ECLI:NL:RBNNE:2026:1161

ECLI:NL:RBNNE:2026:1161

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 10-04-2026
Zaaknummer LEE 25-2282 en 25/2369
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Omgevingsvergunning voor het bouwen van 139 appartementen op het Hoefijzerterrein in Groningen. Chw van toepassing. Nieuwe grond ter zitting ingediend wordt buiten beschouwing gelaten op grond van artikel 1.6a van de Chw. Algemene verklaring van geen bedenkingen van toepassing. Bouwplan past in de ruimtelijke, functionele structuur van de omgeving. Gebiedsvisie staat niet in de weg aan ontwikkeling. Beleidsregel met betrekking tot parkeernormen niet onverbindend. Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling. Lichthinder. Groenvoorziening. Advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Hoogte bouwblok. Afvalcontainers. Schade. Participatie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummers: LEE 25/2282 en 25/2369

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 april 2026 in de zaken tussen

1. 1. [eiser] [plaats], eiser sub 1.,

2. [eiseres] uit [plaats], eiseres sub 2.,

3. [eiser] uit [plaats], eiser sub 3.,

4. [eiseres] uit [plaats], eiseres sub 4.,

5. [eiser] uit [plaats], eiser sub 5.,

6. [eiseres] uit [plaats], eiseres sub 6.,

7. [eiseres] uit [plaats], eiseres sub 7.,

gezamenlijk eisers 1,

(gemachtigde: mr. P.M.J. de Goede),

8. [eiser] uit [plaats], eiser sub 8.,

9. [eiseres] uit [plaats], eiseres sub 9.,

10. [eiseres] uit [plaats], eiseres sub 10.,

11. [eiser] uit [plaats], eiser sub 11.,

12. [eiser] uit [plaats], eiser sub 12.,

13. [eiseres] uit [plaats], eiseres sub 13.,

14. [eiser]uit [plaats], eiser sub 14.,

15. [eiseres]uit [plaats], eiseres sub 15.,

16. [eiser] uit [plaats], eiser sub 16.,

gezamenlijk eisers 2,

(gemachtigde: N. Wesseling).

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen

(gemachtigde: R. van Houdt).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [belanghebbende] gevestigd in [plaats], vergunninghoudster,

(gemachtigde: mr. R. Snel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het oprichten van

139 zelfstandige woningen en de herinrichting van de buitenruimte inclusief het realiseren van een uitweg, archeologische begeleiding en het vellen van houtopstanden en compensatie van bomen en groen op het perceel aan de [adres] (het perceel) in Groningen. Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen van eisers ongegrond zijn. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft op 12 mei 2025 een omgevingsvergunning verleend voor de herontwikkeling van gronden ter plaatse van de voormalige hoefijzerfabriek aan de [adres] in Groningen. Het plan voorziet in nieuwbouw van 139 wooneenheden en herinrichting van de buitenruimte. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen, werk of werkzaamheden uitvoeren, handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening, uitrit aanleggen of veranderen en kappen (artikel 2.1, eerste lid, onder a, b en c, van de Wabo en artikel 2.2, eerste lid, onder e en g, van de Wabo).

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning.

Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook op de beroepschriften gereageerd.

Eisers 1 hebben de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (LEE 25/5115).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op

15 december 2025 afgewezen.

De rechtbank heeft de beroepen op 29 januari 2026 gevoegd op zitting behandeld. Namens eisers 1 zijn [namen] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens eisers 2 zijn [namen]

. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, R. Oldengarm, F. Tuitman (vergunningverlener) en E. Bos (verkeerskundige). Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, [namen]

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Wat is de omvang van het geding?

4. De rechtbank stelt vast dat de verleende omgevingsvergunning betrekking heeft op de activiteiten bouwen, het uitvoeren van een werk of werkzaamheden, het afwijken van het bestemmingsplan, het veranderen of aanleggen van een uitrit en kappen. Verder stelt de rechtbank vast dat de gronden van beroep betrekking hebben op de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers 1 te kennen gegeven dat de gronden met betrekking tot de activiteit kappen en de bezonning worden ingetrokken. De gemachtigde van eisers 2 heeft ter zitting aangegeven dat de grond met betrekking tot de activiteit kappen wordt ingetrokken. De rechtbank zal die gronden daarom niet inhoudelijk beoordelen.

Is de Crisis- en herstelwet van toepassing?

5. Eisers 2 betogen dat de Crisis- en herstelwet (Chw) niet van toepassing is omdat het bestreden besluit pas op 12 mei 2025 is genomen, er geen sprake is van spoed of nationale betekenis en toetsing onder de Chw de rechtsbescherming verzwakt terwijl sprake is van ingrijpende gevolgen.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze grond van eisers 2 niet. De rechtbank licht dat hieronder toe.

Uit artikel 1.1, eerste lid onder a van de Chw, in samenhang gelezen met artikel 3.1 van bijlage I bij de Chw, volgt dat de Chw van toepassing is bij ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden met een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van het bestemmingsplan, wordt afgeweken, ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag om omgevingsvergunning voor 1 januari 2024 is ingediend bij het college, zodat de Wabo en de Chw van toepassing zijn. Verder stelt de rechtbank vast dat het plan voor 139 woningen is vergund met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten derde, van de Wabo. Hieruit volgt dat de Chw in dit geval van toepassing is.

Was het college bevoegd om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen?

6. Voor omgevingsvergunningen om af te wijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten derde, van de Wabo is in beginsel een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de gemeenteraad (raad) vereist. Zonder de vereiste vvgb is het college niet bevoegd omgevingsvergunning te verlenen. De raad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist. Voor die gevallen geldt de verplichting van een vvgb niet. De raad heeft bij besluit van 26 juni 2019 een lijst vastgesteld met categorieën van gevallen waarvoor een vvgb van de raad niet vereist is. Deze lijst bevat afwijkingsmogelijkheden die binnen het bestaande gemeentelijk ruimtelijke ordeningsbeleid passen. In de categorieën A en T van deze lijst is het navolgende weergegeven:

A. Bestaande woningen, woongebouwen en andere gebouwen

Het vernieuwen, veranderen, vergroten, uitbreiden, vervangen en/of het wijzigen van het gebruik van woningen en bijbehorende bouwwerken, woongebouwen en andere gebouwen, mits:

1. het project naar aard en schaal in de bestaande ruimtelijke en functionele structuur past;

2. vervangende nieuwbouw op dezelfde locatie plaatsvindt;

3. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten beperkt blijft tot de categorieën 1 en 2, bedoeld in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering;

en

T. Vastgesteld raadbeleid

Indien reeds een stedenbouwkundige visie, stedenbouwkundige randvoorwaarden, masterplan, gebiedsvisie, structuurvisie, projectplan of daarmee te vergelijken ruimtelijk kader is vastgesteld door de raad, is geen vvgb vereist voor de betreffende aanvraag om omgevingsvergunning(en) die hieruit voortvloeien.”

Eisers 1 betogen dat ten onrechte geen vvgb aan de raad is gevraagd. Eisers voeren aan dat het project niet valt onder categorie A. Volgens eisers is er wel sprake van het vernieuwen, veranderen, vergroten, uitbreiden of vervangen van ‘andere gebouwen’, maar zij betwisten dat het vergunde project naar aard en schaal in de bestaande ruimtelijke en functionele structuur past. Dit is ook onvoldoende toegelicht door het college. Dat het niet past, volgt volgens eisers uit het feit dat er een (veel) groter aantal woningen wordt gerealiseerd dan de raad blijkens de Gebiedsvisie “Helpman-Noord” (Gebiedsvisie) voor ogen had en omdat de Commissie ruimtelijke kwaliteit (CRK) negatief heeft geadviseerd over stedenbouwkundige aspecten. Omdat een (veel) groter aantal woningen wordt gerealiseerd dan kennelijk door de raad is beoogd, voldoet het project ook niet aan onderdeel T van de Categorieënlijst.

