ECLI:NL:RBNNE:2026:1194

ECLI:NL:RBNNE:2026:1194

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer LEE 24/1103
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Vereenvoudigde behandeling
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op bezwaar van 1 februari 2024. De rechtbank heeft in deze beroepszaak tweemaal een comparitiezitting gehouden om inlichtingen van verweerder te ontvangen. Verweerder geeft namelijk sinds 15 juli 2024 aan een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres kennelijk gegrond is en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar bekend te maken. De rechtbank bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 500,- moet betalen voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 75.000,-. Eiseres krijgt ook een vergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn en een vergoeding van het griffierecht.

Uitspraak

[eiseres], uit Groningen, eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigde: R.P. Vaarnold).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op bezwaar van 1 februari 2024.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep kennelijk gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiseres heeft op 2 juli 2023 bij verweerder een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo-verzoek) ingediend. Zij heeft met dit verzoek verzocht om informatie over onjuistheden in de software voor digitale aangifte van de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen openbaar te maken. Meer specifiek gaat het om een fout waardoor van belasting vrijgestelde afkoopsommen van Engelse pensioenuitvoerders van in Nederland woonachtige personen alsnog progressief worden belast. Verweerder heeft op

1 november 2023 het Woo-verzoek toegewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Met het bestreden besluit van 1 februari 2024 heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. De reden hiervoor is dat hij vond dat eiseres met het besluit van 1 november 2023 alle gevraagde informatie al had ontvangen. Daarnaast stelde hij zich op het standpunt dat het niet toegestaan is om middels een bezwaarschrift het Woo-verzoek verder uit te breiden.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van zo’n uitbreiding; zij heeft slechts aangegeven dat er stukken ontbreken die onder de reikwijdte van het verzoek vallen.

Gewijzigd standpunt van verweerder en de comparitiezittingen

4. Verweerder heeft in het verweerschrift van 17 mei 2024 een gewijzigd standpunt ingenomen. Hij was van mening dat de door eiseres verzochte stukken wél onder de reikwijdte van het oorspronkelijke Woo-verzoek vielen. Verweerder heeft aangegeven uiterlijk 15 juli 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar te nemen.

5. De rechtbank heeft op verzoek van verweerder vele malen uitstel verleend. Zij heeft op 10 juli 2025 een comparitiezitting gehouden omdat er toen nog steeds geen nieuw besluit was genomen. Tijdens die zitting, waar beide partijen aanwezig waren, is afgesproken dat uiterlijk 14 oktober 2025 een nieuw besluit genomen zou worden.

6. Verweerder heeft vervolgens vele malen een datum voor het nemen van een nieuw besluit genoemd. Als laatste heeft hij op 23 december 2025 de rechtbank bericht dat het besluit uiterlijk 30 januari 2026 genomen zou worden. Dat is niet gebeurd. De rechtbank heeft vervolgens op 17 maart 2026 nogmaals een comparitiezitting gehouden om inlichtingen te ontvangen en heeft verweerder daartoe opgeroepen. In de brief is vermeld dat verweerder verplicht is om aan de oproeping te voldoen. Als aan deze verplichting niet wordt voldaan, dan kan de rechtbank hieraan de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen. Verweerder is zonder bericht niet op die zitting verschenen. Eiseres en haar gemachtigde waren er wel.

Wat vindt de rechtbank?

7. Verweerder is de op 10 juli 2025 gemaakte afspraak om uiterlijk 14 oktober 2025 een nieuw besluit te nemen, niet nagekomen, zonder dat duidelijk is waarom hij dat niet heeft gedaan. Er zijn wel contacten tussen hem en eiseres geweest over welke stukken nog (al of niet gedeeltelijk) openbaar moeten worden gemaakt; verweerder heeft een nieuwe zoekslag gedaan, maar heeft na de hoorzitting van 30 oktober 2025 geen concrete informatie meer verschaft. Op de brief van de rechtbank van 16 februari 2026, waarin is gevraagd naar de stand van zaken over het nieuwe besluit, heeft verweerder niet gereageerd. Ook telefonisch contact van de griffier met verweerder leidde niet tot enig resultaat. Ten slotte is verweerder, hoewel hij daartoe verplicht was en tot verbazing van de rechtbank, zonder bericht niet verschenen op de comparitiezitting van 17 maart 2026. Dit alles vindt de rechtbank niet aanvaardbaar, zodat zij geen andere mogelijkheid ziet dan nu een uitspraak te doen. De motivering daarvan luidt als volgt.

