ECLI:NL:RBNNE:2026:1201

ECLI:NL:RBNNE:2026:1201

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer 18/081736-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Deze uitspraak is niet samengevat voor publicatie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/081736-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 april 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Koops, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij, op of omstreeks 15 november 2024 te Groningen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmede rijdende over de weg, [adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te

wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te handelen, hierin bestaande dat verdachte

- als beroepschauffeur op [adres] met haar motorrijtuig heeft stilgestaan

om een (vuil)container, zich bevindend langs de kant van die weg, te legen en (vervolgens) nadat deze container was geleegd haar weg te vervolgen op die [adres] ,

was door de aanwezigheid van een plateau (met hierop attributen) op het dashboard van het motorrijtuig,

- niet, althans onvoldoende, heeft gekeken (in haar spiegels en/of

cameramonitorsysteem en/of door haar ruiten) of de weg voor en/of naast haar zodanig vrij was dat zij haar weg veilig kon vervolgen, althans onvoldoende op het overige verkeer heeft gelet en/of niet de nodigde voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of,

- ( ( vervolgens) de (inhalende) fietser, te weten: [slachtoffer] , die aldaar ter

plaatse (in dezelfde rijrichting als die van verdachte) reed, en bezig was het motorrijtuig van haar, verdachte, in te halen en/of te passeren en zich (links) naast en/of voor haar, verdachtes, motorrijtuig bevond, niet heeft gezien en/of,

- ( ( vervolgens) geen voorrang heeft verleend, althans niet tijdig en/of onvoldoende

heeft afgeremd, waardoor zij in botsing is gekomen met de fiets van die [slachtoffer] ,

waardoor die [slachtoffer] werd gedood;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij, op of omstreeks 15 november 2024 te Groningen als bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, [adres] ,

- als beroepschauffeur op [adres] met haar motorrijtuig heeft stilgestaan

om een (vuil)container, zich bevindend langs de kant van die weg, te legen en

(vervolgens) nadat deze container was geleegd haar weg te vervolgen op die [adres] ,

was door de aanwezigheid van een plateau (met hierop attributen) op het dashboard van het motorrijtuig,

- niet, althans onvoldoende, heeft gekeken (in haar spiegels en/of

cameramonitorsysteem en/of door haar ruiten) of de weg voor en/of naast haar zodanig vrij was dat zij haar weg veilig kon vervolgen, althans onvoldoende op het overige verkeer heeft gelet en/of niet de nodigde voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of,

- ( ( vervolgens) de (inhalende) fietser, te weten: [slachtoffer] , die aldaar ter

plaatse (in dezelfde rijrichting als die van verdachte) reed, en bezig was het motorrijtuig van haar, verdachte, in te halen en/of te passeren en zich (links) naast en/of voor haar, verdachtes, motorrijtuig bevond, niet heeft gezien en/of,

- ( ( vervolgens) geen voorrang heeft verleend, althans niet tijdig en/of onvoldoende

heeft afgeremd, waardoor zij in botsing is gekomen met de fiets van die [slachtoffer] , waarna die [slachtoffer] is komen te overlijden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij, op of omstreeks 15 november 2024 te Groningen als bestuurder van een voertuig (vrachtauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [adres] ,

is weggereden zonder een fietser (te weten: [slachtoffer] ) voor te laten

gaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich - overeenkomstig de inhoud van de door hem aan de rechtbank overgelegde schriftelijke pleitnota - ten aanzien van de gehele tenlastelegging op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat geen sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van verdachte. Volgens de raadsman betreft het een ongeluk dat eenieder had kunnen overkomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 31 maart 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik was de bestuurder van de vrachtwagen. Ik heb de fietser niet waargenomen en verkeerde in de veronderstelling dat ik over een drempel reed. Vervolgens zag ik een been onder de vrachtwagen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Forensisch Onderzoek Verkeer d.d. 12 december 2024, opgenomen op pagina 73 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024318723 d.d. 11 maart 2025, inhoudend als relaas van verbalisanten:

Ik zag dat de vuilniswagen was voorzien van de wettelijk voorgeschreven spiegels, een dodehoekcamera met monitor aan de linkerzijde (afbeelding 22), en een vooruitkijkcamera met een monitor (afbeelding 21). Ik zag dat deze voorzieningen schoon waren, dat het zicht in de spiegels en op de monitoren goed was, en dat de gehele ruimte rondom de vuilniswagen zichtbaar was. Hieruit bleek ons dat slachtoffer voor de bestuurster van de vuilniswagen zeer waarschijnlijk goed zichtbaar geweest moet zijn in de inrichtingen voor indirect zicht. De vuilniswagen was bezig met het legen van containers aan de westzijde van [adres] . Deze bevonden zich gezien vanuit de rijrichting van betrokkenen vóór de geparkeerde Volkswagen Polo.