Volgens het college betreft het project vervangende nieuwbouw (sloop van de bedrijfsgebouwen van de voormalige hoefijzerfabriek ten behoeve van een nieuw woonprogramma) en past dat naar aard en schaal in de bestaande ruimtelijke structuur. Naar de mening van het college valt het project daarom onder onderdeel A van de Categorieënlijst. Daarnaast is het college van mening dat wordt voldaan aan onderdeel T van de Categorieënlijst. Het college voert aan dat de raad in een meningsvormende raadssessie op 16 april 2025 het bouwplan, de ingediende zienswijzen en de reactienota op deze zienswijzen inhoudelijk heeft besproken. In de daarop volgende besluitvormende raadssessie van 7 mei 2025 is een ingediende motie om het aantal woningen terug te brengen naar 100 niet aangenomen. Bovendien heeft de raad niet besloten om de inhoudelijke behandeling van de verklaring van geen bedenkingen naar zich toe te trekken. Verder voert het college aan dat, mocht de rechtbank van oordeel zijn dat geen toepassing kon worden gegeven aan onderdeel A of T, wordt voldaan aan onderdeel U (procedureel) van de Categorieënlijst.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat als hoofdregel heeft te gelden dat de raad, gelet op zijn specifieke deskundigheid, bevoegd is om een vvgb af te geven ten behoeve van de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat een uitzondering op die hoofdregel, zoals het geval is in de categorieën A en T, beperkt moet worden uitgelegd. Dat categorie A een criterium bevat dat nadere invulling vergt, brengt niet met zich dat dit criterium ruim dient te worden uitgelegd. In dit verband stelt de rechtbank vast dat er in dit geval sprake is van een project dat betrekking heeft op vervangende nieuwbouw op dezelfde locatie. Verder stelt de rechtbank vast dat het bouwplan betrekking heeft op woningbouw waarbij een gat in de bestaande bebouwingsstructuur wordt opgevuld. De rechtbank volgt het college dat het project qua aard en schaal in de bestaande ruimtelijke en functionele structuur past, mede gelet op het feit dat er in de directe omgeving van het Hoefijzerterrein (ook) sprake is van een woonfunctie. Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan past onder onderdeel A van de Categorieënlijst. Verder is de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan onder onderdeel T van de Categorieënlijst valt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de aanvraag om omgevingsvergunning voor wat betreft het bouwen van woningen voortvloeit uit de Gebiedsvisie. De Gebiedsvisie kan gezien worden als een leidraad om te beslissen en bevat geen harde normen maar richtaantallen voor wat betreft het aantal te bouwen woningen. Omdat een afzonderlijke vvgb van de raad voor dit bouwplan niet was vereist, was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voldaan aan alle voorwaarden voor toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, van de Wabo. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het college bevoegd was om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Gelet op de voorgaande overwegingen komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of het bouwplan valt onder onderdeel U (procedureel) van de Categorieënlijst.

Wat is het toetsingskader bij afwijken van het bestemmingsplan?

7. Niet in geschil is dat het project in strijd is met het bestemmingsplan “Helpman” dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Het bouwplan is in strijd met de bedrijfsbestemming omdat de bouw van woningen binnen de bedrijfsbestemming niet is toegestaan. Verder is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan voor wat betreft het deels buiten het bouwvlak bouwen en voor wat betreft de toegestane maximale bouwhoogte (blok F aan de Helper Westsingel).

Het college heeft voor de verlening van de omgevingsvergunning toepassing gegeven aan artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo, in samenhang gelezen met de artikelen 2.10 en 2.12, eerste lid, onder a, ten derde, van de Wabo. Het college heeft bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte en hij moet daarbij de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die worden gediend met de verlening van de omgevingsvergunning.

Goede ruimtelijke ordening

Is het verlenen van de omgevingsvergunning in strijd met de Gebiedsvisie?

8. Eisers 1 betogen dat het bestreden besluit in strijd is met de Gebiedsvisie. Met het bestreden besluit is een groter aantal woningen én een andere verhouding sociale/reguliere huur vergund dan in de Gebiedsvisie vastgelegd. Eisers 1 voeren aan dat de raad goedkeuring heeft gegeven aan de Gebiedsvisie voor circa 100 woningen, waarvan een derde sociale huur. Het plan voorziet in de bouw van 139 woningen, waarvan 83 voor sociale huur en

56 woningen voor reguliere huur. Door het hoger aantal woningen zullen er meer bewoners komen. Dat legt volgens eisers 1 onmiskenbaar ook een groter beslag op de ruimte, de straten waar zij aan wonen en de parkeer- en verkeerdruk die al (te) groot is. De stelling van het college dat het ruimtelijke effect van het verhogen van het aantal woningen en het wijzigen van de doelgroep nihil is ten opzichte van de eerder voorziene 100 woningen, is volgens eisers 1 onjuist en niet onderbouwd.

Eisers 2 betogen dat in de Gebiedsvisie sprake is van circa 100 woningen, terwijl het huidige plan 139 appartementen omvat. Deze uitbreiding past volgens eisers 2 niet binnen de beloofde ontwikkeling en is in strijd met de verwachtingen die bij bewoners zijn gewekt. Er is geen motivering gegeven voor het realiseren van meer appartementen. Dat is in strijd met het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel. Verder was er initieel sprake van een parkeerkelder. Er is niet onderbouwd waarom die niet meer gerealiseerd wordt. Volgens eisers 2 voldoet het plan ook niet aan de speerpunten “Zorgen voor een goede afwikkeling van het verkeer” en “Leefkwaliteit behoud (potentieel) monumentale bomen” uit de Gebiedsvisie.

Het college stelt zich voor wat betreft de status van de Gebiedsvisie op het standpunt dat er sprake is van een visie, oftewel: een beeld of een gedachte. Het is geen hard toetsingskader voor een aanvraag omgevingsvergunning. Het klopt dat er in het vergunde bouwplan meer woningen aanwezig zijn dan in de Gebiedsvisie genoemd. In de Gebiedsvisie wordt gesproken over circa 100 en circa 110 woningen, terwijl het vergunde bouwplan voorziet in de realisatie van 139 woningen. Dit is een toename van 25%, uitgaande van het hoogste aantal woningen dat genoemd is in de Gebiedsvisie. Er is weliswaar sprake van een toename naar 139 woningen, maar de ruimtelijke impact is volgens het college hetzelfde gebleven. Met ‘ruimtelijke impact’ wordt hier bedoeld dat er ten opzichte van de benoemde 100 woningen in de gebiedsvisie geen verschil is in de massa of het volume van de bebouwing. Ook is geen verschil in de parkeerbehoefte voor het plan. De plannen zijn ruimtelijk gezien niet ‘uitgebreid’, maar er is een aanpassing gedaan in de omvang van de woningen. Er worden meer kleinere appartementen/sociale huurwoningen gerealiseerd in plaats van grotere appartementen. Dit heeft geen invloed op de totale massa of het volume van de bebouwing. Daarnaast blijft de invloed op het aantal te realiseren parkeerplaatsen gelijk ten opzichte van 100 woningen. De parkeernorm voor kleinere appartementen/sociale huurwoningen is lager dan die voor grotere appartementen. Bovendien worden deelauto’s ingezet, waardoor de totale parkeerbehoefte lager wordt. Dit is volgens het college in lijn met het gemeentelijk beleid. Het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het project blijft volgens het college nagenoeg gelijk bij 100 of 139 woningen. Dit komt doordat kleine appartementen/sociale huurwoningen een lagere verkeersaantrekkende werking per woning hebben dan grotere appartementen.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe dat de Gebiedsvisie de status heeft van beleid en dat deze visie geen harde normen bevat (zoals wetgeving). Van een afwijking van de Gebiedsvisie is geen sprake voor wat betreft de aspecten woningbouw (functie), het opvullen van het gat in de bestaande bebouwingsstructuur, de binnenruimte en het groen. Nog daargelaten de vraag of er voor wat betreft het aantal te bouwen woningen sprake is van een afwijking van de Gebiedsvisie, is de rechtbank van oordeel dat het vergunde woningbouwprogramma een gemotiveerde keuze is geweest. Ook heeft het college voldoende gemotiveerd toegelicht dat de ruimtelijke gevolgen van een keuze voor 139 woningen met het vergunde woningbouwprogramma vergelijkbaar zijn. Bovendien is dit besproken door de raad naar aanleiding van een ingediende motie en is het een bewuste keuze van de raad geweest om in te stemmen met dit aantal te bouwen woningen. Dit kan worden gezien als leidraad bij de beslissing van het college om de omgevingsvergunning te verlenen. Gelet hierop ziet de rechtbank in wat eisers aanvoeren over de betekenis van de Gebiedsvisie geen aanleiding voor het oordeel dat het realiseren van het woningbouwprogramma (139 woningen/appartementen) in dit geval niet aanvaardbaar is.

Parkeren: Beleidsregels onverbindend of buiten toepassing laten?

9. Eisers 1 voeren een aantal beroepsgronden aan die gaan over parkeren en de daarbij gehanteerde parkeernorm. De meest verstrekkende grond is dat de Beleidsregels parkeernormen 2024 (Beleidsregels) onverbindend moeten worden verklaard dan wel van de Beleidsregels moet worden afgeweken. In dit verband wijzen eisers 1 erop dat de parkeernormen uit de Beleidsregels (in het bijzonder de parkeernorm van 0,4 parkeerplaatsen per appartement, inclusief bezoekersdeel) onverbindend zijn omdat het gemiddeld autobezit in Helpman hoger ligt dan in de rest van Groningen. De gehanteerde parkeernorm is volgens hen niet realistisch. Zij wijzen erop dat volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) het gemiddelde autobezit in de gemeente Groningen op 1 januari 2023 0,6 per huishouden bedroeg en in de wijk Helpman in het bijzonder 0,7 per huishouden. Verder stellen eisers dat volgens het CBS het gemiddelde autobezit op 1 januari 2025 ten opzichte van 1 januari 2024 is gestegen met 2% en ten opzichte van zes jaar geleden met 9,5%. Daarom is het volgens eisers 1 onnavolgbaar waarom in de Beleidsregels wordt uitgegaan van een parkeerbehoefte van 0,4 per appartement, inclusief bezoekersdeel. Het aantal fietsparkeerplekken is volgens eisers 1 ook te laag omdat in Groningen meer fietsbezitters zijn.

