten volgens het college de strafbare feiten zijn gepleegd. Gezien de mate van gevaar, de ernst van de strafbare feiten en het repeterend en stelselmatig handelen in strijd met de AWR zoals volgen uit het LBB advies stelt het college dat zij het belang van het voorkomen van het faciliteren van strafbare feiten zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van eisers bij behoud van de standplaatsvergunningen dat volgens het college bestaat in de nodige impact en het verlies van een inkomen.
Het college heeft zich, naar het oordeel van de rechtbank, hiermee op het standpunt mogen stellen dat de intrekking van de standplaatsvergunningen evenredig is. De rechtbank volgt eisers niet in het betoog dat het college ten onrechte heeft meegewogen dat sprake is van een zeer groot wederrechtelijk verkregen financieel voordeel. Door eisers is niet betwist dat een openstaande bedrag van € 245.927,- aan naheffingsaanslagen bestaat. Dat volgens eisers de hoogte van deze naheffingsaanslagen gemotiveerd is betwist in nog lopende procedures, doet er niet aan af dat deze belastingschulden zijn vastgesteld en dat het college daarmee van het bestaan kan uitgaan. Het college heeft erop kunnen wijzen dat volgens de Leidraad gevaarsbeoordeling van het LBB sprake is van een zeer groot voordeel bij bedragen van meer dan € 50.000,-. Dat deze belastingschulden, zoals ter zitting is betoogd, ten dele samenhangen met werkzaamheden op andere markten, is voor de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen financiële voordeel niet relevant. Het college heeft gelet hierop ook mogen meewegen dat eisers ten opzichte van concurrenten op de markt een oneerlijke concurrentie positie innemen door het wederrechtelijk verkregen financiële voordeel. Het tijdsverloop sinds het laatst vastgestelde handelen in strijd met de AWR is gelet op alle omstandigheden niet van dien aard dat dit leidt tot een ander oordeel.
Dit betoog slaagt niet.
Kon het college volstaan met het verbinden van voorschriften?
7. Eisers betogen dat het college heeft kunnen volstaan met het verbinden van voorschriften aan de standplaatsvergunningen. Eisers erkennen dat de twee veroordelingen zwaar wegen, maar zij wijzen erop dat de feiten vooral zien op de fiscale en administratieve naleving. Dit is een risico dat volgens eisers te beheersen is met controleerbare voorschriften. Daarbij is van belang dat intrekking leidt tot onomkeerbare gevolgen, omdat eisers daarmee een bestaansbasis en betalingscapaciteit verliezen. Het college dient, volgens eisers, te onderbouwen welk actueel en reëel risico bestaat bij voorzetting van de standplaatsvergunningen en waarom dat risico niet kan worden ondervangen met minder ingrijpende maatregelen, zoals voorschriften en controles.
Uit artikel 3, zevende lid, van de Wet Bibob blijkt dat bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften kunnen worden verbonden. Daarnaast kunnen voorschriften aan de vergunning worden verbonden als sprake is van ernstig gevaar, maar de ernst van de strafbare feiten de intrekking van de beschikking niet rechtvaardigen.
Het college stelt zich op het standpunt dat nu sprake is van ernstig gevaar en de ernst van de gepleegde strafbare feiten de intrekking rechtvaardigen geen aanleiding bestaat om te volstaan met het verbinden van voorschriften aan de vergunning.
De rechtbank is van oordeel dat het college tot deze conclusie heeft kunnen komen gelet op de aard en omvang en de duur van de vastgestelde strafbare feiten. Er is over een periode van 10 jaar in strijd gehandeld met belastingwetgeving door [eiser] en [eiseres] Dit heeft geleid tot een naheffingsaanslag van € 245.927. Daarbij komt nog dat het handelen in strijd met belastingwetgeving, gelet op het vonnis van de strafrechter van 15 september 2025 (ECLI:NL:RBOVE:2025:5564 en 5565), is voortgezet nadat [eiser] eerder al, op 13 augustus 2020, door de strafrechter voor het handelen in strijd met de AWR is veroordeeld.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de standplaatsvergunningen mocht intrekken. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.A. Bekking, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.