ECLI:NL:RBNNE:2026:1191

ECLI:NL:RBNNE:2026:1191

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer 18-024181-25
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Raadkamer
Zittingsplaats Assen

Samenvatting

De raadkamer van de rechtbank verklaart het klaagschrift van Meldkamer Ambulancezorg Noord-Nederland tegen het vrijgeven van een bandopname van een meldkamergesprek gegrond. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat het verschoningsrecht moet worden doorbroken. De inschatting van klager dat toestemming van het slachtoffer niet kan worden verondersteld acht de rechtbank niet kennelijk onredelijk.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Assen

parketnummer : 18-024181-25

raadkamernummer : 26-000659

datum : 14 april 2026

beslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 14 april 2026 op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend door:

Meldkamer Ambulancezorg Noord-Nederland, gevestigd te [vestigingsplaats] ,

correspondentieadres ten kantore van de advocaat: [adres] , hierna te noemen: de klaagster,

vertegenwoordigd door mr. M. van Mourik, advocaat-gemachtigde te Groningen, en mr. bc. R.J.B. Caderius van Veen, gemachtigde.

Inleiding

In het strafrechtelijk onderzoek tegen [verdachte] (hierna: verdachte) met parketnummer 18-024181-25 heeft de officier van justitie van de klaagster gevorderd de bandopname te verstrekken van de hierna omschreven 112-melding. Verdachte wordt ervan verdacht dat zij opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) van het leven heeft beroofd. Op 20 januari 2025 is door de moeder van verdachte, in het bijzijn van verdachte en haar vader, contact opgenomen met de meldkamer van 112 nadat het levenloze lichaam van het slachtoffer was aangetroffen.

Procedure

Op 23 september 2025 heeft de officier van justitie op grond van artikel 126nf van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van de klaagster gevorderd de gegevens te verstrekken met betrekking tot de 112-melding op maandag 20 januari 2025 om 13.35.01 uur met het telefoonnummer [telefoonnummer] , die gaat over een acute situatie op het adres [adres] .

De rechter-commissaris heeft op 23 september 2025 een machtiging verleend aan de officier van justitie overeenkomstig de vordering.

Per e-mail heeft de officier van justitie mr. G.R. Stoeten op 5 november 2025 aan de gemachtigde van klaagster een nadere toelichting gegeven op de vordering.

Op 8 januari 2026 is op grond van artikel 552a Sv, in samenhang met de artikelen 126nf Sv, 96a Sv, derde lid, en 98 Sv een klaagschrift ingediend.

In het verweerschrift van 20 februari 2026 heeft de officier van justitie zijn standpunt gehandhaafd en nader toegelicht.

De rechtbank heeft verdachte [verdachte] in deze procedure als derde-belanghebbende aangemerkt en haar in de gelegenheid gesteld aan het geding deel te nemen. De raadsman van verdachte, mr. R.P. Eefting, heeft per e-mail op 27 maart 2026 aan de rechtbank laten weten dat de verdediging geen bezwaar heeft tegen vrijgave van de gevorderde gegevens en dat de verdediging niet aanwezig zal zijn bij de behandeling van het klaagschrift.

Het klaagschrift is op 1 april 2026 in openbare raadkamer behandeld. De volgende personen zijn hierbij gehoord:

Standpunten partijen

Standpunt van de klaagster

De klaagster heeft verzocht het klaagschrift gegrond te verklaren en te bepalen dat de klaagster niet hoeft te voldoen aan de vordering van de officier van justitie om de bandopname te verstrekken van de betreffende 112-melding. Daartoe is - kort weergegeven - het volgende aangevoerd.

Medewerkers van de ambulancedienst op de meldkamer hebben een beroepsgeheim dan wel een afgeleid beroepsgeheim op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst genoemd in het burgerlijk wetboek en de Wet BIG. Verschoningsgerechtigden zijn niet verplicht aan een vordering ex artikel 126nf Sv te voldoen voor zover het verschoningsrecht aan de verstrekking van de gegevens in de weg staat. De klaagster stelt zich op het standpunt dat de gevorderde gegevens vallen onder het (afgeleid) medisch beroepsgeheim dat voor (de medewerkers van) de ambulancedienst geldt en dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die tot gevolg hebben dat het belang van de waarheidsvinding in deze situatie moet prevaleren boven het verschoningsrecht.

