ECLI:NL:RBNNE:2026:1192

ECLI:NL:RBNNE:2026:1192

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer 18.077503.25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Assen

Samenvatting

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige wegens het ontbreken van wettig en overtuigend (steun)bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.077503.25

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18.166303.23

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.I. Dolinski, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 28 november 2024 tot en met 29 november 2024 te Assen met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2010 een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het, al dan niet met zijn, verdachtes, (erecte) penis, tikken tegen de billen van die [slachtoffer] .

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voor het ten laste gelegde veroordeling gevorderd tot een gevangenisstraf van zes maanden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op basis van de betrouwbare verklaringen van de veertienjarige [slachtoffer] , haar twaalfjarige vriendin [naam 1] en gedeeltes uit de verklaring van [naam 1] s vader bewezen is dat verdachte tegen de billen van [slachtoffer] heeft getikt, terwijl zij in bed lagen. Dit is een seksuele handeling.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Wat [slachtoffer] enerzijds in het informatieve gesprek en anderzijds in haar getuigenverhoor heeft verteld, komt niet geheel overeen. Haar verhaal is gevormd in een chaotisch gesprek met familieleden. Zij heeft niet gezien waarmee verdachte haar heeft aangeraakt. Tussen het moment van het vermeende handelen van verdachte en het moment waarop [slachtoffer] er voor het eerst over vertelde, is een aantal uren verstreken, wat de betrouwbaarheid van haar verklaring aantast. De verklaring van de vader van [naam 1] is niet betrouwbaar, nu hij verdachte beschuldigt van handelingen die [slachtoffer] niet heeft genoemd. Uit de verklaring van [naam 1] blijkt niet van seksuele handelingen.

Oordeel van de rechtbank

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of bewezen is dat verdachte een seksuele handeling met [slachtoffer] heeft gepleegd door haar tegen haar billen te tikken, al dan niet met zijn (erecte) penis. De rechtbank stelt daarvoor allereerst de relevante feiten en omstandigheden vast, zoals die uit het procesdossier en de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte naar voren zijn gekomen.

Feiten en omstandigheden

Verdachte was een collega en vriend van [naam 1] s vader. Verdachte kwam regelmatig bij hem over de vloer om samen te drinken en te ontspannen.

In de nacht van 28 op 29 november 2024 sliepen [naam 1] (toen twaalf jaar oud) en haar vriendin [slachtoffer] (toen veertien jaar oud) bij [naam 1] s vader thuis op een van de twee slaapkamers in een tweepersoonsbed.

Verdachte kwam op 29 november om ongeveer vier uur s nachts met zijn vriend [naam 2] bij [naam 1] s vader op bezoek.

Verklaringen

De politie heeft op 30 november 2024 een informatief gesprek met [slachtoffer] gevoerd, waarna zij op 2 december als getuige is gehoord, net als [naam 1] . [naam 1] s vader is daarna gehoord. Op 5 december 2024 heeft de moeder van [slachtoffer] aangifte tegen verdachte gedaan van de aanranding van [slachtoffer] . Verdachte is op 1, 2 en 3 december 2024 verhoord.

[slachtoffer] heeft verklaard dat zij rond zes uur s ochtends wakker werd en toen ritmisch tikken tegen haar achterwerk voelde. De djellaba waarin zij sliep was omhoog geschoven, maar bedekte nog wel haar billen. Ook had zij haar onderbroek aan. Zij draaide zich om en zag iemand liggen, die de deken over zijn onderlichaam sloeg. Verder kon zij door het duister weinig zien. [slachtoffer] schrok en sloeg de persoon met haar arm in het gezicht. Die persoon zei toen volgens [slachtoffer] : “Ik ben [verdachte] , ik ben [verdachte] ”.

[naam 1] heeft verklaard dat zij wakker werd toen [slachtoffer] vroeg: “Wie ben jij?”. Zij zag verdachte naast [slachtoffer] in bed liggen. Zij stapte vervolgens met [slachtoffer] uit bed en waarschuwde haar vader.

[naam 1] s vader heeft onder meer verklaard dat hij verdachte in het bed van de meisjes zag liggen en dat hij toen verdachte de slaapkamer heeft uitgestuurd.