De rechtbank stelt vast dat het college er in het bestreden besluit op wijst dat voor parkeren het bestemmingsplan “Herziening parkeren 2021” geldt. In artikel 3.1 van de planregels staat: “Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik is verzekerd dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd alsmede in stand wordt gehouden voor motorvoertuigen en/of (brom)fietsen”. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de Beleidsregels (artikel 3.2 van de planregels). De rechtbank stelt vast dat eisers verzoeken om toetsing van deze Beleidsregels. Het gaat dan om exceptieve toetsing. Dit houdt in dat de bestuursrechter de rechtmatigheid van de Beleidsregel toetst aan hogere regelgeving of algemene beginselen. De rechtbank is van oordeel dat de Beleidsregels niet onrechtmatig zijn. De rechtbank licht dat hierna verder toe.

Voor zover eisers 1 betogen dat de Beleidsregels onverbindend moeten worden verklaard of in dit geval buiten toepassing moeten worden gelaten wegens strijd met een hogere regel of algemeen beginsel dan geldt in elk geval dat zij deugdelijk moeten onderbouwen met welke hogere regel of algemeen beginsel de Beleidsregels volgens hen in strijd zijn. Met de (aanvullende) gronden van het beroep en wat ter zitting naar voren is gebracht, zijn eisers 1 er niet in geslaagd om te onderbouwen dat de Beleidsregels in strijd zijn met een hogere regeling. Ook ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de Beleidsregels in strijd zijn met een algemeen beginsel. Eisers 1 betogen dat de parkeernormen die worden gehanteerd in de Beleidsregels niet realistisch zijn. Zij noemen in het bijzonder de parkeernorm van 0,4 parkeerplaats per woning. De rechtbank ziet geen aanknopingspunt voor dat oordeel. Het college heeft toegelicht dat de in de Beleidsregels opgenomen parkeerbehoefte per woning is gebaseerd op ervaringsgegevens vanuit de praktijk. Verder heeft het college naar voren gebracht dat de normen uit de Beleidsregels aansluiten bij de landelijke kengetallen. De rechtbank stelt vast dat op grond van de Beleidsregels voor sociale huurwoningen van 50-75 m2 in een gebied met betaald parkeren een parkeernorm geldt van 0,4 parkeerplaatsen. Dat geldt ook voor overige niet grondgebonden huur- en koopwoningen van 50-80 m2. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers 1 met de enkele verwijzing naar de CBS-gegevens niet aannemelijk gemaakt dat deze in de Beleidsregels opgenomen norm onjuist is. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het college op basis van ervaringsgegevens uit de gemeentelijke praktijk en de CROW-norm met de in de Beleidsregel opgenomen norm per sociale huurwoning aansluiting heeft gezocht bij de landelijke normering. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat die norm niet kan worden gesteld voor deze (type) woningen. Een enkele verwijzing naar CBS-gegevens voor alle woningen in de gehele gemeente Groningen of in de wijk Helpman acht de rechtbank daarvoor niet voldoende. Ook met de verwijzing naar de website www.passendeparkeernorm.nl in de aanvullende beroepsgronden hebben eisers 1 niet aannemelijk gemaakt dat de in de Beleidsregels opgenomen norm van 0,4 parkeerplaats per woning onjuist is. Niet alleen hebben eisers 1 niet toegelicht waarom het college die website moet volgen, maar bovendien blijkt dat uit de weergave van gegevens op die website over het autobezit in Groningen niet dat de door het college in de Beleidsregels opgenomen norm van 0,4 parkeerplaats per sociale huurwoning (of huurappartement van 50-80 m2) daarvan in relevante mate afwijkt.

Wat eisers hebben aangevoerd over de gehanteerde parkeernormen voor fietsparkeren biedt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de Beleidsregels op dat punt onverbindend zijn of buiten toepassing moeten worden verklaard.

Is voldaan aan de Beleidsregels? Toch parkeren in de openbare ruimte?

10. Eisers 1 betogen dat onvoldoende duidelijk is of in dit geval wordt voldaan aan de Beleidsregels en daarmee aan het bestemmingsplan “Herziening Parkeren 2021”. Een initiatiefnemer moet op grond van artikel 3.1 van de planregels voorzien in ‘voldoende parkeergelegenheid’ voor motorvoertuigen en (brom)fietsen. Het begrip ‘voldoende parkeergelegenheid’ wordt ingevuld met de Beleidsregels. Elke initiatiefnemer moet op eigen terrein voorzien in de vereiste parkeerbehoefte, zodat de bewoners van de nieuwbouwwoningen uiteindelijk geen gebruik zullen maken van parkeerplekken in de openbare ruimte. Voor het bestreden besluit bestaat een parkeerbehoefte van

58 parkeerplaatsen. In het oostelijke deel van het plangebied worden 62 nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd. Het is volgens eisers 1 echter niet duidelijk of bewoners verplicht worden een parkeerplaats te huren. In het geval zij daartoe niet verplicht zouden zijn, zouden zij er voor kunnen kiezen geen parkeerplaats te huren en hun auto te parkeren in de openbare ruimte. Verder is niet uitgesloten dat de parkeerplaatsen vol zullen zijn, in welk geval de bewoners zullen uitwijken naar parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Volgens eisers 1 is de parkeerbehoefteberekening die is uitgevoerd conform de Beleidsregels niet meer dan een theoretische benadering van het aantal parkeerplaatsen dat naar verwachting nodig zal zijn, maar leert de ervaring in de praktijk dat men veelal beschikt over een auto. Ook is niet duidelijk gemaakt of eigenaren van ‘gewone’ auto’s ook gebruik kunnen maken van de parkeerplaatsen die in beginsel worden aangelegd voor elektrische auto’s. Als dat niet zo is, moeten die parkeerplaatsen in mindering worden gebracht op het aantal van 62 dat wordt gerealiseerd. Daarnaast vragen eisers 1 zich af of het aandeel sociale huurwoningen geborgd is of dat daarvan kan worden afgeweken want voor sociale huurwoningen geldt een lagere parkeernorm. Gelet op het gedeeltelijk betaald parkeren in de wijk is parkeren in de openbare ruimte zeker een optie. Eisers 1 vragen zich af of geborgd is dat nieuwe bewoners geen parkeervergunning kunnen krijgen. Zonder de verplichting een parkeerplaats te huren, kan niet geborgd worden dat het parkeerbeleid zal worden nageleefd. Verder wijzen eisers erop dat er mogelijk parkeerplaatsen zullen verdwijnen in de openbare ruimte rondom het projectgebied. Zij vrezen voor toename van de parkeerdruk in de openbare ruimte. Eisers 1 merken op dat het college deskundige Roelofs niet heeft laten reageren op hun opmerkingen over de parkeernotitie en de vraag waarom geen her-meting heeft plaatsgevonden.

Eisers 2 betogen dat het bouwplan niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein voor 139 wooneenheden. Eisers 2 wijzen erop dat er momenteel al vaak fout wordt geparkeerd in de Helper Westsingel en dat daarop nauwelijks wordt gehandhaafd. Op basis van de CROW-norm voor een stedelijke omgeving (circa 0,8 per woning + 0,3 voor bezoekers) zijn volgens eisers 2 ten minste 152 parkeerplaatsen nodig. Eisers 2 voeren aan dat ook zonder vergunning bewoners buiten betaalde tijden zullen parkeren in de wijk. Naar de mening van eisers 2 mag beleid niet gebaseerd zijn op ideaal gedrag, maar op een feitelijke handhavingspraktijk. Gezien de bestaande problematiek had volgens eisers 2 een concreet handhavingsplan opgesteld moeten worden. Dit ontbreekt volledig en maakt het besluit daarom ondeugdelijk.

Het college stelt zich op het standpunt dat de parkeerbehoefte voor de herontwikkeling van de Hoefijzerlocatie (afgerond naar boven) 58 parkeerplaatsen (zonder inzet deelmobiliteit) en 50 parkeerplaatsen (met inzet deelmobiliteit) bedraagt. Het college voert aan dat er op eigen terrein wordt voorzien in de aanleg van (meer dan) het voorgeschreven aantal parkeerplaatsen. Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt tussen

‘gewone’ auto’s en elektrische auto’s. Alle aanwezige parkeerplaatsen worden meegerekend

bij het vaststellen van het aanwezige aantal parkeerplaatsen. Bovendien zit in de normen ook een bezoekersdeel verwerkt. Verder voert het college aan dat de bewoners van de nieuwe woningen niet worden verplicht om een parkeerplaats te huren, maar dat het wel de enige mogelijkheid is om een eigen auto te parkeren, omdat nieuwe bewoners geen parkeervergunning kunnen krijgen voor het parkeren in openbaar gebied. Hoewel dit niet betekent dat men niet in het openbaar gebied mag parkeren, wijst het college erop dat er dan wel betaald zal moeten worden. Gelet op de doelgroep (grotendeels sociale huur) acht het college het onwaarschijnlijk dat dit zal gebeuren. Om er voor te zorgen dat de parkeerplaatsen voor de bewoners van het Hoefijzerterrein ook daadwerkelijk beschikbaar zijn voor die bewoners (zodat er geen noodzaak bestaat om te parkeren in het openbaar gebied), is in het ontwerp van de parkeervoorziening een slagboomconstructie opgenomen voor zowel de in- als de uitrit. De inrit wordt voorzien van toegangscontrole. Dit om te voorkomen dat anderen dan bewoners van deze parkeergelegenheid gebruik gaan maken. De vrees dat bewoners moeten uitwijken naar nabijgelegen parkeerplaatsen acht het college ongegrond.

