RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen
V.o.f. Puur Terschelling , uit [vestigingsplaats] , eiser
Als derde-partij neemt deel: [belanghebbende 1] uit [plaats] (belanghebbende),
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/5017
(gemachtigde: mr. W. Visser),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terschelling, het college
(gemachtigde: [naam 1] ).
(gemachtigde: mr. M.A. de Boer).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om omgevingsvergunning van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 12 mei 2022 een aanvraag ingediend voor het realiseren van een donkerte belevingsplek op het perceel kadastraal bekend gemeente Terschelling, [perceel] , plaatselijk bekend als [adres] . De aanvraag is ingediend voor de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening.
Het college heeft eiser verzocht de aanvraag aan te vullen. Bij brief van 19 juli 2022 heeft eiser de aanvraag aangevuld en daarnaast een aanvraag voor de activiteit bouwen ingediend. Daarbij heeft eiser ook het college in gebreke gesteld vanwege het te laat beslissen op de aanvraag.
Het college heeft op 2 augustus 2022 aan eiser bericht dat de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ van rechtswege is verleend. Het college heeft hierbij overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met de regels van het geldende bestemmingsplan.
Bij brief van 26 augustus 2022 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning.
Eiser, belanghebbende en het college zijn naar aanleiding van het bezwaarschrift gehoord op 17 november 2022 op een zitting van de commissie van advies voor de bezwaarschriften. Op 6 januari 2023 heeft de commissie een advies uitgebracht. Daarin staat dat de van rechtswege verleende vergunning geen stand kan houden, de reguliere procedure niet van toepassing is en om die reden de omgevingsvergunning van rechtswege herroepen moet worden en dat bij de beslissing op bezwaar alsnog een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag plaats moet vinden.
Het college heeft op 14 augustus 2023 besloten het advies van de commissie over te nemen en de vergunning van rechtswege te herroepen, de uitgebreide procedure te volgen en een ontwerpbesluit tot weigering van de omgevingsvergunning ter inzage te leggen.
Op 6 oktober 2023 heeft het college een ontwerpbesluit, strekkende tot weigering van de omgevingsvergunning, ter inzage gelegd. Eiser heeft hiertegen een zienswijze ingebracht.
Bij besluit van 10 april 2024 heeft de gemeenteraad van Terschelling besloten een ontwerpverklaring van geen bedenkingen af te geven voor het bouwplan van eiser.
Op 24 april 2024 heeft het college een ontwerpbesluit tot weigeren van de aanvraag omgevingsvergunning genomen. Dit ontwerpbesluit en de ontwerpverklaring van geen bedenkingen zijn vanaf 25 april 2024 zes weken ter inzage gelegd. Eiser heeft hiertegen een zienswijze ingebracht.
Op 2 oktober 2024 heeft de gemeenteraad besloten geen verklaring van geen bedenkingen af te geven voor de verlening van de omgevingsvergunning.
Bij het bestreden besluit van 13 november 2024 heeft het college, onder verwerping van de zienswijze van eiser, geweigerd omgevingsvergunning te verlenen voor een donkerte belevingsplek op het perceel [adres] . Het college is van mening dat het bouwplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening is en dat daarvoor geen vergunning kan worden afgegeven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 2] , namens V.o.f. Puur Terschelling , bijgestaan door zijn gemachtigde, [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] , bijgestaan door hun gemachtigde en [naam 1] namens het college.
Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is de omvang van het bouwplan?
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het college er ten onrechte van uitgaat dat de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is bij de voorbereiding van het besluit. Volgens eiser is het college ten onrechte uitgegaan van een project dat meer dan 50 m² omvat. Het betreft namelijk een ruimtebeslag van 45,61 m2. Deze oppervlakte bestaat uit 33,17 m2 voor het bouwwerk zelf en de oppervlakteverharding, plus 12,44 m2 voor de aanleg van een tuinwal. Het is belangrijk op te merken dat een deel van de omwalling al bestaat en eerder is vergund. De oppervlakte van de aarden wal moet daarom niet worden meegenomen bij de bepaling van de grootte van het bouwplan.
Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat uit de aanvulling van de aanvraag van 19 juli 2022 blijkt dat het bouwplan een diameter van 8,6 meter heeft. Hiermee wordt het totale bouwwerk, inclusief de al aanwezige aarden wal, groter dan 50 m², namelijk 58 m².
