RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
vonnis van 19 maart 2026
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummer: C18/26/1075 R
in de zaak van:
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker.
PROCESGANG
Verzoeker heeft op 5 december 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 6 maart 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met zijn schuldhulpverlener de heer [schuldhulpverlener werkzaam bij schuldhulpverleningsbedrijf] . Namens zijn beschermingsbewindvoerder zijn verschenen [twee medewerkers werkzaam bij beschermingsbewindvoerder] .
RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 van de Faillissementswet (Fw) bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
Namens verzoeker heeft de beschermingsbewindvoerder ter zitting geïnformeerd of de schuldsaneringsregeling van verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een eerdere ingangsdatum als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen, omdat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd. Verzoeker zit in een sociaal activeringstraject van de gemeente Borger-Odoorn. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat dit traject inhoudt dat hij tweemaal per week vrijwilligerswerk bij de [organisatie] doet. Het sociale activeringstraject liep in eerste instantie tot 16 maart 2026, maar is onlangs met een half jaar verlengd. Verzoeker heeft in het minnelijke traject niet afgelost en niet gesolliciteerd. Uit het verzoekschrift wordt onvoldoende duidelijk of verzoeker op dit moment niet in staat is om te werken. Mocht hierover tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling meer duidelijkheid komen, dan staat het verzoeker vrij om aan de rechter-commissaris een met (medische) stukken onderbouwd verzoek te doen tot verkorting van de looptijd.
BESLISSING
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
voorheen handelend onder de naam [bedrijfsnaam] ,
voorheen gevestigd te [vestigingsplaats] ,
KvK-nummer: [nummer] ;
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Groenewegen,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de verzoeker gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma en in het openbaar uitgesproken op
19 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.