Deze beroepsgrond van eisers slaagt niet. De rechtbank licht dat hierna verder toe.

De rechtbank stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing in paragraaf 3.3 met betrekking tot het aspect parkeren onder meer is aangegeven dat aan de hand van de “Beleidsregel parkeernormen 2021” de parkeerbehoefte van het project is bepaald. Rekening houdend met deelmobiliteit, bedraagt de parkeerbehoefte 60,4 parkeerplaatsen, afgerond 61 parkeerplaatsen. In het oostelijk deel van het projectgebied worden 62 parkeerplaatsen gerealiseerd. Dit terrein is privéterrein en dit wordt ook als zodanig aangegeven en afgesloten. Bewoners van de nieuwbouw hebben geen recht op een vergunning om in de openbare ruimte te parkeren. De conclusie is dat er wordt voldaan aan de parkeerbehoefte.

In het bestreden besluit is aangegeven dat na het ontwerpbesluit inmiddels het bestemmingsplan “Herziening parkeren 2021” in werking is getreden en dat de Beleidsregels nu gelden. Uit een herberekening aan de hand van de Beleidsregels volgt volgens het college dat er op grond van de aangepaste parkeerbalans sprake is van een parkeerbehoefte van 50 parkeerplaatsen (met deelmobiliteit) of van 58 parkeerplaatsen (zonder deelmobiliteit). Omdat er 62 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd, komt het college in het bestreden besluit tot de conclusie dat er wordt voldaan aan de parkeerbehoefte.

De rechtbank overweegt dat in paragraaf 3.3 van de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op het aspect parkeren. Daarbij is nog uitgegaan van de ten tijde van het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing geldende beleidsregel. Op basis van de ten tijde van het bestreden besluit in werking getreden Beleidsregels is de parkeerbehoefte van de in het bouwplan voorziene woningen opnieuw berekend. De parkeerbehoefte bedraagt volgens die berekening maximaal 58 parkeerplaatsen. Bij deze berekening is op grond van de Beleidsregels voor de sociale huurwoningen (50-75 m2) uitgegaan van een parkeernorm van 0,4 parkeerplaatsen per woning en is voor de overige niet-grondgebonden woningen uitgegaan van parkeernormen van 0,4 tot 0,7. Daarbij is rekening gehouden met de op grond van de Beleidsregels geldende parkeernorm voor deze woningen van 50 tot 80 m2 (parkeernorm van 0,4), van 80 tot 100 m2 (parkeernorm van 0,6) en van 100-150 m2 (parkeernorm van 0,7). In de berekening is verder uitgegaan van de ligging van het project in zone B met betaald parkeren. Deze uitgangspunten zijn naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met artikel 14 van de Beleidsregels.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het college niet van deze parkeernormen heeft mogen uitgaan en dat de berekende parkeerbehoefte onjuist is. Ten aanzien van het standpunt van eisers 2 dat het college van andere parkeernormen dient uit te gaan, verwijst het college naar overweging 9.2. over de verbindendheid van de (parkeernormen in de) Beleidsregels. Het standpunt van eisers 1 en 2 dat sprake is van een theoretische berekening leidt niet tot het oordeel dat de berekening van de parkeerbehoefte niet aan het besluit ten grondslag mag worden gelegd. De wijze van berekening is gangbaar en ook niet in strijd met het recht. Eisers 1 hebben nog aangevoerd dat niet is geborgd dat de woningen voor sociale woningbouw worden gebruikt. De rechtbank volgt dat niet. Niet alleen is het woningbouwprogramma vergund met het bestreden besluit, maar bovendien geldt voor de sociale huurwoningen dezelfde parkeernorm als voor overige niet grondgebonden huur- en koopwoningen van dezelfde omvang.

Tussen partijen is niet geschil dat op het terrein dat hoort bij het vergunde bouwplan een parkeerterrein met 62 parkeerplaatsen zal worden gerealiseerd. Dat is ook onderdeel van de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat hiermee niet voldoende verzekerd is dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand gehouden. Ten eerste heeft het college naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven te zien om de parkeerplaatsen voor elektrische auto’s in mindering te brengen op de 62 parkeerplaatsen. De Beleidsregels verplichten daar ook niet toe. Voor zover eisers 1 stellen dat het mogelijk is dat bij het volledig bezet zijn van het parkeerterrein de bewoners in de openbare ruimte zullen gaan parkeren, overweegt de rechtbank dat er in dit geval in is voorzien dat het parkeerterrein alleen bestemd is voor de bewoners van het vergunde project. Uit het bouwplan blijkt dat het terrein wordt afgesloten met slagbomen. Ter zitting heeft vergunninghoudster nader toegelicht dat iedere bewoner een tag krijgt om de slagboom bij het parkeerterrein te kunnen bedienen om gebruik te kunnen maken van de door hen gehuurde parkeerplaats. Omdat wordt voldaan aan de geldende parkeernorm en bovendien is voorzien in het tegengaan van toegang tot het parkeerterrein door derden, volgt de rechtbank eisers 1 niet dat hierdoor druk op het parkeren in de openbare ruimte ontstaat.

Het college heeft erkend dat voor de bewoners van de nieuwe woningen geen verplichting bestaat om een parkeerplaats te huren. Het college acht het echter niet aannemelijk dat daardoor extra parkeerdruk zal ontstaan op de openbare ruimte. De rechtbank kan dat voor dit geval volgen. Het college heeft daarbij van belang mogen achten dat in de omgeving betaald parkeren geldt en dat de bewoners niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning. Waar eisers 1 aanvoeren dat dit niet is geborgd, is dat niet juist. Bewoners en/of gebruikers van een (woon)adres dat is ontstaan na 4 februari 2022, zoals in dit geval zo zal zijn, komen niet in aanmerking voor een vergunning. Dat is geregeld in artikel 3 van de Nadere regels op de parkeerverordening gemeente Groningen 2025. Op zitting heeft vergunninghoudster toegelicht dat het de bedoeling is dat wordt gedacht aan een huurprijs voor een parkeerplaats van € 100-125,- per maand. Die huurprijs is niet dusdanig dat aannemelijk is dat de bewoners geen gebruik zullen maken van de parkeerplaatsen op eigen terrein maar zullen uitwijken naar de (betaalde) parkeerplaatsen in de openbare ruimte. De rechtbank ziet in dit geval, mede ook gelet op het feit dat het aantal vergunde en te realiseren parkeerplaatsen in overeenstemming is met de Beleidsregels, geen grond voor het oordeel dat een huurplicht een noodzakelijke voorwaarde was om tot vergunningverlening over te kunnen gaan. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat onvoldoende is verzekerd dat gebruik zal worden gemaakt van de parkeerplaatsen op het eigen terrein. Naar het oordeel van de rechtbank is het college ook overigens toereikend ingegaan op het aspect parkeren. Dit betekent dat het college redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat voor parkeeroverlast niet hoeft te worden gevreesd. Deze grond van eisers slaagt niet.

Parkeren: overig

11. Voor zover eisers 2 vrezen voor parkeerproblematiek in de openbare ruimte als gevolg van foutparkeerders overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste jurisprudentie van de AbRvSvolgt dat bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening moet worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de voorgenomen activiteit ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Uit overweging 10.5. volgt dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat onvoldoende is verzekerd dat gebruik zal worden gemaakt van de parkeerplaatsen op het eigen terrein. Gelet hierop slaagt deze grond van eisers 2 niet.

Eisers 1 hebben naar voren gebracht dat als gevolg van de herinrichting van de openbare ruimte parkeerplaatsen vervallen waardoor er sprake zal zijn van parkeeroverlast in de straten rond het bouwplan. Het college heeft in reactie daarop aangegeven dat de herinrichting van de openbare ruimte losstaat van de verleende omgevingsvergunning en daarvan geen deel uitmaakt. Het college heeft verder aangevoerd dat aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte na de herinrichting gelijk blijft. De rechtbank is met het college van oordeel dat de herinrichting van de openbare ruimte geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Alleen daarom al kan deze beroepsgrond niet slagen. Bovendien wordt met de gekozen parkeeroplossing voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein.

