RECHTBANK Noord-Nederland
Team Insolventie
Zittingsplaats Leeuwarden
Rekestnummer: 249159 FT RK 25-1121
Vonnis van 19 maart 2026
op het verzoek van
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verzoekster, hierna te noemen [verzoekster] ,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoekster] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling (Wsnp).
De rechtbank houdt het verzoek aan.
1. De procedure
[verzoekster] heeft op 15 oktober 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de Wsnp.
Het verzoekschrift is behandeld op de zitting van 4 maart 2026. Daarbij is [verzoekster] verschenen samen met [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener, en [beschermings-bewindvoerder] , beschermings-bewindvoerder.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
[verzoekster] verzoekt om te worden toegelaten tot de Wsnp, waarbij is
verzocht om de ingangsdatum van de Wsnp op een eerder moment te bepalen, en wel op
1 oktober 2024.
3. De beoordeling
Om toegelaten te worden tot de Wsnp moet een verzoek(st)er eerst geprobeerd hebben om met de schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen; het zogenoemde ‘minnelijk traject’.
Op basis van het bepaalde in artikel 285, eerste lid, onder f, Faillissementswet (Fw) moet om die reden een verzoek tot toelating tot de Wsnp vergezeld gaan van een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buiten-gerechtelijke schuldregeling te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijkheden de verzoek(st)er beschikt, afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar of een persoon als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op het consumentenkrediet.
Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting volgt dat er namens [verzoekster] geen aanbod is gedaan aan de schuldeisers om tot een buitengerechtelijke regeling te komen. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek bij de rechtbank ingediend. Als reden hiervoor is aangevoerd dat er sprake is van onvoldoende aflossingsmogelijkheden, waardoor het onmogelijk is om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, en dat de schuldenlijst mogelijk niet volledig en dus niet betrouwbaar is, waardoor niet duidelijk is aan welke schuldeiser een aanbod moet worden gedaan.
De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat het gebrek aan aflossings-mogelijkheden maakt dat het de verwachting is dat aan schuldeisers in een minnelijk traject geen uitkering kan worden gedaan. Gebleken is echter dat [verzoekster] momenteel als invalkracht werkzaam is en in de komende tijd, wellicht, meer uren kan gaan werken. Die mogelijkheid maakt dat op dit moment niet onverkort kan worden gesteld dat er in het geheel geen sprake is van aflossingsmogelijkheden. Maar zelfs wanneer dat wel het geval zou zijn, kan nog steeds een aanbod in het kader van een minnelijk traject aan de schuldeisers worden gedaan, zelfs als dat een ‘nulaanbod’ zou zijn. Een aanbod kan ook gedaan worden in de vorm van een prognoseakkoord. Dat doet recht aan de schuldeisers doordat een mogelijke inkomensstijging, in het geval [verzoekster] daadwerkelijk meer uren gaat werken, in dat geval aan hen ten goede komt.
De schuldhulpverlener heeft daarnaast verklaard dat het minnelijk traject niet is doorlopen omdat de schuldenlijst mogelijk niet compleet is. Daartoe heeft zij aangevoerd dat [verzoekster] een roerig verleden heeft gehad, waardoor mogelijk niet alle schuldeisers in beeld zijn. Hoewel er zich na juni 2022, sinds er sprake is van beschermingsbewind, geen nieuwe schuldeisers hebben gemeld, wordt toch gevreesd dat er zich mogelijk nog onconventionele schuldeisers uit de periode voorafgaand aan het beschermingsbewind zullen melden. De Wsnp met uiteindelijk een schone lei, biedt [verzoekster] daarom meer bescherming. De rechtbank gaat in dit betoog niet mee. Uit de verklaringen van [verzoekster] en de beschermingsbewindvoerder op de zitting is gebleken dat het schuldenpakket al enige jaren, vanaf juni 2022, stabiel is. Van nieuwe, onbekende schuldeisers is niet gebleken, en die hebben zich de afgelopen ruim drie jaren ook niet gemeld, hetgeen maakt dat er voldoende redenen zijn om te veronderstellen dat de schuldenlijst compleet is, en er in het verlengde daarvan duidelijk is aan wie een voorstel in het kader van een minnelijk traject moet worden gedaan. Daarbij weegt mee dat een schuldeiser die zich niet volgens de daarvoor gangbare regels gedraagt, zich naar alle waarschijnlijkheid evenmin zal laten hinderen door een mogelijk schone lei-verklaring. In die zin biedt de Wsnp [verzoekster] dezelfde bescherming als een succesvol minnelijk traject.
De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat de gegeven motivering voor het overslaan van het minnelijk traject onvoldoende is. Naar het oordeel van de rechtbank is de artikel 285-verklaring die bij het verzoek is gevoegd, onvoldoende om te kunnen worden aangemerkt als een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen.
De rechtbank stelt vast dat daarmee niet is voldaan aan het vereiste zoals geformuleerd in artikel 285, eerste lid, onder f, jo 285, tweede lid, Fw, zodat [verzoekster] geen volledig verzoekschrift heeft ingediend, hetgeen een reden zou kunnen zijn voor niet ontvankelijk verklaring van [verzoekster] in haar verzoek tot toelating.
De rechtbank ziet echter aanleiding om op basis van het bepaalde in artikel 287, tweede lid Fw, [verzoekster] in de gelegenheid te stellen alsnog te proberen om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen en daarover een met redenen omklede verklaring in te dienen. In verband met de verwachte termijn die dit in beslag zal nemen gunt de rechtbank verzoekster hiervoor een termijn van maximaal vier maanden. In deze periode wordt de beslissing op het verzoek tot toelating tot de Wsnp aangehouden.
4. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat [verzoekster] alsnog binnen een termijn van maximaal vier maanden een met redenen omklede verklaring als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f, Fw, kan overleggen;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit is de beslissing van mr. C.H. Beuker, rechter, in samenwerking met de griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.