Slachtoffer reed op de fiets in zuidelijke richting en is daarbij vermoedelijk links om de vuilniswagen heen gereden met de bedoeling zijn weg in zuidelijke richting te vervolgen. Voor hij de vuilniswagen volledig gepasseerd was en terug kon sturen naar de rechterzijde van de weg was de bestuurster van de vuilniswagen klaar met het legen van de afvalcontainers en vervolgde zij haar weg, tevens in zuidelijke richting. Het slachtoffer was, doordat de bestuurdersplaats in de vuilniswagen zich rechts bevond en door het op het dashboard geplaatste plateau, mogelijk buiten het directe zicht van de bestuurster van de vuilniswagen. Uit ons onderzoek blijkt echter dat de bestuurster van de vuilniswagen het slachtoffer wel had kunnen zien via haar inrichtingen voor indirect zicht (spiegels en camera-monitorsysteem). Door ons kon niet worden vastgesteld hoever de fietser vóór de vuilniswagen had gereden alvorens het ongeval plaatsvond. De bestuurster van de vuilniswagen reed weg na stil te hebben gestaan om containers te legen. Hierbij liet zij het slachtoffer niet voorgaan toen deze zich aan de linker voorzijde of kort vóór de vuilniswagen bevond. De bestuurster van de vuilniswagen heeft daarbij vermoedelijk niet of onvoldoende in haar inrichtingen voor indirect zicht gekeken. De achterband van de fiets is als gevolg van bovenstaande in contact gekomen met de voorbumper van de vrachtwagen. Het slachtoffer is daardoor ten val gekomen en overreden door het linker voorwiel. Zijn lichaam is overreden door de linker achterwielen en zo meegesleept onder de vuilniswagen, alvorens deze tot stilstand kwam. Hierdoor is het weefselspoor op het wegdek ontstaan. Slachtoffer is ter plaatse aan de verwondingen ten gevolge van de aanrijding overleden.

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 15 november 2024 reed verdachte in een vuilnisvrachtwagen over [adres] in de richting van de [adres] in Groningen. Verdachte bracht haar wagen tot stilstand om een vuilcontainer te legen. Het slachtoffer, de heer [slachtoffer] (hierna: slachtoffer), reed eveneens op de [adres] in dezelfde rijrichting als verdachte. Terwijl het slachtoffer zich voor de vrachtwagen bevond, reed verdachte met haar vrachtwagen uit

stilstand weg en botste zij met de linker voorzijde van de vrachtwagen tegen de achterzijde van het slachtoffer aan. Hierdoor kwam het slachtoffer ten val waarna hij door de vrachtwagen werd overreden. Het slachtoffer is ten gevolge van het opgelopen letsel ter plaatse overleden.

Bewijsoverwegingen

Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad gaat het bij de vaststelling of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 om het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor het vereiste van aanmerkelijke schuld. Een enkel moment van onoplettendheid is in beginsel ook niet voldoende. Ook is van belang dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, in dit geval een dodelijk slachtoffer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Verdachte is beroepschauffeuse met een vrachtwagenrijbewijs. Dat brengt een extra verantwoordelijkheid met zich, de zogeheten Garantenstellung. Deze verantwoordelijkheid rust op haar, niet alleen vanwege de grotere rijvaardigheid die van een beroepschauffeur mag worden verwacht, maar ook vanwege de grotere gevaarzetting die een voertuig met een dergelijk gewicht en omvang in dit geval een vuilniswagen met zich meebrengt. Bij een botsing met een dergelijk voertuig lopen andere verkeersdeelnemers een groter gevaar dan bij een botsing met een personenauto. Op verdachte rust gelet op het voorgaande - meer nog dan voor de algemene verkeersdeelnemer - de plicht om oplettend te zijn en te reageren op zich aandienende verkeerssituaties.

Uit de Verkeersongevallenanalyse (hierna: VOA) volgt dat verdachte, nadat zij had stilgestaan om containers te legen, haar weg heeft vervolgd met de vuilniswagen. Hierbij liet zij het slachtoffer niet voorgaan toen deze zich aan de linker voorzijde of kort vóór de vuilniswagen bevond. Het vanuit stilstand vanaf de rechterzijde van de weg weer oprijden en vervolgen van de rit op diezelfde weg, betreft een bijzondere manoeuvre in de zin van artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Op grond van deze bepaling had verdachte bij het uitvoeren van de bijzondere manoeuvre voorrang moeten verlenen aan het slachtoffer. Dat verdachte dat niet heeft gedaan, levert een verkeersovertreding op.

Volgens de rechtbank staat voorts op grond van de VOA vast dat alle spiegelvelden van de vrachtwagen voldeden aan de gestelde normen. Daarnaast was de vrachtwagen voorzien van een dodehoekcamera met monitor aan de linkerzijde en een vooruitkijkcamera met bijbehorende monitor. Uit onderzoek naar het zichtveld van deze voorzieningen is gebleken dat de cameras schoon waren, dat het zicht in de spiegels en op de monitoren goed was, en dat de gehele ruimte rondom de vuilniswagen zichtbaar was. Hieruit volgt dat de fietser, op het moment dat hij zich links naast dan wel vóór de vrachtwagen bevond, door verdachte had kunnen worden opgemerkt via de aanwezige inrichtingen voor indirect zicht.