Uit overweging 5.2. volgt dat de Chw van toepassing is op het bestreden besluit. Op grond van artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. Uit artikel 1.6a van de Chw volgt dat er buiten de beroepstermijn wel sprake mag zijn van de aanvulling van de al in beroep genoemde gronden, maar niet van een uitbreiding met nieuwe gronden. De rechtbank leidt uit dit artikel af dat het naar voren brengen van nieuwe beroepsgronden ter zitting en buiten de beroepstermijn in dit geval aan eisers 1 kan worden tegengeworpen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de door eisers 1 ter zitting naar voren gebrachte grond ten aanzien van het vervallen van enkele garageboxen niet (meer) beschouwd worden als een aanvulling op de algemeen omschreven beroepsgrond over de parkeerproblematiek. Dit betekent dat deze grond, gelet op artikel 1.6a van de Chw, door de rechtbank buiten beschouwing wordt gelaten.

Verkeer

12. Eisers 1 betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de verkeersdruk en verkeersafwikkeling (ontsluitingen) en dat er geen rekening is gehouden met al bestaand verkeer en verkeer als gevolg van de andere bouwprojecten in Helpman-Noord. Aan de Helper Westsingel bevinden zich nu drie in-/uitritten en aan de Helper Molenstraat bevinden zich nu twee in-/uitritten. De gezamenlijke breedte van de bestaande in-/uitritten is circa

47 meter, in de toekomstige situatie bedraagt die breedte circa 28 meter. Het gebied heeft in de toekomstige situatie een inrit (aan de zijde van de Helper Westsingel) en een uitrit (Helper Molenstraat). Alle bewoners en bezoekers van de nieuwe woningen zullen dus met hun voertuig door de straat van deze eisers moeten gaan terwijl de verkeersdruk in die straat in de bestaande situatie volgens hen al (te) hoog is. Deze eisers worden door de nieuwe ontsluitingsstructuur onevenredig hard getroffen. De ontsluiting is volgens eisers in strijd met de Gebiedsvisie waarin wordt opgemerkt dat een gelijkmatige verdeling van verkeer over de Helper Westsingel en de Helper Molenstraat moet worden gerealiseerd. Deze eisers voeren aan dat geen concreet en recent onderzoek is verricht naar de bestaande verkeersdruk in de omgeving van het plangebied. Er is een vergelijking gemaakt met een bedrijf dat voorheen op het terrein was gevestigd. De huidige verkeersdruk in het gebied is al erg groot zonder verkeer van de voormalige hoefijzerfabriek die al enige tijd buiten gebruik is. Verder betwisten deze eisers dat de verkeersgeneratie van de voormalige hoefijzerfabriek tussen de 537 en 658 verkeersbewegingen per etmaal was. De voormalige hoefijzerfabriek was geen arbeidsintensief en bezoekersextensief industrieel bedrijf. Het bedrijf had volgens deze eisers slechts een tiental medewerkers. Verder komen de gegevens in het verkeersonderzoek uit 2020, de periode waarin de nabij het project gelegen fysiotherapiepraktijk vanwege corona maatregelen had genomen. Als nu opnieuw verkeerstellingen gedaan zouden worden, op een representatief moment, ziet het verkeersbeeld er volgens deze eisers heel anders uit dan zoals geschetst in het rapport van Roelofs van 2020. Naar de mening van deze eisers had het college ten tijde van de besluitvorming moeten onderbouwen of het verkeersaspect aan een goede ruimtelijke ordening voldoet. Het college heeft de huidige verkeersdruk niet in beeld. De resultaten van de nieuwe tellingen in najaar 2025 zijn deze eisers niet bekend. Daar komt bij dat het college volgens deze eisers miskent dat meer kleinere eenheden een groter ruimtelijk effect hebben dan minder grotere wooneenheden, zeker voor wat betreft de aspecten parkeren en verkeer.

Eisers 2 betogen dat het toevoegen van 139 nieuwe wooneenheden zonder adequate parkeergelegenheid op eigen terrein de reeds kritieke parkeer- en verkeerssituatie alleen maar zal verergeren. Deze eisers voeren aan dat zij al last hebben van structurele overtreding van parkeerregels, gevaarlijke verkeerssituaties door te hard rijden, geblokkeerde nooduitgangen, onveilige situaties voor voetgangers en verkeer tegen de rijrichting in. Voor de deur van het appartementencomplex van deze eisers waren er slechts vier momenten waarop er minder dan 80% parkeerbezetting was. Naar de mening van deze eisers heeft het college onvoldoende onderzoek gedaan naar de impact op de verkeersveiligheid.

Het college stelt zich op het standpunt dat de wegenstructuur in de omgeving van het projectgebied voldoende capaciteit heeft om de verkeersbewegingen die gepaard gaan met de vergunde ontwikkeling op te vangen. De toekomstige intensiteiten op alle wegen voldoen naar de mening van het college ruimschoots aan landelijke richtlijnen voor een acceptabele verkeerssituatie. Dit geldt ook zeker voor de wegen in de directe omgeving van de locatie hoefijzerfabriek. Het college wijst er verder op dat in de Gebiedsvisie maatregelen zijn voorgesteld die het verkeer zo veel mogelijk gelijkmatig verspreiden over de verschillende ontsluitingswegen van de wijk. Het instellen van eenrichtingsverkeer op de Helper Weststraat zorgt ervoor dat dit wegvak niet door een groot deel van de nieuwe bewoners wordt gebruikt. De verkeersbewegingen worden daardoor meer verspreid over de andere ontsluitingswegen van de wijk. De rijrichting van de Helper Weststraat wordt van noord naar zuid (wijk uit). De rijrichting van de Helper Westsingel is van oost naar west (wijk in). Indien beide wegvakken ‘wijk in’ zouden zijn, dan zou al het verkeer ‘wijk in’ via de oostzijde van de wijk gaan en al het verkeer ‘wijk uit’ via de Jullensstraat gaan. Daarom is gekozen voor deze rijrichtingen (betere spreiding van het verkeer). Daarnaast zal een aanpassing van de weginrichting een ander karakter geven aan de wegen/ wijk waardoor het beter past bij het verblijfskarakter. Deze andere weginrichting zal ook een positief effect hebben op de snelheid en gedrag van verkeersdeelnemers in de wijk. In 2020 zijn verkeerstellingen uitgevoerd op alle ontsluitingswegen van de wijk. Deze tellingen zijn als uitgangspunt gebruikt voor het inschatten van de toekomstige situatie. De extra verkeersbewegingen zijn bepaald op basis van landelijke richtlijnen. Deze verkeersbewegingen zijn bij de tellingen van 2020 opgeteld om zodoende de toekomstige situatie in te schatten. Die situatie kan de wegenstructuur volgens het college aan.

De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de AbRvS volgt dat verkeersveiligheid en de doorstroming van het verkeer aspecten zijn van het woon- en leefklimaat en daarmee van een “goede ruimtelijke ordening” in de zin van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo. De rechtbank stelt vast dat in paragraaf 3.3 van de ruimtelijke onderbouwing en in de nota van zienswijzen bij het bestreden besluit is ingegaan op de gevolgen voor het verkeer. Het project wordt volgens de ruimtelijke onderbouwing ontsloten door de Helper Westsingel (inrit) en de Helper Molenstraat (uitrit) naar de Van Iddekingeweg. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat met deze inrichting geen gelijkmatige verdeling van verkeer over de Helper Westsingel en de Helper Molenstraat wordt gerealiseerd. Van strijd met de Gebiedsvisie, wat daar verder van zij, is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank stelt verder vast dat in de ruimtelijke onderbouwing aan de hand van een berekening op grond van een CROW-publicatie de verkeersgeneratie van het project op een gemiddelde weekdag in de bestaande en toekomstige situatie is bepaald. De rechtbank stelt vast dat hierbij voor de vergunde situatie de kencijfers 2,8-3,6 en 4,7-5,5 verkeersbeweging per etmaal per woning zijn gebruikt voor de berekening van de toename in verkeersbewegingen. Die toename bedraagt op basis van deze berekening dan maximaal 407 tot 520 verkeersbewegingen. Het college heeft een beoordeling van die toename aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. De rechtbank stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing ook een berekening is gemaakt van wat planologisch ter plaatse al is toegestaan op grond van het bestemmingsplan “Helpman” en dat deze situatie is vergeleken met de situatie na realisering van het vergunde project. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat die berekening onjuist is, maar constateert tegelijkertijd ook dat voor het besluit mede redengevend is geweest dat de wegen rondom het vergunde project de verkeerstoename aan kunnen. Deze wegen hebben volgens het college voldoende capaciteit om de toename in verkeersbewegingen te kunnen afwikkelen. Daarbij heeft het college een onderzoek naar de verkeersdruk in Helpman betrokken en de toekomstige ontwikkelingen in de wijk (cumulatieve effecten op de verkeersgeneratie). Uit jurisprudentie van de AbRvS volgt dat op verkeerstellingen die zijn uitgevoerd tijdens de coronaperiode, niet zonder meer een correctie hoeft te worden toegepast. In wat eisers hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van de toelichting van het college te twijfelen. Eisers hebben geen deskundigenoordeel overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat het college toereikend is ingegaan op het aspect verkeer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bouwplan niet op onaanvaardbare verkeerskundige bezwaren stuit. Deze grond van eisers slaagt niet.

