RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
vonnis van 27 maart 2026
[schuldenaar] , geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen de schuldenaar,
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/23/10 R
in de zaak van:
bewindvoerder: [bewindvoerder] .
PROCESGANG
Bij vonnis van deze rechtbank van 1 februari 2023 is ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
Op 15 januari 2026 heeft een verificatievergadering inzake de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar plaatsgevonden.
Door de bewindvoerder is op 21 januari 2026 schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
De rechter-commissaris heeft de rechtbank voorgedragen de schuldsaneringsregeling te beëindigen.
De zaak is behandeld ter zitting van 20 februari 2026 alwaar de schuldenaar is verschenen tezamen met zijn werkgever, de heer [werkgever] . Voorts is de bewindvoerder verschenen evenals de beschermingsbewindvoerder van de schuldenaar, mevrouw[beschermingsbewindvoerder ] , tezamen met haar kantoorgenoot mevrouw [medewerkster bewindvoeringsbedrijf] .
De rechtbank heeft de beslissing vervolgens aangehouden voor de duur van vier weken.
Vonnis is bepaald op heden.
RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank dient te beoordelen of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. In geval van een toerekenbare tekortkoming zal de rechtbank vervolgens beoordelen of dat tot de beëindiging van de schuldsaneringsregeling moet leiden onder onthouding van “de schone lei”.
Uit de verslagen van de bewindvoerder en de voordracht van de rechter-commissaris is gebleken dat de schuldenaar over de periode van 1 maart tot en met 31 augustus 2025 in totaal € 4.754,50 van zijn werkgever heeft ontvangen op zijn leefgeldrekening. Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 1 december 2025 heeft de schuldenaar hierover verklaard dat hij kosten heeft voldaan voor zijn werkgever en dat deze zijn vergoed. Dit betreft onder meer brandstofkosten en inkopen bij leveranciers. De bewindvoerder heeft de schuldenaar vervolgens verzocht om van deze kosten bewijsstukken aan te leveren. Hieraan is door de schuldenaar slechts deels voldaan. Daarnaast heeft de schuldenaar over de maand september 2025 recht op een WW-uitkering, maar is deze ‘on hold’ gezet omdat op de aangeleverde salarisspecificaties een niet-bekend loonheffingsnummer staat vermeld. Tenslotte komen door de schuldenaar ontvangen netto loonbedragen en onkostenvergoedingen niet overeen met de bedragen op de overgelegde salarisspecificaties. Hierdoor kan de bewindvoerder niet vaststellen of de berekeningen van het vrij te laten bedrag kloppen en of de juiste bedragen aan de boedel zijn voldaan. De schuldenaar is in de gelegenheid gesteld om alsnog bewijsstukken en correcte salarisspecificaties toe te zenden, maar hieraan is niet voldaan.
De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat zij- voor wat betreft het deel wat niet door de schuldenaar kan worden verantwoord- niet veel anders kan dan het als inkomen aan te merken, wat maakt dat dit bedrag aan de boedel moet worden afgedragen. Daarnaast moet de WW-uitkering over de maand september en het loon over de maand augustus nog worden ontvangen, zodat bekeken kan worden of er nog een afdracht over die maanden moet plaatsvinden.
Ter zitting heeft de schuldenaar aangegeven dat hij tijdens een klus vaak contact zocht met zijn werkgever als er inkopen moesten worden gedaan. Zijn werkgever stortte dan een bedrag op zijn rekening waarvan de schuldenaar de betreffende leverancier kon voldoen. Zijn werkgever heeft deze werkwijze ter zitting ook bevestigd. De schuldenaar heeft echter niet van alle aankopen en onkosten bewijsstukken en ook de werkgever heeft hiervan geen administratie beschikbaar. De werkgever heeft ter zitting aangegeven nog wel te hebben geprobeerd zoveel mogelijk te reconstrueren, maar dat is maar deels gelukt. Hoewel de schuldenaar van mening is dat hij aan zijn afdrachtplicht heeft voldaan, wil hij toch nog een bedrag betalen om de kwestie af te ronden en zo alsnog een schone lei te krijgen.
De rechtbank heeft vervolgens de behandeling ter zitting aangehouden voor de duur van vier weken teneinde de schuldenaar in de gelegenheid te stellen om alsnog een voorstel aan de bewindvoerder te doen voor de afkoop van de van zijn werkgever ontvangen bedragen.
Op 9 maart 2026 heeft de bewindvoerder de rechtbank bericht dat de schuldenaar heeft aangeboden om aan de boedel een bedrag van € 2.000,00 te voldoen. De bewindvoerder stemt in met het voorstel van de schuldenaar.
Hoewel niet meer exact is vast te stellen welk deel van het ontvangen bedrag van € 4.754,50 ziet op vergoeding van kosten die de schuldenaar voor zijn werkgever heeft voldaan, stelt de rechtbank vast dat de schuldenaar in ieder geval een deel van de ontvangen bedragen met bewijsstukken heeft onderbouwd. Met het voorstel van de schuldenaar om een aanvullend bedrag van € 2.000,00 aan de boedel te voldoen heeft de schuldenaar naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan zijn verplichting om inkomsten boven het voor hem berekende vrij te laten bedrag aan de boedel af te dragen.
Op 16 maart 2026 heeft de bewindvoerder de rechtbank bericht dat de schuldenaar het voorgestelde bedrag van € 2.000,00 aan de boedel heeft voldaan. Ook de boedelafdrachten over de maanden augustus en september 2025 zijn voldaan.
Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de schuldenaar alsnog heeft voldaan aan zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank zal derhalve de schuldsaneringsregeling met ‘schone lei’ beëindigen.
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder vaststellen. De vergoeding voor de bewindvoerder is berekend op € 3.759,70 (inclusief onkosten en omzetbelasting). Voor zover actief aanwezig is, kan de bewindvoerder de vergoeding als salaris opnemen. Voor zover de kosten van het griffierecht ad € € 820,00 voor het deponeren van de slotuitdelingslijst niet uit de boedel kunnen worden voldaan, komen deze ten laste van de Staat.
Ingevolge artikel 356 lid 2 van de Faillissementswet (Fw) zal de schuldsaneringsregeling van rechtswege geëindigd zijn, zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden. Alsdan zijn de vorderingen die vallen onder de werking van de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar krachtens artikel 358 lid 1 Fw niet langer afdwingbaar.
BESLISSING
De rechtbank:
beëindigt de schuldsaneringsregeling;
stelt vast dat de schuldenaar zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is nagekomen;
stelt het salaris voor de bewindvoerder, inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op€ 3.759,70.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Huizinga en in het openbaar uitgesproken op27 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.