[slachtoffer] s moeder heeft verklaard dat [slachtoffer] s avonds aan haar heeft verteld wat er bij [naam 1] thuis was gebeurd.

Verdachte heeft het misbruik van [slachtoffer] steeds ontkend. Hij heeft verklaard dat hij niet bij de meisjes in bed heeft gelegen en dat hij [slachtoffer] niet heeft aangeraakt.

Beoordeling van de bewijsmiddelen

Bij de beoordeling van het bewijs in zedenzaken moet de rechtbank onder meer de betrouwbaarheid van de verklaring van het vermeende slachtoffer beoordelen, en bekijken of in het dossier ander bewijs zit dat die verklaring ondersteunt. Het bewijs dat de verdachte een feit heeft begaan kan namelijk niet uitsluitend worden aangenomen op basis van één bewijsmiddel, zoals de verklaring van het slachtoffer. Ook als die verklaring betrouwbaar wordt geacht, moet die verklaring in ieder geval ondersteund worden door één bewijsmiddel uit een andere bron. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Verdachte heeft -zoals al vermeld- ontkend dat hij naast [slachtoffer] in bed heeft gelegen en haar heeft aangeraakt. Daar staan drie verklaringen tegenover: [naam 1] heeft verdachte naast [slachtoffer] zien liggen, terwijl ook de vader van [naam 1] daarover heeft verklaard. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij verdachte achter zich in bed zag liggen.

De rechtbank merkt op dat er geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] . Haar verklaring dat verdachte naast haar en [naam 1] in bed heeft gelegen wordt bovendien ondersteund door de verklaringen van [naam 1] en de vader van [naam 1] . De rechtbank gaat er daarom van uit dat verdachte naast [slachtoffer] in bed heeft gelegen.

[slachtoffer] heeft ook verklaard ritmisch tikken tegen haar billen te hebben gevoeld, maar noch zijzelf noch iemand anders heeft gezien op welke manier verdachte haar heeft aangeraakt. [slachtoffer] vermoedt dat verdachte zich aan het aftrekken was maar heeft dit niet gezien en is daar ook niet zeker van. Er zijn geen getuigen en evenmin heeft het DNA-onderzoek aan sporen op [slachtoffer] s djellaba een overeenkomst aangetoond met het DNA van verdachte. Voor de verklaring van [slachtoffer] dat en op

welke wijze verdachte haar heeft aangeraakt, bevat het dossier dus geen steunbewijs.

Hoewel dus wel vast staat dat verdachte met de beide meisjes in bed heeft gelegen, en ook vast staat dat hij daarover niet de waarheid heeft verteld, kan de rechtbank, alles bij elkaar genomen, niet buiten redelijke twijfel vaststellen wat er die nacht precies is gebeurd. Niet wat verdachte nou aan het doen was, of hoe (met zijn handen of met zijn penis), en ook niet, als al zou kunnen worden bewezen dat hij haar inderdaad heeft aangeraakt, of dat met een seksuele bedoeling is gebeurd. Gezien de hele context ligt dat zeker voor de hand, maar op basis van alleen maar één verklaring, hoe betrouwbaar misschien ook, kan de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen achten. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 22 januari 2024 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 30 dagen, waarvan 28 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 6 februari 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

Nu de rechtbank het tenlastegelegde feit niet bewezen acht en verdachte daarvan zal vrijspreken, zal de vordering worden afgewezen.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Voor de hoogte van de vergoeding heeft haar wettelijk vertegenwoordiger zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu door de benadeelde partij geen bedrag is gevorderd en de vordering niet met bewijsstukken is onderbouwd.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft eveneens bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard, primair vanwege de bepleite vrijspraak en subsidiair omdat geen bedrag is gevorderd en de vordering niet met bewijsstukken is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de vordering van [slachtoffer] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat [slachtoffer] haar eigen proceskosten draagt.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18.166303.23:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 22 januari 2024.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. J. van Bruggen en

mr. M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door mr. E.E. de Vries, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 april 2026.

Mr. M.B.W. Venema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J. van Bruggen
  • mr. M.B.W. Venema
  • mr. A. van den Oever

Griffier

  • mr. E.E. de Vries

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?