De rechtbank ziet geen aanleiding om eisers 2 te volgen in hun betoog dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de toename van het aantal hardrijders en de impact op de verkeersveiligheid. De rechtbank overweegt dat de door eisers 2 vermelde verkeersonveilige situaties die ontstaan door het niet naleven van verkeersregels, zoals te hard rijden en op straat parkeren, in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Of er in strijd met de verkeerswetgeving wordt gehandeld, is een kwestie van handhaving. Dat neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat het aangevraagde gebruik zodanige verkeersproblemen met zich zou kunnen brengen dat daarin aanleiding moet worden gezien de omgevingsvergunning te weigeren. Daarvan is in dit geval echter geen sprake. Deze grond van eisers 2 slaagt niet.

Lichthinder

13. Eisers 1 betogen dat zij als gevolg van het vergunde project worden benadeeld door de lichthinder die zij zullen ervaren. Deze eisers voeren aan dat de uitrit van het terrein is gesitueerd tegenover de woning van eiser sub 3., die daardoor het licht van koplampen van wegrijdende auto’s in zijn woning zal moeten dulden. Tegenover de woning van eiseres sub 2. komt een wandelpad en fietspad, waardoor zij het licht van lampen van (brom)fietsen in haar woning zal moeten dulden.

Het college stelt zich op het standpunt dat het wonen in een stedelijke omgeving met zich brengt dat er mogelijk lichthinder kan ontstaan als gevolg van bijvoorbeeld koplampen van auto’s die in de wijk rijden of aanvullende straatverlichting. De tijdsduur dat er direct koplampen in de woning van eiseres sub 3. is volgens het college beperkt. Het college acht dit niet onevenredig. Het college voert aan dat het plaatsen van straatverlichting vergunningsvrij kan en dat lichtinval door koplampen ook op basis van het geldende bestemmingsplan kon ontstaan. Overigens wordt er bij de herinrichting van het openbaar gebied rekening gehouden met potentiële lichthinder. Er komt ter plaatse van de uitrit aan de Helper Molenstraat opgaand groen ter voorkoming van inschijnen van koplampen. Dit is volgens het college onderdeel van het ontwerp van de openbare ruimte, waarbij ook omwonenden actief zijn en worden betrokken.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiseres sub 3. als gevolg van inschijnende koplampen. Hierbij betrekt de rechtbank dat gelet op de rijrichting, de situering van de woning van eiser sub 3. en het aantal verkeersbewegingen van het parkeerterrein op verschillende tijdstippen van de dag langdurige inschijn van koplampen niet valt te verwachten en dat het projectgebied in een stedelijk gebied ligt.Het college heeft bij de afweging over de ruimtelijke aanvaardbaarheid bovendien mogen betrekken dat ook op grond van het bestemmingsplan ter plaatse een uitrit mogelijk was.

Het gegeven dat in een binnenstedelijke omgeving als deze een fietspad wordt gerealiseerd tegenover de woning van eiseres sub 2. leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat er sprake is van onaanvaardbare lichthinder en een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Deze grond slaagt niet.

Overigens heeft het college ter zitting uiteengezet dat hij begrip heeft voor de vrees van eiseres sub 2. en eiseres sub 3. voor lichthinder. Daarom heeft het college ter zitting bevestigd dat hij bereid is om bij de herontwikkeling van de openbare ruimte te bezien of tot een oplossing van de gestelde lichthinder kan worden gekomen door het plaatsen van opgaand groen.

Groenvoorziening

14. Eiseres sub 6 voert aan dat het verdwijnen van de groenstrook, ten faveure van een inrit, afbreuk doet aan haar privacy, woongenot, veiligheid en uitzicht. De eenzijdige

positionering van het groen past niet in het straatbeeld en is ook in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Eisers 1 voeren verder aan dat afbreuk gedaan aan de goede ruimtelijke ordening ter plaatse, doordat het uitzicht en de privacy van eisers afneemt. In plaats van uitkijken op groen, zullen zij na realisatie van het vergunde project uitkijken op stenen en ramen.

Eisers 2 betogen dat de verwijdering van het groen onevenredig bezwarend is en dat dit in strijd is met het principe van een duurzame stedelijke ontwikkeling dat de gemeente nastreeft. Daarbij verwijzen eisers 2 naar een uitspraak van 24 mei 2023 van de AbRvS.

Het college stelt zich op het standpunt dat de stelling dat het project voorziet in de volledige verwijdering van het groen aan de zuidzijde van de Helper Westsingel niet correct is. Het college voert aan dat bij het ontwerp van de inrichting van de openbare ruimte wordt voorzien in de aanleg van meer en kwalitatief beter groen. Aan de Helper Molenstraat blijft bestaand openbaar groen behouden. Voor Blok E blijft het bestaande groen (bosplantsoenvak) deels gehandhaafd. Daarnaast wordt op de kopzijde van blok A voorzien in geïntegreerde (grote) plantenbakken. Aan de Helper Molenstraat zijn twee groene doorgangen gerealiseerd die een inkijkje geven in de binnentuin (die openbaar toegankelijk is). Daarnaast wordt op diverse kopgevels gevelgroen aangebracht en voldoet het plan aan de

eisen van natuurinclusief bouwen van de gemeente Groningen. Daarmee kan volgens het college niet gesteld worden dat na uitvoering van het bouwplan enkel en alleen tegen massale bebouwing wordt aangekeken. Verder voert het college aan dat de gestelde eenzijdige positionering van het groen voortkomt uit de Gebiedsvisie en de stedenbouwkundige kaders voor de herontwikkeling van deze locatie. Het doel was om het

‘gat’ in het stedenbouwkundig blok aan de Helper Westsingel te dichten. Daarnaast voert het college aan dat de planvorming zo is opgezet dat inkijk tot een minimum wordt beperkt. Nieuwe verblijfsruimten (woonkamers) zijn overwegend richting het binnenhof georiënteerd, waarbij slaapkamers richting de omliggende bebouwing zijn gepositioneerd. De uitzondering hierop is blok E. Dit ligt ‘verscholen’ achter bestaand/hoog groen. Overigens is inkijk in een stedelijk gebied, zoals Helpman, naar de mening van het college niet volledig te voorkomen.

De rechtbank overweegt dat het door eisers aangevoerde met betrekking tot het verdwijnen van bomen/groen geen grond biedt voor het oordeel dat het college een onvolledige en onzorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt en/of dat het project in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft de belangen bij realisering van het bouwplan op het perceel, de ruimtelijke gevolgen en de belangen van eisers voldoende in kaart gebracht. Niet is gebleken van concrete belangen van eisers die door het college over het hoofd zijn gezien. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op zichzelf genomen op het standpunt kunnen stellen dat de invloed van de omgevingsvergunning voor het bouwen op het verdwijnen van bomen/groen niet onevenredig is. Het project had dus niet om die reden moeten worden geweigerd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de opgestelde BEA, die deel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing, volgt dat er een herplantplicht van 18 bomen en 644 m2 houtopstand is opgelegd ter compensatie van de negen te kappen bomen en 736 m2 houtopstand als gevolg van de realisering van het project. Verder volgt uit de BEA dat er sowieso 50 bomen blijven staan. Daarnaast geldt dat - ter compensatie - binnen het plangebied een nieuw groengebied gerealiseerd wordt met meer kwaliteit. Ook wordt diverse bebouwing voorzien van groene daken en/of gevelgroen. Hiermee neemt per saldo het verhard oppervlakte af. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de uitkomst van de door het college verrichte belangenafweging tot de conclusie moet leiden dat er sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eisers. In zoverre slaagt deze grond van eisers niet.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich ook op het standpunt kunnen stellen dat de invloed van de omgevingsvergunning voor het bouwen op het uitzicht van eisers niet onevenredig is. De vergunning voor het bouwplan had ook om die reden niet moeten worden geweigerd. In dit verband neemt de rechtbank in aanmerking dat ook de bebouwing die op grond van het toepasselijke bestemmingsplan is toegestaan van invloed zou zijn en tot een vermindering van het vrije uitzicht van eisers had kunnen leiden. Verder heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat enig verlies aan privacy en ruimtegevoel door het bouwplan niet volledig is uit te sluiten, omdat de woningen van eisers zijn gelegen in een stedelijke omgeving. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat. De rechtbank acht het onder deze omstandigheden niet onredelijk dat het college de invloed van de bouw op de privacy en het uitzicht van eisers op het groen en het open straatbeeld minder zwaar heeft laten wegen dan het belang van vergunninghoudster bij verlening van de gevraagde omgevingsvergunning. In zoverre slaagt deze grond van eisers niet.

Advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit

15. Eisers 1 betogen dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom afgeweken wordt van het negatieve advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit

(CRK). De CRK adviseert negatief op de stedenbouwkundige opzet, in relatie tot het monotone woonprogramma en de gekozen (gebouw)typologie. Ook adviseert de CRK negatief op de ontsluitingsroute en de parkeeroplossing. Eisers weten dat het college voor een woningbouwopgave staat en dat er vraag is naar sociale huurwoningen, maar dat neemt niet weg dat nieuwe (sociale huur)woningen adequaat stedenbouwkundig moeten worden ingepast. Ook gaat het college volgens deze eisers niet concreet in op de negatieve adviezen ten aanzien van de ontsluitingsweg en de parkeeroplossing.

Het college stelt zich op het standpunt dat het advies van de CRK met betrekking tot de stedenbouwkundige aspecten geen wettelijk verplicht advies is. Van dit deel van het advies is het college gemotiveerd afgeweken. Daarbij is leidend geweest dat de verdichting (het toevoegen van meer woningen in een bestaande buurt) past binnen de gemeentelijke kijk op de compacte stad. Een groeiend aantal inwoners zorgt voor een grote noodzaak om woningen te bouwen en dat wordt zoveel mogelijk gedaan binnen de bestaande contouren van de stad. Hoewel het aantal woningen dat beoogd is voor deze locatie het in de Gebiedsvisie genoemde aantal overschrijdt, vindt het college het plan passend binnen de Gebiedsvisie en binnen de kijk op de stadsontwikkeling. Een flink deel van de woningen heeft immers een kleiner vloeroppervlakte en een flink deel is sociale huur. Daarmee is het aantal woningen hoger geworden maar is de ruimtelijke impact gelijk gebleven. Er is veel vraag naar kleinere, betaalbare woningen voor kleine huishoudens en er is veel vraag naar sociale huur, zeker aan de zuidkant van de stad. Beide brengen een lage parkeerbehoefte met zich. Met de aanpak van de openbare ruimte en het groen - zoals beschreven in de Gebiedsvisie Helpman Noord en met een goed plan voor parkeren en verkeer komt het college volgens hem na een belangenafweging tot een gebalanceerde toevoeging aan Helpman-Noord die de buurt als geheel meer kwaliteit geeft.

Met betrekking tot de stedenbouwkundige aspecten heeft de CRK in het advies van

6 maart 2025 vermeld dat in eerdere adviezen is aangegeven dat de uitwerking van de gebiedsinrichting op een aantal punten nog niet overtuigend is. Deze aandachtspunten hangen grotendeels samen met de gekozen stedenbouwkundige opzet, met name in relatie tot het toegepaste monotone woonprogramma en de gekozen (gebouw)typologie. De keuze voor een formele, stedelijke typologie -de portiekflat- is begrijpelijk aan de Helper Westsingel, maar het zonder differentiatie doorvoeren van de typologie in het hof resulteert in een spanningsveld tussen de formele opzet van een portiekflat met de informele ruimtelijke wensbeelden van het hof. Hierdoor ontstaan vragen over de samenhang tussen de collectieve entrees en de groene inrichting van het hof. Hoewel er een zorgvuldig landschappelijk plan is opgesteld voor de collectieve binnentuin, zorgt het toepassen van de wadi ervoor dat er minder ruimte voor ongedwongen ontmoeting tussen bewoners ontstaat en lijkt de overgang tussen collectief en privé op sommige plekken gebaat bij een meer formele afbakening.

Daarnaast verdient de ontsluitingsroute nadere uitwerking, aangezien deze op plekken

eerder langs willekeurige privé-buitenruimtes voert dan langs woning-entrees. Ook de

parkeeroplossing behoeft verdere aandacht om te voorkomen dat er een rommelige,

onoverzichtelijke en daarmee onprettige situatie ontstaat.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank licht dat hieronder toe.

Uit het advies van de CRK van 6 maart 2025 leidt de rechtbank af dat er sprake is van een positief welstandsadvies ten aanzien van het bouwplan. Met betrekking tot de stedenbouwkundige aspecten van het advies van de CRK stelt de rechtbank voorop dat dit geen wettelijk verplicht advies betreft. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat het advies van de CRK kritisch is over in het bijzonder de inrichting van de binnentuin. Daarbij heeft de gemachtigde van het college ter zitting aan de hand van het bestreden besluit toegelicht waarom de invulling van het binnenterrein nodig is en dat dit, gelet op de aard van de te bouwen woningen, op de weergegeven wijze dient plaats te vinden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college die afweging mogen maken en is het college (in zoverre) gemotiveerd afgeweken van het advies van de CRK. De rechtbank stelt vast dat door eisers geen inhoudelijke gronden zijn aangevoerd voor wat betreft het binnenterrein of de overige aspecten waarop de CRK kritisch is geweest. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat het college in dit geval niet heeft mogen afwijken van het advies van de CRK.

Bouwhoogte blok F

16. Eisers 2 betogen dat blok F een extra woonlaag heeft die niet aansluit bij de

bestaande bebouwing aan de Helper Westsingel. In dit verband wijzen deze eisers erop dat vrijwel de gehele zuidzijde van de straat uit twee tot drie verdiepingen hoge bebouwing bestaat.

Het college stelt zich op het standpunt dat de hoogte van blok F het harmonieuze straatbeeld niet verstoort. Van strijd met een goede ruimtelijke ordening is geen sprake. Het college voert aan dat het naastgelegen woonblok (Helper Westsingel 16)

- inclusief vlieringlaag - ook vier bouwlagen heeft en qua bouwvolume zelfs hoger is.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat de bouwhoogte van blok F in de omgeving van het bouwplan past, gelet op de al aanwezige bebouwingshoogte in de straten. Daarbij heeft het college voor wat betreft het uitzicht en de privacy van de omwonenden kunnen betrekken dat er geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting daarvan en dat dit geen harde rechten zijn in een stedelijke omgeving. In wat eisers 2 hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de aantasting van hun woon- en leefklimaat zo groot is dat het college de bestreden omgevingsvergunning niet had mogen verlenen.

Afvalcontainers

17. Eisers 2 betogen dat het onduidelijk is waar (in de wijk) afvalvoorzieningen geplaatst gaan worden. Naar de mening van deze eisers is het onzorgvuldig dat bij de besluitvorming niet duidelijk is hoe de basisvoorzieningen geregeld worden. Daarbij verwijzen deze eisers naar een uitspraak van 5 april 2023 van de AbRvS.

Het college stelt zich op het standpunt dat de afvalverwerking en de infrastructuur geen onderdeel uitmaken van deze vergunningprocedure. Deze aspecten worden volgens het college meegenomen bij de herinrichting van het openbaar gebied. De locatie van de ondergrondse afvalcontainers is overigens al wel bekend. Deze komen nabij blok A in de Helper Molenstraat. Naar de mening van het college treft de verwijzing naar de uitspraak van de AbRvS van 5 april 2023 geen doel. Die uitspraak gaat overigens niet over het plaatsen van vuilcontainers maar om de toepassing van spoedeisende bestuursdwang vanwege het handelen in strijd met de Afvalstoffenverordening.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. De rechtbank stelt vast dat het plaatsen van ondergrondse afvalcontainers geen onderdeel uitmaakt van het project waarop de verleende omgevingsvergunning betrekking heeft. Dit betekent dat dit aspect niet in deze beroepsprocedure kan worden betrokken

Schade

18. Eisers 2 betogen dat het project tot significante waardevermindering van de woningen in het complex leidt, tot aantasting van het woongenot door toegenomen drukte en geluidsoverlast en tot verlies van uitzicht en privacy en mogelijke bouwschade door heiwerk. Volgens deze eisers heeft het college onvoldoende onderzoek gedaan naar compensatie of mitigerende maatregelen, zoals vereist onder artikel 15.1 van de Ow.

Het college stelt zich op het standpunt dat de Ow niet van toepassing is op deze aanvraag. Het college voert aan dat eventuele waardevermindering van de al aanwezige woningen geen rol spelen bij de beoordeling van de aanvraag. Met de aanvrager is een planschadeverhaalsovereenkomst opgesteld. Als later blijkt dat er sprake is van planschade, dan zal dit volgens het college worden verhaald op de aanvrager. Met betrekking tot de vrees voor bouwschade als gevolg van heiwerkzaamheden wijst het college erop dat er een vergunningvoorschrift is opgenomen dat er trillingsmeters moeten worden aangebracht. De omliggende bebouwing zal op voorhand worden opgenomen (de zogenaamde ‘0-meting’), gevolgd door twee tussenopnamen en een eindopname. Daarnaast wordt een trillingsvrije fundatiemethode toegepast (avegaarpalen).

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank licht dit hieronder toe.