Het feit dat verdachte, de moeder van verdachte en de nabestaanden van het slachtoffer hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het verstrekken van de gevorderde gegevens, maakt niet dat kan worden verondersteld dat ook het slachtoffer bij leven hiervoor toestemming zou hebben gegeven.

Deze omstandigheid is wel meegenomen in de belangenafweging, maar maakt volgens klaagster niet dat het verschoningsrecht in deze situatie kan worden doorbroken. Het algemene belang dat mensen vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde, contact moeten kunnen opnemen met de 112-meldkamer dient alsnog te prevaleren.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag en heeft daartoe het volgende - kort weergegeven - aangevoerd.

Niet betwist wordt dat de gevorderde gegevens vallen onder de geheimhoudingsplicht en het afgeleide verschoningsrecht van de klaagster. Volgens de officier van justitie kan het beroepsgeheim in deze situatie echter worden doorbroken, omdat er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Het gaat om een verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit en er is sprake van een ernstig geschokte rechtsorde. Het 112-gesprek betreft het eerste contact dat wordt gelegd met autoriteiten/hulpverleners over het aantreffen van het overleden slachtoffer. De inhoud van dit gesprek is van belang om vast te kunnen stellen wat verdachte en/of haar moeder tijdens dat gesprek precies hebben verteld en welke emoties daarbij zijn getoond. Ook kunnen de gevorderde gegevens meer duidelijkheid verschaffen over de wijze van aantreffen van de telefoon van het slachtoffer met daarop een afscheidsbericht en de totstandkoming van het besluit om in eerste instantie alleen een huisarts ter plaatse te laten komen. Deze details zijn van cruciaal belang, omdat er getwijfeld wordt aan de verklaringen van verdachte die zij tegenover de politie heeft afgelegd. De gevorderde gegevens kunnen bovendien niet op een andere manier worden verkregen.

Gelet op de aard en de inhoud van het gesprek is de inbreuk op het verschoningsrecht relatief beperkt. Het betreft een geluidsopname van 441 seconden en betreft niet een uitvoerig medisch rapport. Daarbij heeft de officier van justitie benadrukt dat veel medische gegevens van het slachtoffer reeds bekend zijn als gevolg van de in het dossier aanwezige forensische rapportages.

Voorts heeft de officier van justitie gewezen op het feit dat de verdediging en de nabestaanden van het slachtoffer allen te kennen hebben gegeven, geen bezwaar te hebben tegen de verstrekking van de gevorderde gegevens door de klaagster. Mede in het licht van de context van de zaak (een verdenking van

moord) mag verondersteld worden dat het slachtoffer, als hij nog zou leven, ook toestemming zou hebben verleend tot verstrekking van de gevorderde gegevens.

De beoordeling van het klaagschrift

Geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht

Ingevolge artikel 88 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) is een ieder die is ingeschreven in een op grond van de Wet BIG gehouden register, verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen. De centralist op de meldkamer ambulancezorg is een op grond van de wet BIG geregistreerde verpleegkundige. Op die centralist rust dan ook een geheimhoudingsplicht met een daaraan gekoppeld verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering.

De plicht tot geheimhouding vloeit, aanvullend daarop, voort uit artikel 7:457 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dan wel artikel 7:464 juncto artikel 7:457 BW, beter bekend als de Wet inzake de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst.

Veronderstelde toestemming

De rechtbank stelt vast dat zowel de verdachte in de onderliggende strafzaak als de nabestaanden van het slachtoffer te kennen hebben gegeven geen bezwaar te hebben tegen de verstrekking van de gevorderde gegevens door de klaagster. De rechtbank is van oordeel dat toestemming van de direct betrokkenen niet vanzelf met zich meebrengt dat een verschoningsgerechtigde verplicht is zijn medewerking te verlenen aan een vordering, omdat het recht om zich te verschonen bij de verschoningsgerechtigde ligt en niet bij een ander.

De klaagster heeft aangevoerd dat het slachtoffer is overleden en dat niet verondersteld kan worden dat het slachtoffer toestemming zou hebben gegeven voor het verstrekken van de gevorderde gegevens als hij nog in leven zou zijn. Wel is de omstandigheid dat direct betrokkenen toestemming hebben gegeven betrokken in de afweging om de gevorderde gegevens niet te verstrekken.