Verdachte heeft de fietser - mogelijk doordat zij is afgeleid door een (handsfree) gevoerd telefoongesprek - echter op geen enkel moment opgemerkt: niet toen hij de vrachtwagen van achteren naderde, niet toen hij zich naast de vrachtwagen bevond en evenmin toen hij zich vóór de vrachtwagen

bevond. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat verdachte gedurende meer dan een kort moment heeft verzuimd de vereiste oplettendheid in acht te nemen. Daarbij betrekt de rechtbank de op verdachte rustende Garantenstellung, die onder meer inhoudt dat van haar mocht worden verwacht dat zij bekend was met de ter plaatse geldende verkeerssituatie en wist dat achteropkomende fietsers de vuilniswagen

aan de linkerzijde moesten passeren. Van haar mocht als beroepschauffeuse worden verwacht dat zij, voordat zij optrekt, weet wat zich rondom haar vrachtwagen afspeelt of kan afspelen.

Door na het legen van de container op te trekken zonder zich ervan te vergewissen dat zich niemand vlak vóór de vrachtwagen bevond, heeft verdachte in strijd met die zorgplicht gehandeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het rijgedrag van verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, niet kan worden toegeschreven aan een enkel moment van onoplettendheid.

De rechtbank concludeert dat verdachte kan worden verweten dat zij aanmerkelijk onoplettend heeft gereden, zodat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW 1994. Dat brengt mee dat de rechtbank het aan verdachte primair tenlastegelegde bewezen acht.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij, op 15 november 2024 te Groningen als bestuurder van een vrachtauto, daarmede rijdende over de weg, [adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te

wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onoplettend te handelen, hierin bestaande dat verdachte

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om, in het geval van een veroordeling, toepassing te geven aan artikel 9a Sr en aan de verdachte geen straf op te leggen. De raadsman heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld geen (voorwaardelijke) ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen aan verdachte op te leggen, omdat verdachte haar rijbewijs nodig heeft om haar werkzaamheden uit te kunnen voeren. Voorts heeft de raadsman aangevoerd geen meerwaarde te zien in oplegging van een taakstraf, nu het voor verdachte reeds een zeer ingrijpende en belastende ervaring is dat zij zich ter terechtzitting moet verantwoorden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 15 november 2024 als bestuurster van een vrachtwagen een dodelijk verkeersongeval veroorzaakt doordat zij zich schuldig heeft gemaakt aan aanmerkelijk onoplettend rijgedrag. De gevolgen van deze fout zijn enorm.

Met het overlijden van het slachtoffer is de nabestaanden een groot en onherstelbaar leed toegebracht. Uit een ter terechtzitting voorgehouden slachtofferverklaring komt het verdriet van de nabestaanden en het gemis van hun dierbare indringend naar voren. De rechtbank realiseert zich dat wat de uitkomst van deze strafzaak ook is, dit het leed bij de nabestaanden niet weg zal kunnen nemen.

Zonder aan de gevolgen voor de nabestaanden ook maar iets af te willen doen, dient de rechtbank wat betreft de aard en hoogte van de straf te kijken naar het strafbare feit dat verdachte heeft gepleegd, te weten een schulddelict.

Bij het bepalen van de straf en de omvang daarvan neemt de rechtbank in aanmerking de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten. Deze hanteren als uitgangspunt voor het door schuld veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout, waarbij een slachtoffer is overleden en de verdachte niet onder invloed van alcohol verkeerde, een taakstraf van 240 uur en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van een jaar.

De rechtbank ziet in dit geval reden om af te wijken van de oriëntatiepunten. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is een jonge beroepschauffeuse die nog een lange carrière voor zich heeft en nog steeds als chauffeuse werkzaam is. Om die reden kiest de rechtbank niet voor een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Ter zitting heeft verdachte aangegeven het gebeurde zeer te betreuren en zich bewust te zijn van het leed van de nabestaanden. Ook is gebleken dat het feit een grote impact op haar eigen leven heeft gehad. Zij heeft professionele hulp gezocht voor de verwerking van het ongeval en haar werkzaamheden pas na het volgen van EMDR-therapie kunnen hervatten. Ook daarmee houdt de rechtbank rekening. Tot slot weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee dat zij uit eigen beweging heeft geprobeerd in contact te komen met de nabestaanden.

Al deze omstandigheden in aanmerking nemend acht de rechtbank het passend en geboden dat aan verdachte wordt opgelegd een geldboete van 1.000,- subsidiair 20 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

betaling van een geldboete ten bedrage van 1.000,- (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis;

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 3 maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Ruijter, voorzitter, mr. J.V. Nolta en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. L.N. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 april 2026.

Mr. H. de Ruijter en mr. T.R. Bosker zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H. de Ruijter
  • mr. J.V. Nolta
  • mr. T.R. Bosker

Griffier

  • mr. L.N. Dijkstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?