RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
vonnis van 18 februari 2026
[verzoeker sub 1] , geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , en [verzoeker sub 2] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , beiden wonende te [adres] ,hierna te noemen: verzoekers.
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/26/1041 R en C/18/26/1042 R
in de zaak van:
PROCESGANG
Verzoekers hebben op 7 juli 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp).
Het verzoekschrift is vooreerst behandeld ter zitting van 8 september 2025. De behandeling is vervolgens aangehouden om verzoekers in de gelegenheid te stellen om nadere stukken in te dienen en om hulp bij hun financiën te regelen.
Verzoekers hebben op 22 december 2025 nadere stukken verstrekt.
De behandeling is voortgezet op 12 februari 2026, waarbij verzoekers zijn gehoord. Tevens is mevrouw [schuldhulpverlener] van de Gemeentelijke Kredietbank (hierna te noemen: de schuldhulpverlener) op de zitting verschenen.
RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekers in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoekers in de toestand verkeren dat zij hebben opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zullen kunnen voortgaan met betaling van hun schulden.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekers ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest.
In verband hiermee wordt het volgende overwogen. Verzoekers hebben een schuldenlast van € 189.819,63. De schuldenlast is ontstaan uit de voormalige onderneming van verzoeker en ten gevolge van psychische problematiek van beide verzoekers. Een groot deel van de schulden is in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek tot toelating tot de Wsnp ontstaan. Verzoekers hebben daarom een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Zij hebben in dit verband aangevoerd dat de onderneming is beëindigd en daarmee de omstandigheden die bepalend zijn voor het ontstaan van de schulden is weggenomen. Verder is bij verzoekster sprake van psychische problematiek en bij verzoeker van verslavingsproblematiek.
Verzoekers hebben op de zitting verklaard dat zij klaar zijn voor de Wsnp. Verzoekster heeft op dit moment begeleiding bij Lentis voor haar psychische problematiek. Verzoeker werkt aan zijn verslavingsproblematiek. Verzoeker zal met EMDR-therapie starten. Daarnaast zal verzoeker op termijn starten met een werk-leertraject met zicht op een vast contract.
De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat verzoekers inmiddels budgetbeheer hebben en dat het contact met verzoekers goed verloopt.
De rechtbank stelt vast dat verzoekers ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kunnen worden aangemerkt, omdat het zakelijke schulden, waaronder belastingschulden, betreft die in de drie jaar voorafgaand aan het toelatingsverzoek zijn ontstaan.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de Wsnp kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekers de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden, onder controle hebben gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoekers nu verkeren zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. De rechtbank stelt vast dat de onderneming van verzoekers is beëindigd, zodat er geen zakelijke schulden meer kunnen ontstaan. Daarnaast hebben verzoekers adequate hulp om zich heen verzameld. De rechtbank zal het verzoek tot toelating tot de Wsnp daarom toewijzen.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
Verzoekers hebben verzocht om de Wsnp drie maanden eerder in te laten gaan. Zij hebben daaraan ten grondslag gelegd dat zij drie maanden € 10,00 hebben afgedragen, ondanks het feit dat zij op basis van het berekende vrij te laten bedrag geen afdrachtplicht hadden. Verzoekers waren in die maanden gelet op hun psychische problematiek ook ontheven van de sollicitatieplicht bij de gemeente. De rechtbank ziet op grond hiervan aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op de datum zoals hierna in het dictum bepaald.
BESLISSING
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker sub 1] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , en[verzoeker sub 2] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
beiden voorheen vennoot van [bedrijf] V.O.F.,
KvK-nummer [kvk-nummer]
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf 25 november 2025, waardoor deze termijn eindigt op 25 mei 2027,
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Groenewegen,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaren gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op
18 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.