De rechtbank stelt voorop dat niet is voorzien in de mogelijkheid dat nabestaanden van het overleden slachtoffer, in plaats van het slachtoffer, toestemming geven voor doorbreking van het medisch beroepsgeheim. De inschatting of sprake is van veronderstelde toestemming van het slachtoffer en of het verschoningsrecht moet worden gehandhaafd, is primair voorbehouden aan de verschoningsgerechtigde(n) en kan slechts marginaal worden getoetst door de rechtbank. Het oordeel van de klaagster dat in deze situatie niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake zou zijn geweest van toestemming van het slachtoffer, komt de rechtbank niet kennelijk onredelijk voor.

Dat betekent dat het verschoningsrecht niet reeds kan worden doorbroken enkel vanwege het feit dat zowel verdachte als de nabestaanden van het slachtoffer toestemming hebben gegeven voor openbaarmaking van de inhoud van het 112-gesprek.

Beoordelingskader

Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich, vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde, om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht is echter niet absoluut. Er kunnen zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap aan de verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht.

De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt is niet in een algemene regel te vatten. De Hoge Raad heeft wel enkele meer algemene factoren benoemd die bij de beoordeling van de uitzonderlijkheid van de omstandigheden een rol (kunnen) spelen, zoals de aard en zwaarte van het delict, de aard en de omvang van de gegevens, de vraag in hoeverre de relevante gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen en de mate waarin de betrokken belangen worden geschaad, indien het verschoningsrecht wordt doorbroken.

Omdat het een uitzondering op de hoofdregel betreft, wijst de Hoge Raad erop dat de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit en dat voor de uitzondering zware motiveringseisen gelden.

Beoordeling

De officier van justitie heeft betoogd dat in dit geval het verschoningsrecht moet wijken voor de waarheidsvinding in een zeer ernstige strafzaak, en dat daarom sprake is van een zeer uitzonderlijke omstandigheid als door de Hoge Raad bedoeld.

De rechtbank stelt voorop dat het in de onderliggende strafzaak ontegenzeggelijk gaat om een verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit, namelijk het opzettelijk en met voorbedachte raad om het leven brengen van [slachtoffer] door verdachte [verdachte] . Daarover bestaat geen discussie.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de gevorderde gegevens naar hun aard en omvang bekeken strikt noodzakelijk zijn voor het aan het licht brengen van de waarheid.

Daarbij is het volgende van belang.

De door de officier van justitie gevorderde gegevens hebben betrekking op het 112-gesprek dat is gevoerd door de moeder van verdachte op de dag (20 januari 2025) dat het levenloze lichaam van het slachtoffer door verdachte is aangetroffen. De rechtbank stelt vast dat verdachte en de vader van verdachte bij dit 112-gesprek van de moeder aanwezig waren. De moeder en de vader hebben bij de politie verklaard over de inhoud van het gevorderde 112-gesprek, de omstandigheden waaronder dit gesprek heeft plaatsgevonden, de emoties van verdachte op dat moment en de plek waar de telefoon van het slachtoffer met daarop een afscheidsbericht werd gevonden. Indien nodig kunnen deze personen over de betreffende punten nog nader worden ondervraagd.

De rechtbank heeft verder geconstateerd dat in de onderliggende strafzaak tegen verdachte een uitvoerig einddossier is opgesteld, waarin verschillende potentiƫle bewijsmiddelen zijn opgenomen. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de gevorderde gegevens andere, nieuwe of aanvullende informatie bevatten die zodanig cruciaal is dat gesproken kan worden van een zeer uitzonderlijke omstandigheid waarin de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het verschoningsrecht dat de

klaagster toekomt. Dat de gevorderde bandopname van het 112-gesprek het wellicht mogelijk maakt om de verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd (nader) te toetsen, is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zwaarwegend.

Andere zeer uitzonderlijke, zwaarwegende omstandigheden die zouden nopen tot doorbreking van het verschoningsrecht zijn gesteld noch gebleken.

Op grond van het hiervoor overwogene acht de rechtbank het beklag daarom gegrond.

Beslissing

De rechtbank:

Deze beslissing is gegeven door de meervoudige raadkamer, mr. J. van Bruggen, voorzitter,

mr. R. Depping en mr. M.B.W. Venema, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. de Vries, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

mr. M.B.W. Venema is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beslissing.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J. van Bruggen
  • mr. R. Depping
  • mr. M.B.W. Venema

Griffier

  • mr. E.E. de Vries

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?