RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
vonnis van 5 maart 2026
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: R.18/26/1066
in de zaak van:
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker.
PROCESGANG
Verzoeker heeft op 13 januari 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna WSNP).
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 20 februari 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met mevrouw [schuldhulpverleners] van deGroningse Kredietbank.
RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
De WSNP duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
Verzoeker heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw, omdat hij vier maanden, te weten augustus, september, oktober en november 2025 heeft afgelost. De afdrachten zijn met stukken, waaronder berekeningen van het vrij te laten bedrag, onderbouwd. Verzoeker heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat hij op dit moment volledig arbeidsongeschikt is en het afgeloste bedrag de maximaal haalbare aflossing is. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op 5 november 2025.
BESLISSING
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf 5 november 2025, waardoor deze termijn eindigt op 5 mei 2027;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Huizinga en in het openbaar uitgesproken op
5 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.