De rechtbank stelt voorop dat de Ow niet van toepassing is op de aanvraag en het bestreden besluit. Voor zover eisers 2 in verband met de gestelde waardevermindering van hun woningen betogen dat er sprake is van planschade, wijst de rechtbank erop dat een planschadeverzoek geen deel uitmaakt van deze procedure. Ook anderszins ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de mogelijke planschade gevolgen heeft voor de uitvoerbaarheid en daarmee de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning. Met betrekking tot de gestelde bouwschade als gevolg van heiwerkzaamheden overweegt de rechtbank dat eisers 2 niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van strijd met het Bouwbesluit 2012. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het college een vergunningsvoorschrift met betrekking tot het aanbrengen van trillingsmeters aan de verleende omgevingsvergunning heeft verbonden en onweersproken heeft gesteld dat er sprake is van een trillingsvrije fundatiemethode met avegaarpalen. Daar komt bij dat de omliggende bebouwing in een nulmeting zal worden opgenomen, gevolgd door twee tussenopnamen en een eindopname. Gelet hierop heeft het college in wat eisers 2 hebben aangevoerd met betrekking tot de gestelde schade als gevolg van heiwerkzaamheden geen aanleiding hoeven zien om de omgevingsvergunning niet te verlenen.

Heeft participatie op juiste wijze plaatsgevonden?

19. Eisers 2 betogen dat het bestreden besluit tot stand is gekomen zonder adequate participatie van omwonenden en belanghebbenden. Deze eisers voeren aan dat de in 2024 ingediende zienswijzen (nagenoeg) op geen enkel punt zijn verwerkt in het bestreden besluit. Dit wijst volgens deze eisers op schijnparticipatie, in strijd met artikel 5.51 van de Ow en het participatiebeginsel. Daarbij verwijzen deze eisers naar een uitspraak van 9 december 2020 van de AbRvS.

Het college stelt zich op het standpunt dat de Ow niet van toepassing is op deze aanvraag. Dus ook niet de verplichting om in het bestreden besluit aan te geven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten zijn van de uitgevoerde verkenning, zoals opgenomen in artikel 5.51 van de Ow. Het college voert daarnaast aan dat er wel degelijk diverse inloop-/inspraak-/informatiebijeenkomsten met de buurt zijn georganiseerd. In dit verband wijst het college erop dat uit de participatiememo van 9 april 2024 blijkt dat er op 14 juli 2021 een buurtparticipatie-onderzoek is uitgevoerd door het bureau Muzus en dat er op 13 oktober 2021, 31 oktober 2023 en 20 december 2023 bewonersavonden zijn georganiseerd.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Een ieder is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over de ontwerp-omgevingsvergunning naar voren te brengen. Van deze mogelijkheid hebben deze eisers ook gebruik gemaakt. De inhoud van deze zienswijzen heeft het college in zijn afweging betrokken. Daarmee is voldaan aan de wettelijke vereisten. Andere vormen van participatie zijn geen onderdeel van deze voorbereidingsprocedure. Verder is niet gebleken van een verplichting op grond van beleid of van een overeenkomst om in aanvulling op de wettelijke procedure nog andere participatiemogelijkheden te bieden.

De omstandigheid dat onder omwonenden geen draagvlak zou bestaan voor het project, vormt voor de rechtbank geen reden om het bestreden besluit te vernietigen. Het college wijst in dit verband terecht naar vaste jurisprudentie van de AbRvS dat het ontbreken van maatschappelijk draagvlak niet betekent dat het project niet overeenstemt met een goede ruimtelijke ordening.

Conclusie en gevolgen

20. Gelet op de voorgaande overwegingen zijn de beroepen ongegrond. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eisers 1 ongegrond;

- verklaart het beroep van eisers 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, voorzitter, mr. C.S. Schür en

mr. H.D. Tolsma, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Crisis en herstelwet

Artikel 1.1

1. Afdeling 2 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0027431/2023-07-01) is van toepassing op:

a. alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I (https://wetten.overheid.nl/BWBR0027431/2023-07-01) bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II (https://wetten.overheid.nl/BWBR0027431/2023-07-01) bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten;

Bijlage I. Categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid

3. gebiedsontwikkeling en werken van lokaal of regionaal belang

ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

(…).

Artikel 2.2

1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

(…),

g. een houtopstand te vellen of te doen vellen,

(…),

geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

(…).

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. (…),

b. (…),

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12,

(…),

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Artikel 2.20a

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor voor het verlenen van de omgevingsvergunning een verklaring vereist is als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd indien de verklaring is geweigerd.

Artikel 2.27

1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist,

2. (…),

3. De verklaring kan slechts worden gegeven of geweigerd in het belang dat in de betrokken wet of algemene maatregel van bestuur is aangegeven,

4. Het bestuursorgaan dat de verklaring geeft, bepaalt daarbij dat aan de omgevingsvergunning de daarbij aangegeven voorschriften die nodig zijn met het oog op het belang, bedoeld in het derde lid, worden verbonden,

5. (…).

Besluit omgevingsrecht

Artikel 6.5 Afwijken bestemmingsplan of beheersverordening

1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.

2. De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

3. De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

4. In gevallen waarin artikel 3.1, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.34 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is, wordt in het eerste lid in plaats van «gemeenteraad van de gemeente» gelezen «provinciale staten van de provincie» en wordt in het derde lid in plaats van «De gemeenteraad kan» gelezen: De provinciale staten kunnen.

Bestemmingsplan “Helpman”

Artikel 4 Bedrijf

Bestemmingsomschrijving

De voor 'bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijven die zijn genoemd in de categorieën 1 en 2 van de bij dit plan behorende Lijst, met uitzondering van geluidszoneringplichtige en risicovolle inrichtingen;

b. in afwijking van het bepaalde onder a een bedrijf in categorie 3 van de bij dit plan behorende Lijst van bedrijfstypen, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3' en uitsluitend voor een hoefijzerfabriek;

c. detailhandel in ingezamelde, bewerkte en herstelde goederen (een kringloopbedrijf), ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - kringloopbedrijf';

d. detailhandel in motorbrandstoffen inclusief een wasstraat, uitsluitend voor zover aan de gronden op de kaart de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' is gegeven;

e. zelfstandige woningen:1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - 1', met dien verstande dat deze functie niet is toegestaan op de begane grond;2. ter plaatse van de aanduiding 'wonen';3. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' in de vorm van één bedrijfswoning; met dien verstande dat de gebruiksoppervlakte van een woning, met uitzondering van een meergeneratiewoning, meer dan 50 m2 dient te bedragen, of, indien de gebruiksoppervlakte van een bestaande woning minder bedraagt, de bestaande gebruiksoppervlakte;

f. zelfstandige woningen met een gebruiksoppervlakte van minimaal 24 m2, uitsluitend bij omvorming van onzelfstandige woningen en/of eenheden voor kamerverhuur naar zelfstandige woningen, met dien verstande dat:

1. alle onzelfstandige woningen en eenheden voor kamerverhuur vervallen;

2. het totaal aantal woningen en eenheden afneemt; en

3. minimaal 24 m² van de gebruiksoppervlakte van een nieuwe woning zich op één bouwlaag bevindt en een nettohoogte heeft van minimaal 2,1 m;

g. bestaande legale kamerverhuur en bestaand beschermd wonen;

h. additionele voorzieningen.

Bouwregels

Algemene bouwregels

1. er zijn wat de bebouwing betreft uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, toegestaan ten behoeve van de in lid 4.1 genoemde doeleinden;

2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - doorzicht' dient er bij nieuwbouw: (…)

3. het is verboden een woning te veranderen in en/of te vergroten tot twee of meer woningen.

Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak worden gebouwd;

b. het bebouwingspercentage en de goot- en/of bouwhoogte mogen maximaal het aangegeven percentage en de aangegeven hoogte bedragen;

c. op de gronden waaraan op de kaart de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' is gegeven mag de verkoopvloeroppervlakte niet meer dan 80 m2 bedragen.

d. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' mag het aantal bedrijfswoningen maximaal 1 bedragen.

Bestemmingsplan herziening parkeren

Artikel 3 Parkeerregels

Parkeerregel bij bouwen en gebruikswijziging

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik is verzekerd dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd alsmede in stand wordt gehouden voor motorvoertuigen en/of (brom)fietsen.

Voldoende parkeergelegenheid

Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien voldaan wordt aan de door burgemeester en wethouders vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren, met inbegrip van de daarin opgenomen afwijkingsmogelijkheden.

Gebruiksbepaling parkeergelegenheid

De parkeergelegenheid als bedoeld in lid 3.1 moet in stand gehouden worden én beschikbaar gehouden worden voor de doelgroepen waarvoor de parkeerbehoefte volgens de in lid 3.2 bedoelde beleidsregels nodig is. Als de norm voor de benodigde parkeergelegenheid in de beleidsregels naar beneden wordt bijgesteld, volstaat vanaf dat moment het in stand houden en beschikbaar houden van de parkeergelegenheid conform de gewijzigde norm. Indien de norm voor de benodigde parkeergelegenheid in de beleidsregels naar boven wordt bijgesteld, volstaat het in stand houden en beschikbaar houden van de parkeergelegenheid conform de oorspronkelijke norm.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?