De rechtbank is met het college van oordeel dat het hele bouwplan in zijn totaliteit beoordeeld moet worden. Het geheel van de aarden wal, de vloer en de banken is één constructie die direct of indirect met de grond is verbonden dan wel direct of indirect steun vindt in of op de grond en bedoeld is om ter plaatse te functioneren. Dat eiser in dit geval gebruik maakt van een al aanwezige aarden wal betekent niet dat de oppervlakte daarvan niet meegenomen moet worden bij de bepaling van de omvang van het bouwplan. Anders dan vergunninghouder stelt is voor deze wal geen vergunning verleend maar is het aanleggen daarvan in een eerder verleende vergunning voorgeschreven als onderdeel van de erfinrichting. Bovendien maakt de wal onderdeel uit van het bouwwerk waarvoor vergunning is aangevraagd en kan hij niet los daarvan worden gezien. Het college is er gelet daarop terecht van uitgegaan dat de wal meegenomen moet worden bij de bepaling van de omvang van het bouwplan. Dit betekent dat het college terecht is uitgegaan van een omvang van 58 m² .
Is het bouwplan strijdig met het bestemmingsplan?
5. Eiser is verder van mening dat het project niet strijdig is met het bestemmingsplan. Bij recht is extensief dagrecreatief medegebruik toegestaan en eiser is van mening dat daarvan hier sprake is.
Het college betoogt dat de term medegebruik zoals gedefinieerd in artikel 1.40 van de planregels ziet op een gebruik van voorzieningen die binnen een gebied al aanwezig zijn, niet gericht zijn op een publiekstrekkend karakter en in de aan dat gebied toegewezen functie zijn opgenomen. Zodra een dagrecreatieve functie een permanente vaste plek heeft, dan wordt dat bestemd of aangeduid op de plankaart, zoals boerengolf. De donkerte belevingsplek is geen medegebruik, maar een nieuwe zelfstandige voorziening die een eigen vaste plek inneemt.
Op de gronden waarop de donkerte belevingsplek is voorzien geldt op grond van het het bestemmingsplan “Buitengebied Polder” de bestemming ‘Agrarisch’. Op grond van de bestemmingsomschrijving in artikel 3 van de planregels is extensief dagrecreatief medegebruik als ondergeschikt gebruik aan de in dat artikel genoemde bestemmingen toegestaan. De rechtbank stelt vast dat het geschil zich toespitst op de vraag of de donkerte belevingsplek als zodanig is aan te merken.
Op grond van artikel 1.40 van de planregels is extensief dagrecreatief medegebruik als volgt gedefinieerd: een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen medegebruik;
De rechtbank is van oordeel dat het college de donkerte belevingsplek terecht niet heeft aangemerkt als extensief dagrecreatief medegebruik. In de Van Dale wordt het begrip ‘extensief’ omschreven als ‘naar de uitgestrektheid, zich ver uitstrekkend’. Ook uitgaande van de definitie in de planregels kan de belevingsplek niet als extensief medegebruik worden aangemerkt. Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat, gelet op de voorbeelden die in artikel 1.40 van de planregels worden genoemd en de omstandigheid dat het volgens die bepaling moet gaan om een daarmee naar de aard gelijk te stellen medegebruik, ‘vlottende’ activiteiten worden bedoeld. Daarvan is in dit geval geen sprake. De donkerte belevingsplek wordt gevormd door een bouwwerk dat op één plek op de gronden van [adres] geplaatst zou worden.
Is een vergunning van rechtswege verleend?
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarschriftencommissie terecht overwogen dat geen vergunning van rechtswege voor de activiteit bouwen is ontstaan omdat de aanvraag voor deze activiteit pas op 19 juli 2022 is ingediend. Uit wat hiervoor is overwogen blijkt bovendien dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met de bepalingen van het bestemmingplan. Een vergunning kan niet verleend worden op grond van het Besluit omgevingsrecht omdat het bouwplan te groot is. Dit betekent dat het bouwplan alleen vergund kan worden op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten derde, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Op grond van artikel 3.10 van de Wabo is dan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing. Ook om die reden heeft het college in navolging van het advies van de bezwaarschriftencommissie terecht overwogen dat geen vergunning van rechtswege is ontstaan.
7. Bij het bestreden besluit van 13 november 2023 heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college is van mening dat het bouwplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening is. Hiertegen heeft eiser geen beroepsgronden ingediend.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
(…)
Artikel 2.10 Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=2&g=2026-02-19&z=2026-02-19) of 120 van de Woningwet (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=120&g=2026-02-19&z=2026-02-19);
(…)
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
(…)
Artikel 2.12
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
(…)
Artikel 3.10
1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:
a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°;
(…)
Besluit omgevingsrecht
Artikel 2.7. Planologische gebruiksactiviteiten
Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II (https://wetten.overheid.nl/BWBR0027464/2023-07-01).
Bijlage II. Behorende bij de artikelen 2.3, 2.5a en 2.7
Artikel 4
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
(…)
3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 10 m, en
b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²;
(…)
Bestemmingsplan ‘Buitengebied Polder’
Artikel 1 Begrippen
(…)
extensief dagrecreatief medegebruik:
een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, of een naar de aarde daarmee gelijk te stellen medegebruik
(…)
Artikel 3 Agrarisch
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
(…)
met daaraan ondergeschikt:
(…)
s. extensief dagrecreatief medegebruik
(…)