Het is vaste rechtspraak dat het niet mogelijk is om met een bezwaarschrift het Woo-verzoek verder uit te breiden. De rechtbank is echter van oordeel dat eiseres dat niet heeft gedaan. Verweerder heeft dit in het verweerschrift ook erkend. Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet (of niet meer) onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomst van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan rust. Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat verweerder nog over documenten beschikt die vallen onder de reikwijdte van het Woo-verzoek. Gelet op de concrete aanknopingspunten die zij heeft gegeven, diende verweerder een nadere zoekslag uit te voeren. Verweerder heeft in het bestreden besluit dus ten onrechte beslist dat eiseres met haar bezwaarschrift het Woo-verzoek heeft uitgebreid; hij heeft terecht aangekondigd een nieuw besluit op bezwaar te zullen nemen. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt.

Verder heeft verweerder afgezien van het horen van eiseres in de bezwaarschrift-procedure. Eiseres voert aan dat de hoorplicht is geschonden. Verweerder heeft dat erkend en heeft daarom besloten om op 30 oktober 2025 alsnog een hoorzitting te houden. Die hoorzitting heeft plaatsgevonden. Ook deze beroepsgrond slaagt.

Aan het bestreden besluit kleven dus meerdere gebreken. Verweerder heeft het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, en het motiverings-beginsel, als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Daarnaast is het besluit in strijd met de hoorplicht, als bedoeld in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb, genomen. Het beroep is kennelijk gegrond.

Hoe nu verder?

8. Gelet op het belang dat eiseres heeft bij een nieuw besluit op bezwaar en op het feit dat verweerder al vanaf 17 mei 2024 (in het verweerschrift) toezegt een nieuw besluit op bezwaar te zullen nemen, zal de rechtbank bepalen dat hij binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar bekend moet maken.

Aangezien er een reële mogelijkheid bestaat dat verweerder niet, of niet binnen de gegeven termijn, aan de zojuist gegeven opdracht zal voldoen, maakt de rechtbank gebruik van de in artikel 8:72, zesde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid en stelt zij een dwangsom vast voor het geval verweerder in gebreke blijkt om binnen de bij deze uitspraak vastgestelde termijn een nader besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 500,- moet betalen voor elke dag waarmee de bij deze uitspraak vastgestelde termijn wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt een maximum van € 75.000,-.

Overschrijding redelijke termijn

9. Eiseres heeft op de zitting betoogd dat zij recht heeft op een immateriële schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijk termijn in bezwaar en beroep.

De rechtbank overweegt dat de vraag of de zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is behandeld, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Zoals uit deze rechtspraak volgt, dient bij de beoordeling van de redelijke termijn de duur van de procedure als geheel in aanmerking te worden genomen.

Uit vaste jurisprudentie volgt dat een uitspraak in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn is gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In die termijn is de duur van de bezwaarfase begrepen. De termijn vangt aan op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in beroep.

De redelijke termijn is aangevangen op 30 november 2023, de dag van ontvangst van het bezwaarschrift. Verweerder heeft op 1 februari 2024 met het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres beslist. De rechtbank heeft met deze uitspraak van 2 april 2026 beslist op het beroep van eiseres. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres tot aan deze einduitspraak zijn twee jaren en vier maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn in deze zaak, afgerond naar boven, met een halfjaar is overschreden. Eiseres komt daarom in aanmerking voor een schadevergoeding van € 500,-. De overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegerekend aan de rechtbank. Zij zal de Staat der Nederlanden veroordelen tot het betalen aan eiseres van een bedrag van € 500,- aan schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is kennelijk gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2, 7:12, eerste lid, en 7:2 van de Awb. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt het besluit van 1 februari 2024. Zij draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen en bepaalt dat hij eiseres een dwangsom moet betalen voor elke dag waarmee die termijn wordt overschreden.

Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 1 februari 2024;

draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar bekend te maken;

bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 500,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 75.000,-;

veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van een schadevergoeding van in totaal € 500,- aan eiseres;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier.

griffier

rechter

Uitgesproken op 3 april 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.G. Wijtsma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?