RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] , wonende te
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/26/1065 R
vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van:
[adres] , hierna te noemen: verzoeker.
PROCESGANG
Verzoeker heeft op 31 december 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 18 februari 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met de heer [beschermingsbewindvoerder] en mevrouw [schuldhulpverlener werkzaam bij de gemeente] .
RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek om een eerdere ingangsdatum te bepalen, is dat een schuldenaar zich tijdens het minnelijk traject maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. De eventuele omstandigheid dat de verplichtingen die voortvloeien uit het minnelijke voortraject niet geheel gelijk zijn aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke schuldsaneringsregeling, staat in beginsel niet eraan in de weg de termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling te laten lopen vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan. Wel dient in dat geval te worden aangetoond dat de schuldenaar zich tijdens het minnelijke voortraject voldoende heeft ingespannen ten behoeve van zijn schuldeisers, (r.o. 3.5.3. Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:HR:HR:2024:1913).
Ter zitting heeft mevrouw [schuldhulpverlener werkzaam bij de gemeente] namens verzoeker verzocht om een eerdere ingangsdatum als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw. De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde berekening van het vrij te laten bedrag blijkt dat verzoeker geen afloscapaciteit heeft. Daarnaast is de rechtbank op basis van de overgelegde stukken en hetgeen verzoeker ter zitting heeft verklaard gebleken dat verzoeker vanwege zijn medische situatie vanaf 2 juli 2025 niet in staat is om (fulltime) betaalde arbeid te verrichten nu uit de beschikking van het UWV van 2 juli 2025 blijkt dat verzoeker voor 55 tot 65 % is afgekeurd. Verzoeker heeft daarnaast recent een baan gevonden. Verzoeker werkt dagelijks 3 uur per dag met behoud van zijn WIA-uitkering.
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke schuldsaneringsregeling bepalen op 2 juli 2025 omdat verzoeker vanaf die datum heeft voldaan aan de inspannings- en afdrachtverplichting.
BESLISSING
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf 2 juli 2025, waardoor deze termijn eindigt op 2 januari 2027;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. D.J. Klijn,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op
4 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.